Online catalogus: wat willen de gebruikers?

Onlangs verscheen een nieuw rapport van OCLC met de titel Online Catalogs: What Users and Librarians Want (link naar volledige onderzoek pdf). Vanaf pagina 19 worden de belangrijkste bevindingen gegeven:

  • The end user’s experience of the delivery of wanted items is as important, if not more important, than his or her discovery experience. Appropriate, accurate and reliable data elements supporting the transitional experience from discovery through delivery are critical.
    De eindgebruiker verwacht een goed lopende stroom van ontdekking tot aan levering van materialen. Eindgebruikers willen direct weten of een item aanwezig is en zo ja, hoe zij hier aan kunnen komen. Voor online bronnen geldt dat de gebruiker directe links wenst of eenvoudigere toegang, dit geldt zowel voor tekst als voor overige media.
  • Discovery-related information elements beyond author and title, such as summaries, excerpts and tables of contents, are essential aspects connecting the stages of an end user’s discovery-to-delivery experience.
    Tijdens het zoeken verwachten gebruikers waardevolle informatie die geevalueerd is door een expert. Deze informatie ondersteunt de gebruiker in de zoektocht naar materialen en helpt bij het verwerven van het materiaal. Bibliotheken moet het voor de gebruiker eenvoudiger maken om snel te beoordelen of het materiaal datgene is dat hij zoekt. Voor boeken geldt dan dat de gebruiker wil weten hoeveel tijd het hem kost om het boek te kunnen lenen, waarvoor de gebruiker vaak naar de bibliotheek moet komen.
  • Search results must be relevant and the relevance must be obvious.
    Gebruikers hebben bepaalde verwachtingen als zij op zoek gaan naar materialen. Zij verwachten dat de catalogus de juiste informatie geeft. Aan de achterkant (techniek) moet er dus van alles aan gedaan worden zodat de catalogus duidelijk aangeeft waarom bepaalde bronnen wel en niet gevonden worden en waarom zij in een bepaalde volgorde worden getoond.
  • Keyword searching is king, but an advanced search option (supporting fielded searching) and facets help end users refine searches, navigate, browse and manage large results sets.
    Eindgebruikers zoeken het liefste met een Google-achtige zoekmachine die resultaten teruggeeft die zij verwachten. Tegelijkertijd waarderen zij dat een catalogus de mogelijkheid geeft tot geavanceerd zoeken en eventueel andere hulp bij het zoeken. Zij willen geen pagina’s vol met resultaten waar zij niets aan hebben.

oclc_1
Afbeelding pagina 19

oclc_2

Afbeelding pagina 20

Naast de eindgebruikers is ook aan personeel van de bibliotheek gevraagd wat zij nu precies willen:

  • Librarians and library staff, like end users, approach catalogs and catalog data purposefully. End users generally want to fi nd and obtain needed information; librarians and library staff generally have work responsibilities to carry out using catalog data. The data quality preferences of librarians and staff are driven primarily by their work assignments.
  • Duplicate records (multiple records for the same edition or manifestation) impede the work of librarians and staff.
  • Librarians and staff place priority on enriching catalog records with tables of contents data.
  • Except for the priorities to merge duplicate records and add tables of contents, significant differences exist in the data quality priorities of librarians by work role, type of library and region.

oclc_3

Afbeelding pagina 33

Na de afbeelding van hierboven worden in het onderzoek meer interessante afbeeldingen weergegeven, zoals welke afdelingen binnen de bibliotheek (medewerkers catalogisering, collectievorming, directeuren, etc.) bepaalde acties graag uitgevoerd willen zien. Waarbij de directeuren graag samenvattingen bij records toegevoegd willen zien worden en eenvoudigere links naar online content.

En als je de resultaten van de eindgebruik en die van de medewerker van de bibliotheek legt dan krijg je dit resultaat:

  • Both end users and librarians place a high priority on delivery-related data elements for printed or other analog materials—that is, knowing where the items are held and which are available immediately.
  • End users, but not librarians, give the highest priority to enhancing the catalog with more links to online content. Librarians give the highest priority to merging duplicate records.

En als je dan aan de bibliotheekmedewerker die direct met gebruikers vraagt wat zij denken dat de gebruik nodig heeft dan krijg je dit (pagina 54):

oclc_4
Het lijkt misschien voor de hand liggend, de gebruikers willen rijkere content in de catalogi. Dit kan informatie zijn die zij zelf toevoegen of informatie die door de bibliotheek is toegevoegd. Het laatste klinkt eenvoudig, bibliotheken scannen samenvattingen en inhoudsopgaven. Maar zo eenvoudig is dit niet, het kost tijd en mensen om dit voor elkaar te krijgen en dus moeten de bibliotheken ook op dit vlak meer samen werken.

Daarom dus de volgende aanbevelingen:

  • Examine and compare the library’s investments in bibliographic work, catalog  management, linking functionality and enrichment content (tables of contents, summaries, etc.) and rebalance them as appropriate to better meet end users’ catalog data quality requirements.
  • Within the library community and with relevant organizations, explore how to obtain or produce enrichment content (tables of contents, summaries, etc.) through data mining, the use of APIs, partnerships with publishers and vendors, and collaborative library projects.
  • Encourage the appropriate organizations to complete research and development to improve relevance ranking in online catalogs. Explore the feasibility of redeploying classification data (and the terms associated with classification numbers) and other existing data to improve relevance ranking.
  • Pay more attention to the library’s delivery services and the data elements that support a positive experience for the end user.
  • Examine the local editorial changes being made to bibliographic records and analyze which ones directly assist end-user discovery and delivery, and which do not matter as much. Redesign procedures and workflows to focus human expertise on what matters most to end users and which must be done manually.
  • Libraries will not be able to accomplish what is needed by going it alone. Collaboration and a coordinated approach involving many organizations (and even end users) will be required. As noted in section 1 of the Library of Congress Working Group final report, traditional library workflows, featuring the same corrections being done multiple times at multiple libraries, are costly and
    redundant.19 The right mechanisms for collaboratively sharing the effort of data quality improvements could assure better experiences for end users of catalog data at less cost to libraries.
  • Within the library professional community and to the extent possible, look for ways to automate the production and maintenance of the structured data that supports collocation, faceting and advanced search features in the catalog.
  • Explore ways for the library community to collaborate with the appropriate organizations to link and cross-reference standard numbers to support both library and end-user tasks.

Geen schokkende nieuwe dingen maar toch goed om het weer eens in een rapport terug te zien.

Met dank aan: It’s all good

Gebruikt beeldmateriaal is afkomstig van Flickr – Recycled Library Card Catalog van MGShelton

Lekker beroemd

Over een paar weken (van 25 tot en met 31 mei) organiseert het Mediawijsheid Expertisecentrum de themaweek Lekker Beroemd. Hiermee willen zij aandacht vragen voor imago en hoe media hier invloed op hebben. Dit doen zij door gebruik te maken van verschillende media zoals televisie, radio, internet en kranten.

Iedereen heeft tegenwoordig de kans om eenvoudig een publiek imago te creëren. Je kan hier bijvoorbeeld Hyves, Facebook of Twitter voor gebruiken. De themaweek wil jongeren en hun ouders na laten denken over hun mediagedrag, bewust maken over de manier waarop media werken en hoe media invloed hebben op de gewenste identiteit van veel jongeren.

Tijdens de themaweek wordt ook een nieuwe website gelanceerd: www.mediawijzer.net en samen met de Stichting Mijn Kind Online en Kidsweek, een speciale Mediawijzerkrant uit die gratis op scholen wordt verspreid. BN’ers vertellen op de site en in de krant over hun ervaringen en geven tips. Moet je in de media en op internet altijd de waarheid vertellen over jezelf? Mag je jezelf mooier voordoen? Wat moet je doen als een roddel over je rondgaat? Hoe zet je die recht? De website en de krant worden gepresenteerd op het Lekker Beroemd Gala dat op 27 mei bij het Instituut voor Beeld & Geluid plaatsvindt.

De Vereniging van Openbare Bibliotheken is tijdens de Lekker Beroemd themaweek een partner en roept de bibliotheken op om een activiteit te organiseren tijdens deze week. Hiervoor zoekt de VOB deskundigen op het gebied van imagomanagement/mediawijsheid die in deze week een workshop, lezing of discussieavond kunnen aanbieden in de eigen bibliotheek en in andere bibliotheken. Interesse? Meld je dan aan bij Jacomijn de Lange.

Gebruikt beeldmateriaal is afkomstig van Flickr – Just like a star van Gustty

Een blogoverzicht van #UGUL09

Posts met de aankondiging:

ZB Digitaal
Tame the Web
Ritanila
Pierre Gorissen en deze
Vereniging Openbare Bibliotheken
TU Delft
Trendmatcher en deze
Digitale Evolutie
Zoeken & Geloven
Archief 2.0 Ning
Den
ICTO nieuwsbrief TU Delft
Benedict Wydooghes
elearning.nl
Mosredna
On the way en deze
Bibliotheek 2.0 Ning en deze en deze

Posts over de 23e:

BiepLies WebLog
Essen2punt0 en deze
Digitale Archivaris (meerdere posts)
Bibliotheekr
Di2lib
Jan Tweepuntnul (meerdere posts)
Gerwin Pols (meerdere posts)
Rob Coers
e-learn / Willem van Valkenburg (meerdere posts)
Gadgets en onderwijs en deze
Pierre Gorissen en deze en deze
Blogparty en deze
Gerard Bierens en deze
ZB Digitaal
LibraryLingo
Never a dull moment
Kamer 2.16
Martijn Ouwehand
Astrid Scribbles (meerdere posts)
UBU Team Geesteswetenschappen
Eck23
Library Bytes (Helene Blowers)
Margreet van den Berg
SCM weblog en deze
Helikon
Bien there done that
Wuusgewijs
Kathy Dempsey (meerdere posts)
Trendmatcher
Schrijverdezes
Tom’s view
MT TU Delft Library
Hogeschoolbieb (dank voor de tip)
On the way

Foto’s van de dag:

Bij Mobypicture
Bij Flickr
UPDATE (9-5): foto’s van de ingehuurde fotografen staan ook op Flickr

Video’s van de dag:

Op YouTube
Op Ustream
Op Vimeo

Als ik nieuwe posts vind dan voeg ik ze hier toe. Mis ik er een, laat het mij dan weten dan zet ik hem in de lijst.

Het mobiele verschil

De laatste tijd kijk ik met zeer veel interesse naar de ontwikkelingen op het mobiele vlak. En dan met name de ontwikkelingen in de bibliotheekwereld. Vandaar dat ik laatst ook bij de CWIS dag was met de mobiel als thema. Direct valt dan ook het nieuwe onderzoek van PEW op met als titel The Mobile Difference (pdf). En ook al is dit een Amerikaans onderzoek. Wij kunnen hier van leren.

Kijk maar eens rond in een broodjeszaak, een station, een vliegveld of een bibliotheek. Als je dit doet dat zie je waarschijnlijk een aantal laptops waar op gewerkt wordt maar vooral ook mobiele telefoon waar mensen van alles mee aan het doen zijn. Met veel gemak wordt informatie uitgewisseld via wireless netwerken. Maar niet iedereen houdt van het altijd maar online aanwezig zijn. En toch, is het mogelijk dat met het gemakkelijker toegankelijk worden van internet op de mobiel ook zij overstag gaan?

PEW verdeelde de groep ondervraagden in verschillende subgroepen. Erg origineel zijn zij met de keuze voor de namen van de subgroepen. Kijk maar hieronder in de twee schema’s.

typology-summary-1

typology-summary-2

Ik ben er nog niet uit tot welke subgroep ik zou behoren als ik ondervraagd was, maar ik denk dat ik in de buurt zou komen van de Digital Collaborators. De groepen in het eerste schema staan gelijk aan 39% van de volwassen Amerikanen. PEW noemt deze groep de Motivated by Mobility. De andere groep (61%) noemen zij de Stationary Media Majority. Uiteraard zitten in de eerste groep de mensen die echt houden van hun mobiel en geen dag zonder kunnen. In de tweede groep is dat gevoel er wellicht ook maar lang niet bij iedereen. In deze groep zitten namelijk ook de mensen die geen mobiele telefoon gebruiken.

Nu is het zo dat PEW dit onderzoek al eerder heeft uitgevoerd en dus vergelijkingen kan geven van de resultaten van toen en die van nu.

Cell phones: In 2006, 73% of adults had a cell phone, a number that grew to 79% in 2007.
Broadband at home: In 2006, 44% adults had a high-speed connection at home, a number that increased to 56% in 2007.
Laptop computers: 31% of adults had a laptop in 2006, and 36% had one by the end of 2007.
MP3 players: 19% of adults had an MP3 player or iPod in 2006 and 26% had one in 2007.

Naast de vergelijking met eerder jaren gaat PEW erg diep in op de groepen. Vertellen zij over wie zij zijn (demografisch gezien), welk gedrag zij vertonen, welke wensen zij hebben en wat hun houding is ten opzichte van mobiele telefoons en internet. PEW laat zien dat sommige groepen de verhouding met digitale bronnen zal verdiepen, maar dat er ook een grote groep is die afwacht. En dit heeft consequenties.

Mobile access to the internet constitutes an inflection point in technology adoption.
The bar of what qualifies sophisticated tech behavior has changed.
The cost of not having little or no access rises in a multiplatform world.
Mobile access creates demand for capacity on wireless and wireline networks.
Heavy use of ICTs is mainly a young person’s game, but older Americans are minority members in good standing of even some of the most ardent tech groups.

Zoals ik al zei, het onderzoek is Amerikaans. Maar op zich is dat niet erg. Ik denk namelijk dat Nederland redelijk vergelijkbaar is met Amerika in deze. Misschien dat de aantallen en percentages verschillen. Dus mocht je interesse hebben in gebruik van mobiel internet dan is dit onderzoek zeker een aanrader. Als uitgangspunt, om de verschillende groepen beter te begrijpen en om jouw diensten beter op de verschillende groepen aan te kunnen passen.

Met dank aan: Stephen’s Lighthouse

Gebruikt beeldmateriaal is afkomstig van Flickr – mobile phone van Milica Sekulic

Puberbrein binnenstebuiten

Tijdens het UGame – ULearn symposium had ik het standje met de grappige kijkdozen al gezien. En ook een enorme stapel boeken. Wist toen nog niet wat het precies was, dat kwam later op de middag toen ik weer langs de stand liep en even een praatje maakte met de standhoudster Hanneke van Youngworks. Hanneke was naar Delft gekomen om het nieuwe boek van Huub Nelis en Yvonne van Sark te verkopen en om natuurlijk reclame te maken voor het bedrijf waar zij werkt.

kijkdoos

Wat opvalt aan het boek Puberbrein is dat het mooi is vormgegeven en dat op bijna iedere pagina een quote staat van een jongere. In negen hoofdstukken gaat het boek vervolgens in op hoe het puberbrein werkt, opvoeding, onderwijs (het puberbrein in de klas), de peergroep, overige opvoeders, verleiders en voorlichters, opleidingen banen, maatschappij en de multiculturele samenleving. In het boek staan ook afbeeldingen van de kijkdozen die op de stand werden gepresenteerd. Nu weet ik niet zeker of dit zo is, maar het lijkt alsof de jongeren die aan het boek hebben meegewerkt ook verantwoordelijk zijn voor de kijkdozen en ik vraag mij dan direct af… hoeveel van die kijkdozen zijn er dan wel niet?

Vragen die als uitgangspunt voor dit boek hebben gediend zijn:

  • hoe weet je wat jongeren echt bezighoudt
  • hoe dring je tot ze door
  • en als je dit weet: wat kun je met die kennis

Pubers – 10 tot 25 jaar oud

puberbrein_voorkant

Voor het boek zijn jongeren gevolgd in de leeftijd van 10 tot 25 jaar. Puberbrein geeft dan ook aan dat de hersenen van jongeren zich tot hun 25e jaar ontwikkelen. De auteurs van het boek zien de afgelopen jaren twee opvallende ontwikkelingen: jeugdcultuur is de dominante cultuur in onze samenleving en jongeren lijken steeds sneller volwassen te worden. Maar wacht, overschatten wij de pubers niet, is het niet zo dat zij heel veel dingen nog niet kunnen? De auteurs vinden dat pubers van nu nog hetzelfde zijn als pubers van 30 jaar geleden. Alleen de vorm is anders, pubers kunnen nu 24 uur per dag online zijn, ze hebben meer geld te besteden en meer vrijheid dan voorgaande generaties. En in plaats van een puber loslaten als hij/zij de leeftijd van 12 heeft bereikt moeten opvoeders deze jongeren veel beter begeleiden in de ontdekkingstocht naar volwassenheid. Want ook jongeren hebben structuur en kaders nodig, misschien zelfs wel meer dan jonge kinderen dat nodig hebben. Dat dit niet mogelijk is in de huidige samenleving snappen Nelis en van Sark ook wel en dus moeten we zoeken naar nieuwe wegen om jongeren grenzen en structuur te bieden.
Al direct in het eerste hoofdstuk lees ik iets wat blijft hangen: het menselijke brein is pas rond het 25e levensjaar volgroeid EN de verschillende hersengebieden rijpen niet tegelijkertijd en in hetzelfde tempo. En dan is het ook nog zo dat de fysieke en sociaal-emotionele ontwikkeling niet synchroon lopen. Wacht even…. is het dus zo dat een 16-jarige volwassen overkomt maar zich soms als een kind gedraagd? Ja dus! Is het daarom ook zo dat jongeren altijd alles NU willen? Ja, dat ook. Ze willen zelf bepalen wat zij doen maar maken nog geen doordachte keuzes, zij willen instant bevrediging. Later is te laat is daarmee wel de zin die het het beste omschrijft.

Omdat de ontwikkeling van de verschillende hersengebieden zich niet tegelijkertijd voltrekt komt het dus voor dat jongeren wel graag iets nieuws doen en uitproberen maar dat de remmende werking, het controlegebied oftewel de prefrontale cortex nog lang niet klaar is in de ontwikkeling. Ook verloopt de communicatie tussen de verschillende hersendelen niet optimaal. Dit maakt het gedrag van jongeren onvoorspelbaar. Maar het zorgt er ook voor dat jongeren het lastig vinden om sociale tekens van anderen te beoordelen. Zij denken al snel dat zij geen respect krijgen en dat een ander ze agressief aanspreekt waardoor zij zich moeten verdedigen. Ik maak het maar al te vaak mee als ik hangjongeren aanspreek op hun gedrag. Zelfs als je op een aardige manier vraagt of ze weg willen gaan krijg je een grote bek terug en opmerkingen als waar bemoei jij je mee, ik mag zitten waar ik zit. Misschien helpt het als ik de volgende keer denk, zij kunnen er niets aan doen, hun hersenen kunnen mijn vraag om weg te gaan gewoon nog niet aan en daarom reageren zij zo. Overigens helpt koeienpoepkorrels in de plantenbakken strooien ook, heb al weken geen hangjongere meer gezien.

Pubers opvoeden

In het hoofdstuk (2) over opvoeding wordt het al snel duidelijk dat er thuis wel het een en ander is verandert in de afgelopen jaren. Niet langer geldt dit moet, maar kan over alles gepraat worden. Gepraat maar ook onderhandelen mag. Vreselijk vind ik dit. Mag ik dit zeggen, ik die geen kinderen heeft, misschien wel niet maar ik doe het toch. Het lijkt mij ook dat je als ouders helemaal geen zin hebt in dat onderhandelen en altijd maar praten. Technologische ontwikkelingen zoals televisie en internet hebben in deze cultuuromslag een hele belangrijke rol gespeeld. Een rol die eigenlijk niemand kon vermoeden. Jongeren hebben met de komst van televisie en internet toegang gekregen tot een wereld die eerst alleen het domein van volwassenen was. En dit was ook nog een ongecensureerde wereld vol sex en geweld. En als die jongeren zich dan opsluiten op hun kamer om te gaan internetten, gamen of televisie te kijken. En als de ouders dan geen idee hebben wat hun kids uitspoken. En als die kids dan alle informatie die ze nodig hebben vinden via internet. Dan gaan ouders die kids overschatten. Ouders hoeven hun kinderen echt niets meer uit te leggen hoor. Zij kunnen het allemaal best zelf. Maar is dat wel zo? Nee dus!
Maar de nieuwe technologie is niet het enige dat de machtsverhoudingen tussen jongeren en ouderen onderuit heeft gehaald. Wat ook een grote rol speelt is dat in deze tijd van vooruitgang je je als oudere nog steeds jong kunt voelen, door kleding, plastische chirurgie, het kopen van gadgets en gewoon hip zijn. Ouders willen wat hun kids hebben: jeugd! En dit is eye-opener nummer 2 voor mij:

De dominantie van de jeugdcultuur plaatst volwassenen op een achterstand. Het is een omgekeerde peergroup-relatie: niet het lidmaatschap van de leeftijdsgroep boven je, maar onder je is begerenswaardig.

Volgens de auteurs willen ouders het liefst de beste vriend(in) van hun kind zijn in plaats van de politieagent. Maar dat dit niet kan is al duidelijk geworden in een eerder hoofdstuk in het boek. Ouders moeten de plaatsvervangende prefrontale cortex voor het puberbrein zijn. Geen leuke rol misschien, maar iemand moet het doen. En dus zeg je als ouder nee en ben je misschien niet populair, maar je doet je kind hier wel een heel groot plezier mee.

Gamende pubers

En nu wordt het leuk. Vanaf pagina 47 gaat het even over gamen. Over hoe de kloof tussen ouders en kids enorm groot is. Over verslaving en over het leren van vaardigheden, over de interesse die ouders zouden moeten hebben voor de games die hun kind speelt en over TE veel is nooit goed. Interessant zijn de opmerkingen van onderzoekers zoals die van Marianne van den Boomen (UU) en Wijnand IJsselstein (TU Eindhoven).
Via gamen gaan de auteurs naar het online leven van jongeren, geld, voedsel en alcohol. Waarbij voor het laatste verbieden het devies is, naast zelf het goede voorbeeld geven.
Gelukkig worden er aan het einde van het hoofdstuk een aantal tips voor ouders van jongeren gegeven. Anders zou je als ouder dit boek lezen en denken leuk, en nu?

Pubers in het onderwijs

Laten we eens naar het onderwijs kijken. Terwijl ik altijd dacht dat er genoeg jonge docenten in het onderwijs aanwezig zijn blijkt de gemiddelde leeftijd van een docent in het voortgezet onderwijs net boven de 40 jaar te liggen. En deze docenten zijn vaak even oud als de ouders en hebben vaak zelf ook puberende kids. En is het dan makkelijker om als docent gewoon net te doen alsof je het niet ziet, om leerlingen gewoon maar tegemoet te komen en ze tevreden te houden, dan heb je tenminste ook geen last van ze maar houd je wel contact met ze.
De leerling staat centraal. Hij bepaald zelf hoe hij wil leren en de school stelt zich dienstbaar op, wordt hiermee meer een facilitator. Dat school de leerling overschat als zij hem/haar zelfstandig laten werken begint gelukkig door te dringen en op sommige plekken ook teruggedraaid. En het is ook logisch, de frontaalkwab van de puber is nog in ontwikkeling en de puber moet nog leren om te plannen, organiseren, prioriteiten stellen en problemen oplossen.

students

Afbeelding is afkomstig van Flickr – Untitled van Cooljinny

Kennis en vaardigheden moeten allebei geleerd worden op school en die balans moet gezocht worden. Het is misschien wel zo dat het kennisniveau dalende is maar het vaardighedenniveau stijgt. Waar we ons wel zorgen om moeten maken is de basiskennis van jongeren, die is over de gehele linie achteruit aan het gaan en dat is geen goede ontwikkeling. En waar volgens de auteurs ook aandacht voor moet zijn is de coachende docent, dat werkt toch minder goed dan gedacht. Pubers hebben iemand nodig die voor hen prioriteiten en grenzen stelt. Leermeesters zijn er nodig in plaats van procesbegeleiders.
En eigenlijk geldt voor school hetzelfde als voor thuis, ouders en docenten moeten streng maar betrokken zijn. En ook aan het einde van dit hoofdstuk (3) tips voor docenten en onderwijsmanagers.

De peers

Voor pubers zijn uiteraard andere pubers (vrienden) erg belangrijk. Veel belangrijker dan de ouders (behalve als het over school- en beroepskeuze gaat). En binnen die peers zijn drie verschillende relaties te onderscheiden:

  • ‘echte’ goede vrienden
  • romantische en seksuele relaties
  • brede kring van kennissen en bekenden

Geldt dit niet ook voor volwassenen vraag ik mij direct af. Geldt ook niet voor ons dat alle drie deze relatiesferen van belang zijn voor ons welbevinden. Volgens mij verschillen pubers en volwassen hier dus niet heel erg van elkaar.

Of toch wel? Jongeren tussen de 12-18 jaar hebben gemiddeld 6 à 7 echt goede vrienden en geven zij aan dat zij gelukkiger zijn als zij meer vrienden hebben. Als jongeren volwassen worden worden grote vriendengroepen vaak steeds kleiner en dat is niet erg, ze hebben elkaar steeds minder nodig omdat ze het nu alleen af kunnen. Wat ook anders is zijn de manieren van communiceren. Had ik maar een mobiel gehad toen ik opgroeide, of internet. Dan had ik ook alle details van mijn leven met de buitenwereld kunnen delen en verslaafd kunnen raken aan deze ‘zelfwereld’ (de plek waar jongeren uren kunnen doorbrengen en waar oudere mensen amper komen en nauwelijks weet van hebben). En als wij denken dat jongeren met iedereen op de wereld communiceren (the world is flat principe) dan hebben wij het mis. Vooral de peers die zij irl ook kennen zijn de peers waarmee zij communiceren. Offline en online zijn een verlengde van elkaar en het offline contact versterkt het online contact. En het online leven is belangrijk in het experimenteren met identiteit en de ontwikkeling van het zelfbewustzijn en zelfvertrouwen. Eigenlijk moet je dit jongeren niet eens kwalijk nemen. Wij waarschuwen voor de gevolgen voor later. Maar zij zijn hier absoluut niet bewust mee bezig. En dus is het niet eerlijk om 10 jaar later een puber aan te spreken op een foto die hij/zij uploade toen hij 16 jaar oud was. Niet eerlijk, maar het gebeurt wel.

peer

Afbeelding is afkomstig van Flickr – Peering van nathanborror

En dan eindelijk de bibliotheek en pubers

Naast ouders, school en vrienden leren pubers ook veel van de overige opvoeders zoals sportverenigingen, scouting en buurthuizen. Het lijkt er op dat de bibliotheek niet genoemd wordt in dit rijtje maar ik vergis mij. In de paragraaf van high trust naar low trust wordt een voorbeeld van een bibliotheek gegeven. Een bibliotheek in de randstad had advies nodig in hoe zij het beste jongeren aan kunnen trekken. Uit het onderzoek met de jongeren bleek dat zij crossmediaal denken, zij zien boeken niet los van cd’s en dvd’s, zij denken in thema’s en in activiteiten. Ook werd uit het onderzoek duidelijk dat de jongeren zich niet welkom voelen in die bibliotheek en dat er niet op een positieve manier met hen werd gecommuniceerd. De jongeren willen vanuit de high trust (vertrouwen) benaderd worden maar lopen aan tegen een low trust (wantrouwen) benadering, met als enige mogelijkheid laten zien dat zij niet zo zijn. Dat deze benadering bij sommige jongeren antisociaal gedrag uitlokt moge duidelijk zijn. Alles wat je denkt over een ander communiceer je ook in de interactie met die ander. Dit gebeurt zowel bewust als onbewust.

Vooral medewerkers van openbare voorzieningen zoals bibliotheken, winkels, buurtcentra en verenigingen kunnen een flinke slag maken in het professionaliseren van hun communicatiestijl met deze doelgroep.

Met als tip aan het einde van het hoofdstuk (5):

Denk aan je uitstraling. Als je steevast negatief denkt over jongeren, straal je dat onbewust ook uit. Wees je bewust van vooroordelen en negatieve gevoelens en ga juist in gesprek met jongeren om na te gaan waar deze gevoelens vandaan komen.

De tweede schil

De eerste vier hoofdstukken in het boek Puberbrein maken inzichtelijk hoe zich rondom iedere jongere vier betekenisgevende kaders bevinden (eerste schil). Hieromheen zit nog een schil en dat is de schil van verleiders en voorlichters. Dit zijn partijen die verder van de jongere afstaan maar wel een boodschap aan hen willen overdragen. Dit kan zijn een ministerie, een bedrijf of een charitatieve instelling.
Jongeren identificeren zich door het kopen van bepaalde merken en onderscheiden zich ermee. Als je met een jongere zou praten over een bepaald merk zul je ontdekken dat er een hele wereld achter schuilgaat, een wereld van verhalen welteverstaan. Maar hoe bereik je die jongere dan? Er komen tenslotte steeds meer massamedia bij: meer adio- en televisiezenders, meer tijdschriften, meer kranten, meer websites en SNS-en. En dus moet je op zoek naar een mediun dat jongeren bereikt. Eenvoudig is dit niet. En als je die jongere dan bereikt, pikt hij de boodschap dan wel op en krijg je dan de respons die je wilt hebben? Er bestaan veel mythes (jongeren kunnen goed multitasken, jongeren doorzien media direct en jongeren vinden moeiteloos hun weg op internet). Als je het puberbrein begrijpt dan begrijp je ook dat als je jongeren echt wilt bereiken je de boodschap zo relevant moet maken dat ze er onderling over gaan praten. De boodschap moet van de bovenstroom in communicatie (hoe partijen de boodschap de wereld in sturen)zich naar de onderstroom in communicatie verplaatsen (de ontvangers creeren eigen verhalen met boodschappen en zenden deze door aan het netwerk). Voor de zender is het goed om te beseffen dat als de boodschap opgepikt is in de onderstroom je geen invloed meer hebt op hoe die boodschap verder gaat leven. Het werkt als je andere jongeren de boodschap over laat brengen, als de boodschap authentiek is wordt hij namelijk sneller opgepikt. Dus gebruik niet overal hetzelfde verhaal, maar maak voor elk kanaal een eigen verhaal.

Studeren en/of werken, het is maar lastig

Grappig, op pagina 151 wordt de TU Delft genoemd, met een uitval van 40% van de nieuwkomers… oeps! En verder gaat het in dit hoofdstuk om studiekeuze (zijn die jongeren echt nog niet toe in staat en kiezen dus vaak verkeerd) en werk (interessant om te lezen hoe een werkgever een jongere binnen kan krijgen en kan behouden op zo’n manier dat ook de ouderen het fijn vinden).

De laatste twee hoofdstukken van het boek gaan over de maatschappij en participatie en over de multiculturele samenleving. Deze twee hoofdstukken heb ik wel schuin doorgelezen maar deden mij niet zo heel veel. Het is ook niet het terrein waarbinnen ik opereer en dus sprak het mij het minste aan. Aan het einde van het boek worden nog een paar laatste gedachten van de auteurs beschreven. Opvallend: met de meeste jongeren gaat het gewoon goed!!

Het lezen van het dankwoord zorgt ervoor dat ik begrijp waar de illustraties vandaan komen. Aan jongeren is gevraagd om foto’s te maken van voorwerpen die belangrijk voor hen zijn. Zo gaven zij een kijkje in hun leven, als in een kijkdoos.

En wat vond ik er nu van?

Het boek leest lekker weg, geeft interessante informatie over het puberbrein en zorgt ervoor dat ik onze studenten aan de universiteit beter kan begrijpen. Hun brein is ook nog niet volgroeid, ook al denk ik vaak van wel. Interessant vond ik de verhalen uit de praktijk en de quotes. Zij maken het boek levendig.

Jammer, maar dat is een detail van een boekenliefhebber. Het boek is gelijmd en dus komt de kaft los als je het boek te ver open vouwt. Jammer, zonde, maar niets aan te doen. Misschien is er ook een gebonden versie te koop. Als dat zo is dan zou ik die kopen. Want dit is zeker een boek dat je er af en toe nog even bij pakt om te lezen hoe het ook alweer zit.

Verandert de E-book onze manier van lezen en schrijven

Steven Johnson vindt van wel. Auteur van boeken als The Invention of Air & Everything Bad is Good for You vertelt in de Wall Street Journal waarom hij dat vindt. Nog niet zolang geleden kocht hij een Kindle en ging hij op reis. En terwijl hij in een restaurant een e-book aan het lezen was over technologie bedacht hij zich ineens dat hij een roman wilde lezen. Een paar keer wat toetsen indrukken op de Kindle en voila de roman verscheen.

Een aha moment voor Johnson. Vanaf dat moment wist hij namelijk dat het niet zomaar een kwestie is van het omzetten van inkt naar pixels, maar dat onze hele manier van lezen, schrijven en boeken verkopen door deze nieuwe technologie verandert. Het wordt gemakkelijker om boeken te kopen en tegelijkertijd wordt het makkelijker om te stoppen met lezen, maar ook wordt de wereld van het boek vergroot en wordt lezen meer een sociale bezigheid.

Johnson ziet kansen en mogelijkheden in deze tijd van de digitale boeken revolutie. Hij heeft echter een vraag:

Will we recognize the book itself when that revolution has run its course?

In een wereld waarin iedereen altijd in contact is met elkaar en online aan elkaar gelinkt is vergeten wij wel eens dat boeken de kern zijn van onze informatiewereld. We hebben toegang tot terabytes aan data en toch drijven we steeds verder weg van al die boeken die zijn gedrukt sinds de opkomst van de boekdrukkunst. Kranten, tijdschriften en weblogs, alles is doorzoekbaar met Google. Behalve gedrukte boeken. En daarmee kunnen boeken nooit de strijd aangaan met deze gehyperlinkte rivalen.

Maar wacht…. is er dan toch iets gebeurd waardoor boeken wel kunnen overleven. Johnson vindt van wel, met de opkomst van e-bookreaders en het meer volwassen worden van Google Book Search denkt hij dat 2009 HET jaar is in de evolutie van het boek.

En hij vraagt zich af:

If so, if the future is about to be rewritten, the big question becomes: How?

Denk maar eens na over het volgende:

– digitalisering maakt het zoeken naar boeken eenvoudiger – het geeft je de mogelijkheid om online een schaduwbibliotheek aan te leggen van al die boeken die je altijd al hebt willen hebben of de boeken die je als kind las. En al die boeken worden doorzoekbaar. De impact hiervan is groot!
– de impuls aankopen – met een e-bookreader in je hand ben je eerder geneigd om een boek te kopen. Het is zo eenvoudig, dus waarom dan niet doen. En dus denkt Johnson dat er nog meer boeken verkocht gaan worden, dit allemaal dankzij de nieuwe device en de mogelijkheid om impuls aankopen te doen zonder dat je van de bank af hoeft te komen. En het klopt. Met de komst van de Kindle verkoopt Amazon meer boeken dan ooit. En waarom is niet zo heel moeilijk te begrijpen, de boekwinkel volgt je waar je ook bent.
– lezen wordt anders. Met een e-bookreader in de hand of met een mobiele telefoon waar je e-books op leest is de aandacht snel afgeleid. Je leest iets en denk, wacht dat zoek ik even op, en floep weg ben je uit het boek. Ineens begeef je je naar een artikel of een blog of een tweet. Om later weer terug te keren naar het boek.
– boeken die online te vinden zijn worden op andere manieren gevonden dan boeken die niet online te vinden zijn. En niet te vergeten er wordt online over boeken geschreven.

Think of it as a permanent, global book club. As you read, you will know that at any given moment, a conversation is available about the paragraph or even sentence you are reading. Nobody will read alone anymore. Reading books will go from being a fundamentally private activity — a direct exchange between author and reader — to a community event, with every isolated paragraph the launching pad for a conversation with strangers around the world.

In de wereld die Johnson voor ogen heeft krijgt citeren een hele belangrijke rol omdat het onderdeel wordt van de promotie van het boek. Als veel boekliefhebbers schrijven over een bepaald boek komt dit vanzelf boven in de zoekresultaten van Google terecht, goed voor de verkoop dus. Maar het zorgt er ook voor dat auteur boeken anders gaan schrijven. Zij gaan nadenken over hoe individuele pagina’s en hoofdstukken terug komen in de zoekresultaten en hoe zij lezers aan kunnen trekken. Paragrafen worden voorzien van tags, titels van hoofdstukken worden beoordeeld op hoe goed zij het doen in de zoekresultaten.

Just as Web sites try to adjust their content to move as high as possible on the Google search results, so will authors and publishers try to adjust their books to move up the list.

Maar wat betekent dit nu voor het boek. Misschien wel niets meer dan het strategisch plaatsen van tags of misschien worden boeken wel geschreven met zoekmachines in gedachte. Je weet het niet, Johnson weet het ook niet. Het is een kwestie van tijd voordat duidelijk wordt wat de consequenties zullen zijn. Wel kunnen we al nadenken over het format van boeken. Paginanummers worden op de Kindle niet getoond omdat het aantal pagina’s van een boek afhankelijk is van de lettergrootte die je kiest. Dus hoe zorg je dan dat een commentaar op pagina 32 daar terecht komt, hoe link je de tekst aan het commentaar? Gebruik je de Kindle locatie, de Google Book Search pagina?

This sounds like a question only a librarian would get excited about, but the truth is, until we figure out a standardized way to link to individual pages — so that all the data associated with a specific passage point to the same location — books are going to remain orphans in this new world.

Het digitaliseren van boeken maakt het eenvoudiger om ze aan te schaffen, te lezen en om overgehaald te worden om ze te kopen. Want als ik een boek wil hebben maar het nog niet zeker weet dan is er niets wat een uitgever tegenhoudt om mij een hoofdstuk of een samenvatting van dat boek gratis aan te bieden. Deze samenvattingen worden nu geschreven voor mensen die het boek al hebben gekocht. Als ze worden geschreven voor mensen die het boek nog moeten kopen zal de stijl anders zijn, maar ook de vormgeving. Er zal meer aandacht komen voor dit onderdeel omdat het helpt bij de verkoop van het boek.

Wellicht dat boeken wel net zo worden opgedeeld als muziek op iTunes. Koop een hoofdstuk voor 99 cent. Dit gaat niet voor alle boeken werken dat snapt Johnson ook wel. Maar stel je eens voor, denk er eens over na. Zijn wij hier al klaar voor, zijn de uitgevers hier klaar voor en wat vinden de auteurs, zien zij het zitten?

Johnson sluit af met het volgende:

We all know the story of how the information-wants-to-be-free ethos of the Web threatened the newspapers with extinction. Wouldn’t it be ironic if books turned out to be their savior?

Nu testte ik een aantal maanden geleden een paar verschillende e-bookreaders en ik was niet erg enthousiast. Misschien dat ik er nog eens kritisch naar moet kijken. Het zou al schelen als ik met de e-bookreader eenvoudig Amazon boeken kon kopen. Ik begrijp waar Johnson heen wil met zijn artikel maar ik zie het in Nederland nog niet zo snel gebeuren. De techniek is er alleen wordt het de gebruiker nog net iets te moeilijk gemaakt. 2009 als jaar van het boek. Laten we het hopen!

Met dank aan: Weblogg-ed

It’s done! (#UGUL09)

En toen was het weer voorbij. Een dag vol inspiratie, ontmoeting en rondrennen om de laatste dingen te regelen en vragen te beantwoorden. UGame – ULearn 2009 is een feit. De reacties zijn hartverwarmend en enthousiast (op een enkeling na maar dat geeft niet – daar leren wij weer van). De blogposts en foto’s druppelen langzaam binnen, de tweets waren instant en het waren er veel. #UGUL09 was op twitter een heuse trend op 23 april.

twittertrend

Zo erg dat spammers ons ook ontdekten.

Posted using Mobypicture.com

Jeroen was zo aardig om voor ons alvast een twitterfountain aan te maken. En bij het aanmaken van deze post ontdekte ik een WP-plugin die het mij nog eenvoudiger maakt om de fountain te integreren in mijn blog.

Ook hadden we op de dag een livestream via Ustream die goed werd bekeken.

De voorbereidingen van een dag als deze startten al maanden van te voren. Maar ook een paar dagen voor het symposium ben je nog druk met van alles. Zoals het rondleiden van de sprekers door de OBA en het regelen van een interview voor Bibliotheekblad.

interviewoba

Het wandelen door Amsterdam (een bezoek brengen aan het Anne Frank huis met Kathryn) en later Helene en Kathy ontmoeten voor de OBA-lunch, het dineren ‘s avonds in Delft, het rondhangen in het hotel waar wij allemaal sliepen, een dagje Rotterdam met Kathy, dat zijn naast de conferentiedag de toefjes op de taart. Dan leer je elkaar pas echt kennen en heb je tijd om bij te kletsen over de toekomst van de bibliotheek. Die tijd krijg je op de dag van de conferentie niet en dat moet je ook niet willen. Op die dag zijn de deelnemers het belangrijkste. Je wilt tenslotte dat zij met een fijn gevoel naar huis gaan.

En ik denk dat dat aardig gelukt is! Dit jaar werkte de wifi beter (heb immers geen klachten gehoord of gelezen – misschien volgende keer meer stopcontacten regelen). De lunch was naar mijn idee iets minder dan vorig jaar, maar ook hier heb ik nog geen klachten over gekregen (als die er zijn hoor ik ze uiteraard graag). Er bleven voldoende mensen bij de borrel om het gezellig te hebben en om alle warme happen op te maken. En het diner na de dag op de Beestenmarkt in Delft was ook gezellig, alhoewel de meesten van ons inzakten na een uurtje zitten en wat alcohol.

Tijdens het eten liet ik Helene en Kathryn iets schrijven in mijn Creating the Future for Libraries boekje dat ik kreeg van Essen2punt0.

futurehelen

futurekathryn

Bedenk mij nu ineens dat ik Kathy vergeten ben te vragen om er ook iets in te schrijven 🙁 – maar misschien komt dat wel een andere keer.

Inhoudelijk kan ik over de dag niet zo heel veel vertellen. Ik heb alleen flarden van presentaties meegekregen. De sfeer zat er volgens mij wel goed in. De workshop van Margit Tamas zorgde ervoor dat ik groepjes mensen met elkaar op de trappen zag zitten om te overleggen en ik heb gehoord dat de workshop van Pauline Maas gezellig vol was.

Waar ik wel nog iets over wil vertellen is over het sms-stemmen dat tijdens de dag 2x is gedaan. De eerste keer in de sessie van Pierre Gorissen en Willem (Trendmatcher) Karssenberg. De tweede keer gebeurde het tijdens de Battle of the Babes. Beide keren werd deze voorziening ons aangeboden door Sendsteps (waarvoor natuurlijk onze dank!!)

In de sessie van Pierre en Willem deden iets meer dan 100 mensen mee die zo reageerden op de volgende vraag:

Ik maak gebruik van RSS voor mijn dagelijkse informatievoorziening
A 7% (8 votes) RSS? Nog nooit van gehoord
B 39% (44 votes) Ja, ik hou zo’n 10 tot 20 feeds bij
C 25% (28 votes) Ja, ik hou zo’n 20 tot 100 feeds bij
D 7% (8 votes) Ja, ik hou meer dan 100 feeds bij
E 22% (25 votes) RSS is niks voor mij

Er bestaan dus nog steeds mensen die nooit van RSS hebben gehoord of het niets vinden en de grootste groep leest maximaal 20 feeds (eye-opener). Willem vertelde mij dat er mensen in de zaal zaten die door het leven gaan zonder mobieltje (is dat mogelijk?, blijkbaar wel dus).

De vragen die tijdens de Battle werden gesteld werden als volgt beantwoord:

The library is dead in 2018 !
A 26% (29 votes) Ja
B 74% (84 votes) Nee

Met wie ben je het eens?
A 25.6% (20 votes) Helen
B 11.5% (9 votes) Kathy
C 42.3% (33 votes) Kathryn
D 20.5% (16 votes) Norma

stelling

Who is a librarian ?
A 32% (36 votes) Me
B 68% (76 votes) No, sorry

Libraries in the future will not be about reading
A 47% (44 votes) Agree
B 53% (49 votes) Not agree
C 0% (0 votes) Libraries will allways be about reading
D 0% (0 votes) How important is education

Libraries can’t garantuee free access in the future
A 69% (44 votes) Agree
B 31% (20 votes) Not agree

Wat ik interessant vind om te zien dat per vraag een verschillend aantal mensen meedoet en dat lang niet iedereen in de zaal zijn mobieltje pakt om te stemmen. Toch geeft het overzicht (denk ik) wel een goed beeld van de mening van de zaal. Willem heeft de hele presentatie met de uitkomst van het stemmen op Google Docs gezet.

It’s done! Maar we gaan het nog een keer doen, volgend jaar. Hoe, wanneer en wat dat hoor je vast snel dus houd dit blog in de gaten of de officiele weblog van UGame – ULearn.

Laatste update UGame – ULearn symposium

Als je nadenkt over het organiseren van een symposium dan is dat vaak maanden voordat het evenement plaatsvindt. En dan is er rust. Nu een paar dagen voor het symposium is de rust er ook weer, alles is geregeld en wij kunnen niets anders doen dan afwachten. Hopen dat de sprekers de locatie kunnen vinden, dat de NS niet dwarsligt, dat er geen hooikoortsgolf uitbreekt, dat de lunch op tijd wordt aangeleverd en dat de techniek ons niet in de steek laat (zoals vorig jaar toen het hele netwerk van de TU er uit lag – paniek!!). Natuurlijk is er op de dag zelf genoeg te doen en dus staan wij ‘s morgens vroeg al klaar, samen met een groot aantal collega’s dat heeft aangeboden om te helpen. De sfeer zit er al goed in, iedereen heeft er zo’n zin in!

Aanmelden kan nog steeds, dus twijfelde je nog, misschien is dit het zetje dat je nodig hebt. 470 mensen hebben zich al ingeschreven voor het symposium, maar ook komen er 130 mensen uit de groep Goudklompjes. Totaal dus 600 deelnemers!! Voldoende netwerkmogelijkheden dus tijdens de extra lange lunchpauze, de deelnemers komen uit het onderwijs (zowel studenten als docenten en ondersteunende medewerkers), de bibliotheekwereld, maar ook het bedrijfsleven en de kunstsector. En natuurlijk is dit de kans om de buitenlandse sprekers zoals Helene Blowers, Kathy Dempsey en Kathryn Greenhill te ontmoeten.

Op de demomarkt staan verschillende stands, natuurlijk The Game Syndicate waar je kan gamen, maar ook The American Bookstore, 3M & BeeSmart, SURFnet maar ook Youngworks. En DOK doet dit jaar iets nieuws, namelijk speeddaten:

Schuif tijdens de middagpauze van het UGame – ULearn symposium op donderdag 23 april aan bij DOK voor de ‘Speeddate’. DOK stelt een aantal van haar projectmanagers ter beschikking om te vertellen over projecten als ‘beelden voor de toekomst’, AGORA, touchscreen technology, inzet van nieuwe media binnen de bibliotheek, de ‘Tank-U downloadzuil’ etc…

In de foyer waar ook de lunch wordt genuttigd, kan je bij de DOK-stand aanschuiven om niet alleen onze experts de hemd van het lijf te vragen, maar ook eigen projecten voor te leggen en feedback te ontvangen.

Om 9 uur staat de koffie klaar. Het officiele programma start om 10 uur. Aan de einde van de dag om 4 uur organiseren wij een battle of de babes maar wordt ook de Mediawijsprijs 2009 uitgereikt. En we hebben een mysterie spreker, wie dat is, ja dat vertel ik natuurlijk niet. Ik heb de titel van Helene Blowers keynote gezien en ik kan alleen maar zeggen, WOUW!!

De badges zijn verstuurd maar heb je hem nu nog niet ontvangen, maak je geen zorgen. Gewoon komen en je even melden bij de inschrijfbalie. Heb je al wel een badge, dan kun je direct doorlopen naar de garderobe waar goodies en een congresmap klaarliggen. En als jouw organisatie iets langer doet over het betalen van een rekening (ik weet er alles van) dan is er ook niets aan de hand. Gewoon komen en het wordt geregeld.

Wij hebben er enorme zin in, het wordt gewoon weer een feestje (net als vorig jaar). Dus tot de 23e in Delft!!

Uiteraard staan de foto’s van vorig jaar online. UGame – ULearn heeft hiervoor speciaal een Flickr account aangemaakt. De foto’s van dit jaar worden daar ook geplaatst.

Uitproberen: Nomee

Ik word getipt door Jane die schrijft over Nomee. Nooit van gehoord en nieuwsgierig genoeg neem ik een kijkje op de site.

nomee is all-in-one networking software.
not another social site, nomee is the tool that helps manage them all.
Powered by Adobe AIR, nomee simplifies online networking by organizing your contacts and interests all in one place. So you can focus directly on your people, not their sites. And your people can better know you, direct from their desktop.

Omdat je op zo’n site niet echt te weten komt hoe het werkt maak ik een account aan. Ik download de software (Adobe Air gebaseerd) en vul mijn accountgegevens in. Als ik zoek op Moqub komen er zo al 10 sites naar boven die ik gebruik. Aanklikken en klaar.

nomee

Vervolgens kan ik er voor kiezen om deze card, zoals het bij Nomee heet, publiceren of voor mezelf houden. Nu zie ik het nut niet echt in van het laatste dus publiceer ik de kaart. En ik kan hem naar vrienden sturen. Die krijgen dan een email die er zo uitziet:

nomee_card

Ik kan verschillende cards aanmaken met verschillende informatie, bijvoorbeeld een voor vrienden, een voor familie en een voor zakenrelaties.

Nu zegt Nomee dat met behulp van het programma you can focus directly on your people, not their sites maar dat is niet helemaal waar. Als ik een card van een bekende zie krijg ik ikonen van verschillende sns-en. Als ik wil weten of er nieuwe informatie bij is gekomen, bijvoorbeeld bij twitter of flickr dan klik ik op een ikoon om vervolgens naar de site toe te gaan. En dus gaat het nog steeds om de sites.

Een voordeel is wel dat ik vanaf mijn desktop de ikonen kan bekijken. De app ziet er zo uit:

nomee_app

Maar of ik hier nu echt iets aan heb. Ik weet het niet. Ik heb nog geen cards van vrienden, dus misschien helpt dat bij het begrijpen van de voordelen van Nomee. Maar vooralsnog zie ik het grote voordeel nog niet.