Werkbezoeken in Gent

Afgelopen donderdag was ik met collega’s Wilma en Saskia naar Gent. De dag begon goed, het was zo druk in de trein dat we moesten staan en bij Roosendaal een extra overstap zodat wij de aansluitende trein in Antwerpen mis liepen. Rond kwart voor 11 waren we dan eindelijk bij de Universiteitsbibliotheek in Gent aangekomen. Hier kregen wij een rondleiding van Sylvia (de directeur) en twee van haar collega’s. De boekentoren blijft een bijzonder ding. Het uitzicht vanaf de bovenste etage is fenomenaal en in de depots onder de grond lopen een ware ervaring. Na anderhalf uur praten en wandelen (onder andere over het nieuwe werken, een idee over een subsidie-aanvraag en natuurlijk de problemen waar bibliotheken mee te kampen hebben) gingen we samen lunchen en werden wij afgeleverd bij het volgende adres, STAM.

Het STAM is een erfgoedforum, een wegwijzer naar andere culturele elementen van Gent en een platform voor een actief erfgoedbeleid. Op de Bijlokesite brengt het STAM het verhaal van de stad en maakt het u (nog) warm(er) voor Gent.

Wij kregen in dit museum een rondleiding van Maria de Waele, die uitgebreid de tijd voor ons nam. Op de eerste etage maak je kennis met het Gent van nu.Wij moesten sokjes over de schoenen aantrekken om de vloer niet te beschadigen. Op de vloer was een luchtfoto van Gent te zien. Maria vertelde dat Gentenaren het leuk vinden om hun eigen huis te zoeken.

Hierna ga je terug in de tijd, per zaal een eigen tijdvak. Zo wandel je van de ontluikende stad (…-1200), grootstad (1200-160), bedaarde stad (1600-1800), industriestad (1800-1950) en de groeiende stad (1950-vandaag) om te eindigen bij de toekomstige stad.

Wat opvalt is het gebruik van multimedia in de opstellingen. Grote schermen met plattegronden van Gent uit de periode van het thema van de zaal. Op elke plattegrond is van alles aanklikbaar. Je krijgt dan extra informatie over een wijk of een gebouw. Ontzettend mooi gedaan. Maria vertelde hoeveel tijd er in deze manier van presenteren heeft gezeten en gaf ons de tip dat als wij zoiets willen doen vooral veel content te verzamelen.

Op het toegangskaartje zit aan de achterkant een QR-code. Deze kun je gebruiken om in de zaal van de groeiende stad een film samen te stellen met behulp van een surface tafel. Deze samengestelde film wordt, als je klaar bent en je naam hebt ingegeven, getoond op een groot rond scherm. Erg mooi gedaan.

Ook staan er surface tafels in de zaal van de toekomstige stad. Hiervoor is een app gemaakt waarmee je de stad op verschillende manieren kan zien en waar je extra informatie krijgt over nieuwe projecten.

Het fijne van dit soort werkbezoeken is dat je weer allerlei ideeën krijgt om mee te nemen naar de eigen werkvloer. Ik was zeer onder de indruk van de multimediatoepassingen. Het zag er allemaal zo mooi uit, er was zeer veel aandacht besteed aan de opstellingen en goed nagedacht over wat zij precies wilden vertellen aan de bezoekers. Mocht je ooit in Gent tijd doorbrengen dan is het STAM zeker de moeite waard.

Meer foto’s van dit werkbezoek staan in deze set op Flickr.

Free – the future of a radical price

Chris Anderson schreef in 2006 het boek The Long Tail: Why the Future of Business Is Selling Less of More. Dit boek heb ik nooit gelezen. Ik heb er wel veel over gehoord. In 2009 schreef Anderson het boek dat ik nu in mijn handen heb Free : the future of a radical price. Dit boek stond al even in mijn boekenkast en omdat ik het nu wel eens allemaal zelf wil lezen, er toch maar eens bij gepakt.

Het boek bevat een drietal hoofdonderwerpen met daaronder hoofdstukken die dieper op het onderwerp in gaan. De drie hoofdonderwerpen zijn:

  • what is free
  • digital free
  • freeconomics and the free world

what is free?

free 101 – a short course on a most misunderstood word

Free kan van alles betekenen en de betekenis van dit woord is door de eeuwen heen continu veranderd. Als je het woord hoort denk je gelijk aan de addertjes onder het gras en toch is het een woord dat wel gelijk de aandacht op iets vestigt.  Het woord impliceert een eenvoudige transactie en toch is het vaak niet zo eenvoudig als het lijkt.

De definitie. Voor Romaanse talen kent het woord twee betekenissen omdat het twee woorden kent. Het eerste komt van het Latijnse liber dat vrijheid betekent. Het andere woord komt van het Latijnse woord gratis wat geen kosten betekent. In het Spaans is libre een positief woord, terwijl gratis eerder wordt geassocieerd met een marketing truck. In het Engels zijn de woorden samengevoegd tot een woord. Freedom heeft ook daar een positieve connotatie. Maar soms gebruiken de Engelsen toch het woord gratis om aan te geven dat iets echt zonder kosten is. In Nederland gebruiken wij het woord gratis. Maar zoals in andere landen heeft dit een negatieve klank. Er zit altijd wel iets aan vast waardoor het minder gratis wordt. In dit boek betekent free zonder kosten.

Anderson geeft een paar voorbeelden van free met addertjes onder het gras (1+1 gratis, geen verzendkosten, gratis cadeautje bij een pakje, gratis probeerverpakking, probeerversie van een product waar het na een poosje niet meer gratis is). Hij geeft ook voorbeelden van dingen die echt gratis zijn, zoals Flickr, Wikipedia en het meeste van wat Google aanbiedt.

All these can be sorted into four broad kinds of Free, two that are old but evolving and two that are emerging with the digital economy.

Als je het van een afstandje bekijkt, komen deze variaties van free, volgens Anderson voort uit een ding en dat is het verschuiven van geld van product naar product, van mens naar mens en tussen nu en later. Hetgene wat economen cross-subsidies noemen. Oftewel kruissubsidie. Nu ben ik geen econoom dus ik weet niet of het de juiste vertaling is en ik ben er ook nog niet achter wat het woord precies betekent.

Kruissubsidies kunnen op verschillende manieren ingezet worden:

  • gratis producten subsidiëren betaalde producten (gratis proefverpakking)
  • nu gratis maar straks betalen (gratis telefoon bij abonnement)
  • gratis mensen worden gesubsidieerd door betaalde mensen (kinderen gratis bij attractie)

Binnen de wereld van kruissubsidies, worden de free-modellen ingedeeld in vier categorieën:

FREE 1: DIRECT CROSS-SUBSIDIES
what’s free: any product that entices you to pay for something else

free to whom: everyone willing to pay eventually, one way or another

FREE 2: THE THREE-PARTY MARKET

what’s free: content, services, software and more

free to whom: everyone

De eerste categorie is duidelijk. Je wordt als consument naar een winkel gelokt met een 1+1 gratis actie in de hoop dat je meer spullen koopt als je er toch bent. De tweede categorie lijkt moeilijker maar we maken het elke dag mee. De derde partij is de adverteerder. Hij betaald zodat een uitgever een gratis krant, blad, of iets anders aan een consument kan geven. Uitgevers verkopen geen kranten aan lezers, zij verkopen lezers aan adverteerders.

FREE 3: FREEMIUM

what’s free: anything that’s matched with a premium paid version

free to whom: basic users

FREE 4: NONMONETARY MARKETS

what’s free: anything people choose to give away with no expectation of payment

free to whom: everyone

In dit boek komen twee soorten prijzen aan bod, iets en niets. Maar er is nog een derde prijs, minder dan niets. Dat gebeurt als je wordt betaald om een product of dienst te gebruiken. Zo wordt ik in punten betaald als ik online enquêtes invul. Deze punten kan ik inwisselen voor tegoedbonnen van bijvoorbeeld Bol.com. En vaak als ik dan online ben om een boek te bestellen koop ik ook nog iets anders.

the history of free – zero, lunch, and the enemies of capitalism

Een van de redenen waarom free zo moeilijk te bevatten is, is omdat het niets is. Het is de afwezigheid van iets. Het is het gat waar de prijs hoort te zitten. Free is een concept. En het heeft jaren geduurd voordat de mensheid het met een getal kon beschrijven.

Where numbers only represent real things, you don’t need a numer to express the absence of nothing.

Anderson duikt nog wat dieper in de geschiedenis. Schrijft over rente en het begin van commercie. Tot hij aankomt bij de 19e eeuwse Rus Peter Kropotkin. Kropotkin bedacht in 1902 een Utopia waar mensen spontaan allerlei werk voor elkaar deden omdat zij geloven in de community en in wederzijdse hulp. Anderson ziet in de deze visie een vooruitblik op de link economy die dankzij het internet kon ontstaan (mensen linken naar elkaar blogs om reputatie op te bouwen en traffic te genereren).

In giving something away, he argued, the trade-off is not money, but satisfaction. This satisfaction was rooted in community, mutual aid, and support.

Ten tijden van Kropotkin kon dit niet werken. Dit omdat de groep vaak groter was dan 150 (Dunbar’s number). Virtuele werelden waren nodig om het mogelijk te maken.

Anderson vervolgt zijn verhaal over de economie, overvloed en schaarste. De opkomst van goedkope materialen zoals plastic. En besluit met deze quote:

Our attitude towards abundant resources moved from personal psychology (it’s free to me) to collective psychology (it’s not free to us).

the psychology of free – It feels good. To good?

Waarom denken mensen dat free soms betekent dat iets niet van goede kwaliteit is? Volgens Anderson komt dat omdat ons gevoel over free relatief is en niet absoluut. Als je voor een product altijd geld hebt betaald en ineens hoeft dat niet meer dan verwacht je dat de kwaliteit van het product hierdoor achteruit is gegaan. Maar als een product nooit geld heeft gekost heb je dat gevoel niet.

De psychologie gaat ook aan het werk als je na moet denken over de prijs van een product, is het dat geld waard, wil ik het hebben al het dit bedrag kost, etc. Bij free producten heb je dat niet. Je denkt hier veel minder over na. Voor consumenten zit er een groot verschil tussen free en goedkoop. Zelfs als een product maar 1 cent kost, je gaat er toch over nadenken.

Toch is de kans groot dat je blijer wordt van een product waarvoor je hebt betaald. Je hebt er goed over nagedacht en geniet van de aankoop. Free producten hebben dat minder. Ik bezoek wel eens een congres in de Verenigde Staten. Daar is het heel normaal dat je ’s morgens (ze beginnen vaak vroeg) een ontbijt(je) krijgt aangeboden en tussen de sessies door drinken en snacks. Allemaal voor niets. Word je daar hebberig van? Ik soms wel. Dan neem ik een extra colaatje mee voor later. Is het dan erg als je de snack niet helemaal op eet. Nee. Als je teveel hebt gepakt laat je wel eens iets liggen. Dit is anders als je voor het eten en drinken hebt betaald. Dan maak je het op, want anders is het zonde. Maar het is toch ook zonde als je het weggooit en je hebt er niet voor betaald.

We take stuff because it’s there, not nesessarily because we want it. Charging a price, even a very low price, can encourage much more responsible behaviour.

digital free

too cheap to matter – the web’s lesson: when something halves in price each year, zero is inevitable

Het internet staat voor free. Niet vanwege een ideologie maar vanwege economische factoren. De kosten die gemaakt moeten worden zijn zo laag (processors, dataopslag en bandbreedte) dat het zinvol is om datgene dat je aanbiedt af te ronden naar beneden. En dat betekent afronden naar free.

information wants to be free – the history of a phrase that defined the digital age

Toen Stewart Brand in 1984 de woorden information wants to be free uitsprak zei hij ook dat information wants to be expensive. In die tijd kon het nog alle kanten op gaan. Informatie kon goedkoper worden omdat het gemakkelijk reproduceerbaar werd. Of het kon kostbaarder worden omdat computers informatie van hogere kwaliteit konden maken. Als we tegenwoordig over informatie praten dan bedoelen we meestal digitale bits: signalen die aan of uit staan dat iets of niets betekent, afhankelijk van hoe ze gecodeerd worden.
Toen Brand het over informatie had, sprak hij over digitaal gecodeerde informatie. Brand begreep dat een bit en de betekenis ervan twee verschillende dingen zijn. De bits zijn free, maar de betekenis ervan kan waarde hebben (van niets tot onbetaalbaar) afhankelijk van wie het ontvangt. Hij neemt als voorbeeld een telefoonmaatschappij, zij berekenen kosten voor de verbinding, het gaat hun niet om de informatie die over die verbinding wordt verzonden. Net zo goed als bij een café, zij rekenen niet voor de gesprekken die er worden gevoerd.

you always wind up charging for something different than the information

competing with free – Microsoft learned how to do it over decades, but Yahoo just months

Anderson beschrijft het voorbeeld van Microsoft. Hoe zij tegen illegaal downloaden van software hebben gevochten en tot op zekere hoogte hebben geaccepteerd dat mensen nu eenmaal kopiëren. Hoe aan de andere kant Microsoft de eigen software promootte boven de (bijna) gratis webbrowsers, wordprocessingsoftware, etc. die door andere partijen werd aangeboden. En hoe zij zijn omgegaan met nieuwe operating systemen in de wereld zoals Unix/Linux.
Ook geeft Anderson het voorbeeld van Yahoo en hoe zij reageerden toen Google gratis email aanbood. Het geeft duidelijk weer dat Google een nieuwe impuls aan  het begrip free heeft gegeven.

En dus kennen we tegenwoordig 3 software modellen: compleet free, free software met betaalde support en software/support waarvoor je moet betalen.

de-monetization – Google and the birth of a twenty-first-century economic model

Als Google een nieuwe dienst ontwikkeld vragen zij zich niet af of het geld oplevert maar of het niet cool zou zijn als, of of mensen er op zitten te wachten en of de dienst de Google-technologie goed gebruikt. Het geld komt wel binnen, via de adverteerders. Dus de diensten kunnen gratis zijn.

Why does Google default to free?

Omdat het de beste manier is om de grootst mogelijke markt en de adoptie van veel gebruikers te bereiken.

the new media models – free media is nothing new. What is new is the expansion of that model to everything else online

Radio, maar later ook televisie, maakt gebruik van free-to-air dat wordt betaald door adverteerders. Een derde partij (de adverteerder) sponsort content zodat een tweede partij (de luisteraar of kijker) gratis gebruik kan maken van de dienst. Radio en televisie hebben hiermee het media model van free gelanceerd. Dit model werd overgenomen door kranten, tijdschriften en andere mediavormen. Zo ook op het internet. Daar gaat het voorbij mediabedrijven en kan het gebruikt worden door gewone mensen. En dat maakt het verschil.

Anderson geeft een voorbeeld uit zijn eigen praktijk, het tijdschrift Wired. Als zij een tijdschrift opmaken dan zorgen zij ervoor dat advertenties goed geplaatst worden. Met anderen woorden geen Sony advertentie bij een artikel over Sony. Zij willen namelijk niet de indruk wekken dat zij beïnvloedbaar zijn. Voor Google werkt het net anders, zij zoeken juist advertenties die passen bij het onderwerp. Zij zetten wel een advertentie van Sony bij een review van een Sony product.

Why is such matching bad in print but good online? At the heart of that question is the essence of how advertising is changing as it moves online.

Volgens Anderson is dat omdat mensen een ander verwachtingspatroon hebben als zij online gaan. Mensen maken tijdschriften op, en mensen kunnen corrupt zijn, zeker als het om geld gaat. Web advertenties worden geplaatst door zoekmachines (software algoritmes) en dat maakt het betrouwbaarder. Uiteraard is dit niet waar. Veel advertenties op het web worden handmatig geplaatst. En ook een algoritme kun je corrupt maken, het zijn tenslotte mensen die deze algoritmen schrijven. Maar op de een of andere manier hebben mensen er minder moeite mee als Google de advertenties bij andermans content plaats. Mensen maken zich dan helemaal geen zorgen over beïnvloeding.

Daarnaast zijn mensen gewend om online gratis informatie te krijgen en die beleving sijpelt ook door naar de offline wereld. De mediabedrijven hebben hier het meeste last van. Want wie wil er betalen voor een krant als het nieuws gratis online tot je kan nemen?

Voor Anderson is deze verschuiving onderdeel van de devaluatie van content die niet alleen wordt gevoed door wat generaties verwachten en willen maar ook door trends in de technologie. Jonathan Handel geeft 6 redenen voor deze migratie naar free.

  • supply and demand (the supply of content has grown by factors of millions, but demand had not)
  • loss of physical form (we value atoms more than bits)
  • ease of access (it’s often easier to download content than it is to find i tand buy it in stores)
  • the shift to ad-supported content (habits set on the web carry over into te rest of life)
  • the computer industry wants content to be free (free content makes the devices it plays on more valuable)
  • generation free (the generation that has grown up with broadband has digital economics somehow wired into their DNA)

Dankzij internet zijn er nieuwe business modellen gebouwd rondom free. Anderson geeft 7 categorieën waarvan hij vindt dat ze succesvol zijn.

  • selling virtual items (bijvoorbeeld in games die je gratis online kan spelen, maar waarvoor je spulletjes kan kopen om te gebruiken in het spel om tijd te besparen, er cool uit te zien, of minder moeite te hoeven doen – je hoeft geen geld uit te geven maar het kan wel)
  • subscriptions (vaak ook voor online games)
  • advertising (bijvoorbeeld in-game advertenties)
  • real estate (denk aan Second Life)
  • merchandise
  • free music (bijvoorbeeld Radiohead die consumenten zelf de prijs van de muziek laat bepalen)
  • free books

 how big is the free economy – there’s more to it than just dollars and cents

Er zijn veel verschillende free-economieën. He is dus maar net welke je bedoelt als je wilt weten hoe groot de free-economie is. Anderson doet toch een poging en berekent de waarde van 4 free-economieen (3e partij markt – adverteerders, freemium – paar mensen betalen voor de grote groep, de gratis online games en de gift economie). Maar eigenlijk zeggen deze aantallen waar Anderson mee komt niet zo veel omdat niet alles wordt gedekt.

freeconomics – and the free world

econ 000 – how a century-old joke became the law of digital economics

The internet, by combining the democratized tools of production (computers) with democratized tools of distribution (networks), conjured a truly competitive market.

Elke markt is verschillend. En gratis is een constante aantrekkelijkheid voor alle markten die er bestaan. Maar om geld rondom free te maken vergt creativiteit en experiment. Anderson beschrijft het principe versioning. Dit betekent dat verschillende gebruikers verschillende prijzen betalen. Een van de versies van het product is gratis, terwijl je voor een andere versie van hetzelfde product moet betalen. Een andere vorm om geld rondom free te maken is flat-fee – met als voorbeeld het onbeperkt eten, of onbeperkt lenen van DVD’s voor een bepaald bedrag.  Het beste model krijg je, volgens Anderson, als je beide principes met elkaar combineert. Je ziet dit model overal om je heen, van de sportschool tot je mobiele telefoon aanbieding.

Een nadeel van dit model is wat Anderson de free-rider problem noemt. De mensen die zich niet in kunnen houden bij een all-you-can-eat buffet. Timothy Lee ziet hier geen probleem omdat als je ervan uitgaat dat de kosten gecompenseerd moeten worden dit niet langer geldt voor online gedrag. Er zijn voldoende mensen die gratis allerlei content delen, gewoon omdat ze het leuk vinden en genoegdoening krijgen van het feit dat ze gelezen of gehoord worden. En omdat online de aantallen groot zijn. Als maar 1% van de participanten van een community actief deelnemen is dat genoeg, alle anderen kunnen dan free-riders zijn.

nonmonetary economies – where money doesn’t rule, what does?

Een van de oudste regels in de economie is dat elke overvloed een nieuwe schaarste creëert. Neem als voorbeeld gratis koffie op het werk. Dit zorgt ervoor dat mensen behoefte krijgen aan kwalitatief veel betere koffie waar zij ook nog wel voor willen betalen.

Als je kijkt naar informatie. Als onze honger naar basisinformatie is gestild, dan gaan we op zoek naar informatie die we echt willen hebben. En in die zoektocht leren we meer over onszelf en wat ons bezighoudt. In dit proces zullen veel mensen van passieve consumenten actieve producenten gaan worden. Hierbij worden we gestimuleerd door de psychologische beloning van het creëren. In een normale economie is geld hetgene wat ons drijft, we kopen wat we kunnen kopen. Maar online, waar veel gratis is, is geld niet langer de drijfveer. De drijfveer wordt aandacht en reputatie.

Good recommendations build trust with a readership, and being recommended confers trust, too. And with trust comes traffic.

Dus we hebben Google Pagerank (inkomende links), Facebook en MySpace (vrienden), EBay (met ratings voor kopers en verkopers), Twitter (met volgers) en Slashdot (met karma). Met deze sites kun je reputatiekapitaal omzetten in aandacht. En als je wilt kun je dit weer omzetten naar geld. Maar de meesten willen dat niet.

Maar waarom doen deze mensen dat? Content online zetten zonder er voor betaald te worden. Vaak omdat ze deel willen uitmaken van een community, maar ook persoonlijke groei en kennisdelen speelt mee. We stoppen onze tijd er in omdat het respect oplevert, we aandacht krijgen en een publiek bereiken. En vaak geeft iets doen zonder ervoor betaald te worden meer voldoening dan een betaalde baan.

waste is (sometimes) good – the best way to exploit abundance is to relinquish control

Mensen houden niet van verspilling. Maar wat zij onder verspilling verstaan hangt samen met wat zij kennen van schaarste. Denk aan je ouders, als zij op vakantie naar huis wilden bellen, kostte dat heel veel geld. Zij houden buitenlandse gesprekken dus kort. Wij zijn gewend dat dit niet zoveel duurder is dan in Nederland bellen en dus kletsen wij langer. Maken wij ons hier geen zorgen over. Maar voor onze ouders is dit verspilling. Overigens zijn mensen de enige levende wezens in de natuur die moeite hebben met verspilling. Andere dieren gaan hier veel gemakkelijker mee om omdat zij weten dat verspilling leidt tot een beter en sterker soort.

free world – China and Brazil are the frontiers of free. What can we learn from theme?

In China begrijpen ze dat er geen geld meer te verdienen valt aan de verkoop van muziek-cd’s en dus zoeken ze naar andere manieren. Dit vinden ze in concerten, websites, ringtones, etc.

In the Western press, Chinese piracy is seen as little more than a crime. Yet within China, pirated goods are just another product at another price, a form of market-imposed versioning. The decision whether to buy a pirated Louis Vuitton bag is not a moral one, but one about quality, social status, and risk reduction.

De meeste Chinezen kunnen zich de echte producten niet veroorloven en dus kopen ze namaak. Als zij het geld hebben kopen ze echt omdat dat nu eenmaal van betere kwaliteit is.

imagining abundance – thought experiments in “post-scarcity” societies, from science fiction to religion

Wat we, volgens Anderson, kunnen leren van fictie is dat we overvloed kunnen verbeelden. Maar dat onze hersenen zijn geprogrammeerd op schaarste. We focussen ons op de dingen die we niet hebben, zowel op het gebied van tijd en geld. En het is dat wat ons drijft. Als we hebben gevonden of gekregen wat we wilden, gaan we op zoek naar iets nieuws. We worden gemotiveerd door wat we niet hebben in plaats van door wat we wel hebben.

Economically, abundance is the driver for innovation and growth. But psychologically, scarcity is all that we really understand.

you get what you pay for – and other doubts about free

Anderson geeft 14 meest gehoorde argumenten (en zijn tegenargumenten) tegen een free-economie.

  • there ain’t no such thing as a free lunch (in de geldmarkt is de lunch misschien niet gratis, maar in de aandacht-, en reputatie-markt heb je ervoor betaald met jouw tijd en aanwezigheid)
  • free always has hidden costs / free is a trick (in de 21e eeuw van gratis, die is gebaseerd op digitaal, is er geen reden voor verborgen kosten)
  • the internet isn’t really free because you’re paying for access (je betaald voor de toegang, niet voor de content)
  • free is just about advertising (and there’s a limit to that) (misschien toen internet net opkwam maar tegenwoordig zie je steeds meer freemium, enkelen betalen voor velen)
  • free means more ads, and that means less privacy (er is nog zoiets als privacy beleid en niet alle bedrijven verkopen die informatie aan adverteerders)
  • no cost = no value (is geld het enige middel om waarde mee vast te stellen, er is ook zoiets als aandacht en reputatie)
  • free undermines innovation (creative commons laat zien dat mensen heel erg creatief en innovatief worden van gratis content)
  • depleted oceans, filthy public toilets, and global warming are the real cost of free (in de digitale wereld is verspilling veel minder aan de orde, omdat het eigenlijk alleen nog maar gaat om elektriciteit)
  • free encourages piracy (het is juist net andersom)
  • free is breeding a generation that doesn’t value anything (in elke generatie nemen we iets voor lief dat de generatie ervoor waardevol vond, maar dat betekent niet dat deze generatie alles minder waardeert, zij waarderen alleen andere dingen)
  • you can’t compete with free (tenzij je een beter of ander product maakt dan de gratis versie, ga voorbij het gratis product en zoek een iets waar mensen voor willen betalen, is de software gratis biedt dan support aan)
  • I gave away my stuff and didn’t make much money (iets gratis weggeven maakt je niet rijk, maar wel als je nadenkt over reputatie en aandacht en hoe je daar geld mee kunt verdienen)
  • free is only good if someone else is paying for it (met freemium krijgt iemand die betaald een beter product wat jij gratis kan krijgen (is dus niet hetzelfde product), zijn teveel voorbeelden die het tegenspreken, misschien denk je minder van een product dat eerst geld kostte en nu niet meer, maar als iets altijd al gratis was, waarom zou je er dan minder van denken)
  • free drives out professionals in favor of amateurs, at a cost of quality (contentcreatie is niet langer meer het domein van de betaalden, maar dat betekent niet dat je geen geld kan verdienen met content creatie)

 The web has become the biggest store in history and everything is 100% off.

Aan het einde van het boek geeft Anderson de 10 principes van overvloed, freemium tactieken en 50 business modellen gebouwd rondom free.

Je vraagt je af hoe iemand iets meer dan 250 pagina’s vol kan schrijven over een onderwerp als free. En toch lukt het Anderson om een boeiend en goed leesbaar boek te schrijven. Ook voor niet-economen, zoals ik, zijn de hoofdstukken over de geschiedenis van de economie en begrippen goed te volgen. En dan het begrip free. Het is een raar begrip. Soms doe ik er aan mee, als ik iets wil uitproberen. Maar vaker betaal ik voor diensten en producten. Zoals bijvoorbeeld Evernote en Flickr. Niet alleen omdat ik fan ben maar ook omdat ik wil dat deze diensten en producten voor mij beschikbaar blijven. Zeg maar een soort support voor het bedrijf dat mij helpt om tijd te besparen.
Na het lezen van het boek wordt wel duidelijk dat free niet te stoppen is, dat je er toch geld aan kan verdienen (als je het goed aanpakt) en dat het gevoel rondom free is veranderd (of je dat nu leuk vindt of niet).

En mocht je het boek ook willen lezen en er niet voor willen betalen, dan vind je hier (Nederlandse versie – lezen) of hier (Engelse versie – luisteren) een free-copy.

 

Out of our minds – learning to be creative

Out of our minds  van Ken Robinson is een boek over creativiteit. Over waarom het zo belangrijk is, waarom veel mensen denken dat zij niet creatief zijn en hoe scholen en bedrijven kunnen helpen om creativiteit te bevorderen. Het boek verscheen al eerder in 2001. In mijn handen heb ik de vernieuwde versie uit 2011.

Hoofdstuk 1 – out of our mind

Imagination: the process of bringing to mind things that are not present to our senses

Creativity: the process of developing original ideas that have value

Innovation: the process of putting new ideas into practice

Het uitgangspunt van Robinson is dat iedereen enorm creatief is omdat dit hoort bij het mens zijn. Creativiteit moet alleen bij sommige mensen meer ontwikkeld worden dan bij anderen. Het is niet zo dat creativiteit een uitzonderlijke gave is. Iedereen is creatief. Als tenminste de juiste omstandigheden aanwezig zijn. En als mensen weten wat er nodig is om creatief te zijn, ze moeten leren om creatief te zijn, net als dat je moet leren om te lezen en schrijven.

creativity is possible whenever we’re using our intelligence

Hoofdstuk 2 – facing the revolution

Nieuwe technologie verandert de manier waarop we denken, werken, spelen en interacteren met anderen. Daarnaast groeit de wereldpopulatie sneller dan ooit in de geschiedenis van de mensheid. De uitdagingen waar we voor staan komen hieruit voort. En de problemen waar we tegenaan lopen komen voort uit onze oude manier van denken, doen en handelen. We kijken het liefste achteruit in plaats van vooruit. Het resultaat is dat veel mensen en organisaties moeite hebben om met veranderingen om te gaan en het gevoel krijgen achter te blijven of te vervreemden. Om de uitdagingen het hoofd te bieden moeten we gebruik maken van onze capaciteit tot verbeelding, creativiteit en innovativiteit. Het is niet langer een optie, het is een noodzaak.

Robinson gaat vervolgens in op hoe vervoer, technologie en communicatie zich de afgelopen eeuwen heeft ontwikkeld. En als je er zo even bij stil staat is het natuurlijk absurd wat er de afgelopen 50 jaar is gebeurd. Robinson geeft ook een kijkje in de toekomst. Nanotechnologie. In geneeskunde, in vervoer en communicatiemiddelen. De mogelijkheden zijn eindeloos en soms niet eens voor te stellen.

Hoofdstuk 3 – the trouble with education

Een van de redenen dat mensen denken dat zij niet creatief zijn komt, volgens Robinson, door het onderwijs. Kinderen zijn heel creatief maar hoe zorg je ervoor dat zij deze kwaliteit niet verliezen als zij ouder worden. Robinson meent dat het onderwijs ervoor zorgt dat als wij opgroeien wij onze creativiteit verliezen. We ontgroeien het en het onderwijs is hier de schuld van.

Creativiteit kent verschillende facetten. Sommige daarvan zijn gewoon en anderen zijn meer gespecialiseerd. Deze vaardigheden en technieken worden gevoed door verschillende manieren van denken, een kritische blik, voorstellingsvermogen, intuïtie en soms gewoon onderbuik gevoel.

De afgelopen jaren is de toegang tot onderwijs verbeterd. Zoveel mogelijk jongeren krijgen de kans op een universitair diploma. De normen worden continu verhoogd. De normen die samenhangen met waar de maatschappij om vraagt en met het idee wat intellectueel kapitaal betekent. Maar waar houdt dit op? Veertig jaar geleden kon je met een universitair diploma op zak overal werken waar je wilde. Maar wat zegt het diploma in de huidige tijd. Als veel jongeren het hebben, wat is het dan waard? De waarde staat los van de academische normen, die blijven hoog. Het hangt samen met waar de maatschappij om vraagt en dat verandert continu.

Onderwijs wordt lineair opgebouwd. Kinderen van dezelfde leeftijd worden bij elkaar in een groep gezet en volgen dezelfde stappen. Net zolang tot zij alle logische opvolgende stappen hebben doorlopen en klaar zijn met school. Het is net als een lopende band. Als kinderen de band afrollen zijn zij klaargestoomd voor de grote wereld. In dit lineaire principe zit het idee dat onderwijs een voorbereiding is op iets dat later gaat komen. Dat onderwijs primair gericht is op kinderen en jongeren is hier een logisch gevolg van.

In almost all industrial systems there is the same hierarchy of disciplines in hogh schools. At the top are mathematics, languages and sciences; some way down are the humanities – history – geography and social studies – and physical education; at the bottom are the arts.

Als je naar schoolsystemen kijkt zie je, volgens Robinson, een opmerkelijk onderscheid. Er zijn nuttige disciplines zoals talen, wiskunde, wetenschap en technologie (science and technologie). En niet zo nuttige disciplines zoals geschiedenis, aardrijkskunde, kunst, muziek en toneel. Als er bezuinigd moet worden zijn het vaak de niet zo nuttige disciplines die verdwijnen.
Robinson vraagt zich terecht af waar het onderscheid vandaan komt en waarom de nuttige disciplines de meeste aandacht krijgen. In zijn beleving heeft dit alles te maken met economische oorzaken. Sommige disciplines zijn relevanter voor het werk dat gedaan moet worden dan anderen. Als je iets met kunst doet kom je namelijk niet aan de bak. Ook ik heb dat vaak genoeg gehoord toen ik kunstgeschiedenis studeerde. Dat ik iets deed wat ik echt leuk vond maakte niet zoveel uit. Heb ik geluk gehad met het werk dat ik de afgelopen jaren heb gedaan of heb ik dankzij mijn kunstgeschiedenis achtergrond kwaliteiten ontwikkeld waar een werkgever iets aan heeft? Ik denk dat Robinson verderop in het boek hier nog wel antwoord op gaat geven.

Maar niet alleen economische oorzaken zorgen voor het onderscheid. Ook culturele oorzaken spelen mee. Het gaat hier dan om kennis en intelligentie en hoe daar tegenaan wordt gekeken.

Robinson beschrijft de drie rollen van onderwijs als volgt:

  • individual – to develop individual talents and sensibilities
  • cultural – to deepen understanding of the world
  • economic – to provide the skills required to earn a living and be economically productive

Het is belangrijk om deze rollen niet uit het oog te verliezen, om ze alle drie evenveel aandacht te geven en de relatie met elkaar te behouden. Als we begrijpen hoe deze drie rollen met elkaar verbonden worden dan is het mogelijk om het onderwijs te veranderen in een onderwijssysteem waarin creativiteit en innovatie een centrale rol krijgen.

De problemen in de maatschappij zijn duidelijk zichtbaar. Bedrijven klagen dat zij niet de juiste mensen kunnen vinden en als zij ze gevonden hebben zij ze bang dat ze snel weer weggaan. Afgestudeerden komen niet aan het werk, want er zijn niet genoeg banen. Het aantal jongeren dat met school stopt wordt ook steeds groter. Doorgaan op de manier zoals we dat al jaren doen lijkt niet langer houdbaar.

Hoofdstuk 4 – the academic illusion

Hoe intelligent je bent is moeilijk te beoordelen. Het lijkt een eenvoudige vraag totdat je gaat proberen intelligentie te definiëren dan heb je een probleem. Iedereen gebruikt een andere definitie, of het nu gaat om psychologen, neurologen of het mensen uit het onderwijs. Er zijn twee stromingen die populair zijn, namelijk IQ en het kunnen onthouden van feitelijke informatie.

Robinson laat zien hoe intelligentie in de loop der eeuwen is gebruikt en beschreven. Van de oudheid, via de Verlichting, de Renaissance en van de uitvinding van de boekdrukkunst, kompas en de klok. Wat is kennis is de belangrijkste vraag die beantwoord moet worden.

Het was tijdens de Verlichting dat de exacte wetenschap en kunsten van elkaar verwijderden. Kon tijdens de Renaissance nog iemand bestaan als Leonardo da Vinci die zowel in de exacte wetenschap als de kunst uitblonk. Na deze periode zie je dat soort mensen bijna niet meer. Tijdens de Verlichting kwam de dominantie van rationele wetenschappers en filosofen zoals Hume, Locke en Descartes. De tegenbeweging, de Romantiek, werd geleid door kunstenaars, dichters en muscici zoals Beethoven, Schiller, Byron en Goethe.

Our present world view has been shaped by the extraordinary scientific, technological and cultural revolutions that emerged from this paradigm shift from the medieval to the modern world from the Elightement onwards. In the process, the explanatory powers of logic and of scientific evidence, and the intellectual authority of science as a whole have become firmly implanted as the accepted mode of thought. They are part of modern ideology and they interact powerfully with how we think and create theories in every field.

De ontwikkeling van het onderwijssysteem laat zien dat in de afgelopen eeuwen onderwijs is geschoold op klassieke vaardigheden. Deze zijn uitgebouwd met vaardigheden die op dat moment wenselijk waren, of waar onder andere de industriële samenleving om vroeg. Veel aandacht ook weer voor technische wetenschappen en rationaliteit. Hierdoor is het zo dat in de tegenwoordige tijd onderzoek op de universiteit is gebaseerd op logica en analyse. Je onderzoekt bijvoorbeeld als kunsthistoricus de geschiedenis van de kunst. Je maakt zelf geen kunst, dat is namelijk niet academisch, maar je doet er wel onderzoek naar. Als je kunst wilt maken ga je naar een kunstacademie en krijg je in Nederland hiervoor een HBO diploma. Als je onderzoek doet naar kunst wordt dat gewaardeerd met een universitair diploma.

Robinson vervolgt en stelt een paar vragen. We vragen ons af hoe we intelligentie kunnen meten, omdat we aannemen dat intelligentie kwantificeerbaar is. We vragen ons af hoe we academische vaardigheden kunnen verhogen maar stellen niet de vraag of wat we afleveren op een universiteit datgenen is om in de toekomst te kunnen overleven. We vragen ons af waar we talentvolle mensen kunnen vinden maar we negeren de talenten in mensen om ons heen. We kijken, volgens Robinson, zonder te zien.

because our traditional common-sense assessment of abilities distracts us from what is actually there

We zoeken naar manieren om creativiteit en innovatie te verhogen maar zorgen niet voor de optimale condities. We blijven geloven in massa onderwijs ook al zijn er bewijzen dat dit niet werkt. Kinderen wordt niet geleerd om te kijken en te onderzoeken wat zij allemaal kunnen. Er wordt alleen gekeken naar wat nodig is om onderwijs te kunnen volgen. Op deze manier worden talenten onderbenut en kan het idee ontstaan dat een persoon te dom is. Terwijl deze persoon best andere kwaliteiten kan hebben die niet aangeboord worden.

Hoofdstuk 5 – knowing our mind

In onze hedendaagse filosofie bestaat het idee dat we leven in twee werelden. De ene wereld is de wereld om ons heen, die bestaat of jij er nu wel of niet bent, het is de wereld van materiele objecten, evenementen en andere mensen. De andere wereld is jouw wereld. Jouw gedachten, jouw gevoelens en belevenissen. Het verschil tussen deze twee werelden begrijpen is onderdeel van het begrijpen van jouw persoonlijke identiteit.

Hoe we de wereld om ons heen beleven komt voort uit hoe wij als mens zijn, wat wij kunnen horen, zien en voelen. Naast deze fysieke kenmerken zijn er ook culturele factoren die meespelen in ons beeld van de wereld. Robinson komt daar in hoofdstuk 8 op terug omdat dit zij belangrijk zijn in de ontwikkeling van creativiteit.

Howard Gardner: intelligence is the ability to solve problems in a given context.

Hoe de hersenen werken, wat er gebeurd met de hersenen als we opgroeien en hoe we de hersenen kunnen stimuleren wordt in dit hoofdstuk beschreven. Robinson geeft inspirerende voorbeelden van dove musici tot jonge criminelen die door dans positief naar zichzelf gaan kijken.

Hoofdstuk 6 – being creative

Verbeelding is de bron van creativiteit, maar verbeelding en creativiteit zijn niet hetzelfde.

imagination is the ability to bring to mind things that are not present to our senses

We kunnen ons dingen verbeelden die bestaan of dingen die niet bestaan. Denk bijvoorbeeld aan jouw oude school, een olifant of je beste vriend. De beelden die dan opkomen komen van dingen die je hebt meegemaakt. Meestal denken we niet aan deze beelden of echte belevenissen als we denken aan verbeelding. We denken eerder aan dingen die niet bestaan of niet kunnen bestaan. Maar die je wel kan bedenken. We gebruiken verbeelding om een andere kijk op de wereld om ons heen te hebben, om ons te verplaatsen in een ander en om mogelijke toekomsten of uitkomsten te visualiseren.

Creativiteit gaat een stap verder dan verbeelding. Verbeelding doe je in eigen gedachten, niemand hoeft er ooit van te weten, de wereld om je heen al helemaal niet. Creatief zijn betekent iets doen. De wereld zal ervan weten. Je bent creatief in iets, dit kan wiskunde, schrijven of zakelijk zijn. Als je creatief bent laat je je verbeelding de vrije loop, met andere woorden creativiteit is toegepaste verbeelding. Weer een stap verder is innovatie. Innovatie is het in de praktijk toepassen van nieuwe ideeën. Innovatie is dus toegepaste creativiteit.

Alles om ons heen is een symbool. Sommige symbolen zijn persoonlijk en anderen met elkaar afgesproken (formeel). Systematische symbolen zijn woorden en getallen. Voor systematische symbolen gelden regels. De regels zorgen ervoor dat bijvoorbeeld taal op zo’n manier wordt geschreven dat het iets betekent. Je hoeft niet alle woorden in een zin te kennen om de betekenis te begrijpen, de context helpt hierbij.

Schematische symbolen zijn afbeeldingen. We zijn in staat om gedachten die niet in woorden te vatten zijn visueel weer te geven. Schematische symbolen kunnen uiteraard gebruik maken van systematische symbolen.

creativity is the process of having original ideas that have value

In alle creatieve processen verleggen we grenzen van wat we weten, we ontdekken nieuwe manieren om iets te doen, we grijpen terug op vaardigheden die we al hebben en ontwikkelen deze zodat het werkt binnen het nieuwe idee. Creatief zijn betekent iets doen. En om te doen heb je een vorm van media nodig. Dit kan papier zijn, hout, licht, woorden, getallen of iets anders.

Whatever the media, there is an intimate relationship between the ideas that form and the media through which they take shape. …… Creativity is a dialogue between the idea and the media in which they are being formed.

Maar creativiteit gaat niet alleen om het bedenken van nieuwe ideeën. Het gaat ook om het beoordelen ervan. Sommige ideeën zijn nog niet goed genoeg, soms moet er meer over nagedacht worden en soms moet een idee losgelaten worden zodat er ruimte ontstaat om andere ideeën uit te werken. Het proces is belangrijk. Je kan niet in een keer een nieuw product bedenken dat af is. Als je niet begrijpt dat het proces erbij hoort, dat je soms op de verkeerde weg zit en opnieuw moet beginnen, dat je afgeleid kan worden of teveel tegelijk wilt doen, dan kun je denken dat je niet creatief bent.

Nieuwe ideeën hoeven niet altijd ideeën te zijn waar nog niemand eerder aan heeft gedacht. Het idee kan iemand persoonlijk helpen, of een groep, of de gehele mensheid. Zolang het idee maar origineel is.

Robinson maakt onderscheid tussen algemene en persoonlijke creativiteit. Bij algemene creativiteit lossen we een probleem op met onze normale manier van denken. Deze manier van denken kunnen we trainen en ontwikkelen zodat we ook op andere manier naar een probleem kijken en een originele oplossing bedenken.  Bij persoonlijke creativiteit gaat het om talent en passie. Persoonlijke creativiteit komt, volgens Robinson, vanuit de liefde voor een bepaald materiaal. Een beeldhouwer wordt creatief als hij een steen of stuk hout ziet, een danser als hij muziek hoort en een wiskundige als hij een formule ziet.

when people find there medium, they discover their real creative strenghts and come into their own

Dus creativiteit is niet iets wat je hebt of niet hebt. Creativiteit vraagt om verschillende mentale functies, combinaties van vaardigheden en persoonlijk kunnen. We zijn allemaal creatief, maar sommigen hebben nooit geleerd hoe of hebben weinig oefening gehad.

 Hoofdstuk 7 – feeling better

Creatief zijn is niet alleen een intellectueel proces. Het gaat ook om gevoel, intuïtie, verbeelding, onderbewustzijn, kennis en vaardigheden.

Vanuit de Verlichting en de Romantiek bestaan er aannames over het verschil tussen wetenschap en kunst. Wetenschap gaat over kennis, feiten en objectiviteit. Kunst gaat om emoties, zelfexpressie, zijn en subjectiviteit. Wetenschappers worden voorgesteld als methodologisch, klinisch en objectief. Kunstenaars als expressief, gepassioneerd en creatief. Toch zijn er, volgens Robinson, veel overeenkomsten tussen wetenschappers en kunstenaars als het gaat om het creatieve proces. Beide groepen gebruiken objectieve en subjectieve elementen, beiden gebruiken kennis en gevoelens, intuïtie en niet-logische onderdelen. Beiden gebruiken hun persoonlijke passie en beiden kunnen enorm creatief zijn. Wetenschap en kunst hebben beiden invloed op hoe wij de wereld zien en beleven.

Kunst kan over van alles gaan, zo ook wetenschap. Kunstenaars en wetenschappers kunnen geïnteresseerd zijn in dezelfde onderwerpen. Zoals een schilder en een geograaf interesse kunnen hebben voor het landschap, schrijvers en psychologen voor menselijke relaties en dichters en biologen voor het onderbewuste. Het is dus niet wat de kunstenaar of wetenschapper interesseert dat hen scheidt maar hoe het hen interesseert. Het verschil zit in hoe zij het begrijpen, de functies hiervan binnen het proces en hoe het zich uiteindelijk uit.

It is a Renaissance based on a more holistic understanding of human consciousness; of the relationship between knowing and feeling; and of how all that we think and feel is part of the creative process of making sense of the world around us and of the world within us.

Een wereld zonder gevoel is niet mogelijk. En toch is binnen het onderwijssysteem weinig ruimte voor gevoel. Jezelf begrijpen, maar ook gevoelig zijn voor emoties van anderen is een kwaliteit die hard nodig is in de hedendaagse maatschappij, maar ook in het persoonlijke leven. Door gevoel en redeneren vinden we onze werkelijke creatieve kracht.

Hoofdstuk 8 – you are not alone

Individuele creativiteit is bijna altijd gestimuleerd door het werk, ideeën en prestaties van anderen.

We each have our own lives, but much of what we create is in common with each other. What we create in common is our culture.

Het woord cultuur wordt op verschillende manieren gebruikt. Sinds de late 18e eeuw wordt cultuur gebruikt om intellectualiteit of sociale vaardigheden te beschrijven. Iemand kan dan worden beschreven als cultureel. Wat vaak betekent dat zo iemand kunst waardeert. Maar cultuur wordt ook omschreven als een artistieke of intellectuele activiteit. Je ziet dan het onderscheid ontstaan tussen high art en popular culture. High art betekent dan opera, klassieke muziek, ballet, fine art en toneel. Popular culture verwijst naar popmuziek, bioscoop, televisie, mode en design. Cultuur wordt ook wel gebruikt om een manier van leven van een groep te beschrijven. Deze beschrijving gebruikt Robinson.

by culture I mean the values and forms of behaviour that characterize different social communities

Hoe wij de wereld om ons heen zien is voor een deel cultureel bepaald. Verschillende culturen hebben een verschillende wereldbeleving. Sommige culturele verschillen zijn duidelijk waar te nemen, zoals de taal die iemand spreekt, de kleding die hij draagt en het eten en drinken dat hij gebruikt. Andere culturele verschillen zijn minder snel zichtbaar, bijvoorbeeld de beleving van tijd.

Robinson meent dat een goede manier om naar een cultuur te kijken is door te onderzoeken hoe kunst en technologie met elkaar interacteren. Hij geeft een paar voorbeelden waaronder Shakespeare. Als je je afvraagt waarom Shakespeare, een groot verhalenverteller, geen romans heeft geschreven is het antwoord eenvoudig. Romans konden pas ontstaan na de uitvinding van de boekdrukkunst. Fotografie heeft schilderkunst zeker beinvloed. Alles kon door een eenvoudige handeling en met een apparaat ineens visueel worden vastgelegd. Maakte dat schilderkunst overbodig? Nee, het zorgde er wel voor dat er anders naar schilderkunst werd gekeken en dat fotografie een eigen kunstvorm werd. Het gaat niet om het medium, het gaat er om wie het in zijn handen heeft. En pen kan zorgen voor een boodschappenlijstje of een mooi gedicht. Interessant om te zien is dat nieuwe technologie vaak werd ingezet om het oude te doen. Zo maakten de eerste fotografen afbeeldingen die leken op schilderijen. Totdat de technieken beter werden en fotografie werd ingezet om echte momenten vast te leggen waarvan een schilder dat niet kon, denk aan sportgebeurtenissen.

Culturen veranderen continu. Door gedachten, gevoelens en acties van de mensen die in de culturen leven. De veranderingen zijn dynamisch, organisch en complex en het is niet eenvoudig te voorspellen hoe een cultuur veranderd.

The creativity of a culture depends on how open the networks are and how easily we can access knowledge. Creativity is about making connections and more often than not, it is driven by collaboration as much as, if not more than, by solo effort.

Het is dus belangrijk om specialismen niet gescheiden te houden maar om ze juist te laten samenwerken. Met specialismen worden hier uiteraard wetenschap en kunst bedoelt.

Hoofdstuk 9 – being a creative leader

Wat moet een leidinggevende doen om creativiteit en innovatie in zijn organisatie te bevorderen? Robinson heeft negen principes ontwikkeld die een leidinggevende kunnen helpen.

Een cultuur van innovatie wordt gebaseerd op drie processen die elk aan elkaar gerelateerd zijn (zoals beschreven in hoofdstuk 1 – imagination, creativity, innovation).

Innovatie kan het doel zijn, maar het proces zal moeten beginnen met verbeelding en creativiteit.
Als je een cultuur van innovatie wilt creeren zal dit moeten beginnen bij de top van de organisatie. De leidinggevende hoeft niet met alle ideeen te komen maar moet wel de sfeer creeren waarin innovatie mogelijk is. Er bestaat vaak een angst dat creativiteit leidt tot chaos en controleverlies. Deze angst hoort heel erg bij de command & control mindset van leidinggevenden. Met het nieuwe werken wordt hierop ingespeeld, het loslaten van deze manier van leidinggeven zal leiden tot meer creativiteit en dus ook innovatie.
Een organisatie is geen machine, het is een netwerk van mensen en bestaat uit mensen, relaties en energieën.

they are living, breathing communities that exist only in the actions ans purposes of the people who populate them

Leidinggeven aan een innovatieve organisatie vraagt van de leidinggevende om om te kunnen gaan met zowel de interne als externe cultuur. De uitdagingen van de externe cultuur zijn technische innovaties, veranderingen in populatie, nieuwe economieen, vermindering van grondstoffen, veranderingen in politiek en hoe de samenleving en dus de klant hierop reageert. De interne cultuur gaat meer om gewoontes, gedrag, regels/procedures (zo doen we dingen hier) en hoe het gebouw is ingericht. De inrichting van een gebouw kan zeker invloed hebben op hoe een gebouw voelt.

Een creatieve leider is strategisch op drie niveaus: persoonlijk, groep en cultureel. Bij persoonlijk gaat het erom dat medewerkers de ruimte krijgen om creatief te zijn. Drie principes spelen hierbij een rol:

  • everyone has creative potential (1)
  • innovation is the child of imagination (2)
  • we all can learn to be more creative (3)

Vaak geldt dat creativiteit binnen een organisaties van teams komt. De teams zijn samengesteld uit verschillende mensen met verschillende achtergronden die als zij met elkaar in discussie gaan en ideeen bespreken in een creatieve flow komen. Het is aan de leidinggevende om dynamische teams samen te stellen en te faciliteren.

great creative teams model the mind: they are diverse, dynamic and distinct

Creativity thrives on diversity is principe 4. Creatieve teams zijn divers in samenstelling (denk aan leeftijd, geslacht, achtergrond, etniciteit, educatie, expertise). Een divers team kijkt vanuit verschillende perspectieven naar de veranderingen om ons heen en bedenkt oplossingen voor de problemen die je als organisatie tegenkomt.

Creativity loves collaboration (principe 5) is een van mijn favorieten. Natuurlijk is het zo dat een divers team niet altijd succesvol is. Soms werken de verschillen juist tegen. Maar als het team om kan gaan met de verschillen en op zoek gaat naar datgene dat hen sterker maakt dan is het team uitermate succesvol.

Collaboration involves people working together in a shared process in which their interactions affects the nature of the work and its outcomes.

Alle ideeën binnen het collaboratieve team zijn waardevol. Op de eerste ideeën wordt verder ontwikkeld en nagedacht. Daarnaast is het binnen een collaboratief team zinvol om de andere teamleden trots te laten zijn op wat zij bedacht hebben. Dus niet oordelen, afbranden of bekritiseren maar stimuleren om zo ideeen te perfectioneren.

Een groot leider weet wie hij in een team plaatst, welk werk zij moeten doen en wanneer het team weer opgeheven wordt.

Creativiteit kost tijd (principe 6) en daarmee is tijd een essentiële bron voor innovatie. Leidinggevende die dit begrijpen en tijd vrijmaken om te spelen worden beloond met creativiteit van de medewerkers.

Principe 7: creative cultures are supple. Sommige organisatie (zoals degene waar ik werk) hebben aparte teams die zich bezig houden met innovatie. Het gevaar hiervan is dat zo’n team de verbondenheid met de rest van de organisatie kan verliezen. Aan de andere kant kan het voordeel zijn dat zo’n team de rest van de organisatie niet belast met ideeën die nog niet af zijn. Met zo’n speciaal innovatie team kan het zijn dat anderen zich niet geroepen voelen nieuwe ideeen in te brengen omdat zij niet tot het team behoren.

Creative cultures are inquiring (principe 8). Innovatie gaat over uitproberen, soms falen en opnieuw beginnen en soms over succesvol zijn.

creativity in any domain is a balance of freedom and control

Het laatste principe (9) van Robinson is creative cultures need creative spaces. De fysieke omgeving helpt mee in het creatieve proces en laat de cultuur van een organisatie zien.

More flexible patterns of working time and the pervasive effects of information technologies mean that there is a blurring of boundaries between the home and office, work, play and personal time

Robinson ziet organisaties als organismen die in de ontwikkeling lijken op mensen. Het idee begint in het hoofd van iemand, totdat het begint te groeien. De meest creatieve fase van een organisatie is vaak de beginfase, er hangt een positieve energie, mensen zijn opgewonden, samen ontdekken en uitvinden, alles is mogelijk. Iedereen doet zijn best om het idee te laten slagen en de organisatie succesvol te laten zijn. Na verloop van tijd wordt een organisatie meer ingedut, meer conservatief en zijn er meer regels en procedures. Sommige organisaties worden dan oud en overlijden. Anderen ontdekken zichzelf opnieuw. Robinson meent dat dat gebeurd bij organisaties die investeren in de creatieve kracht van de mensen die er werken. Als je in de mensen investeert investeren de mensen in de organisatie. Dat is de kracht van innovatie en de belofte van creatief leiderschap.

Hoofdstuk 10 – learning to be creative

Robinson heeft in dit boek op verschillende momenten aangetoond dat de reden dat mensen denken dat zij niet creatief zijn het onderwijs is. In zijn ogen kunnen individuen en organisaties hier iets aan doen. Maar hij ziet ook een urgente behoefte om het onderwijssysteem te veranderen. Hij denkt dan niet alleen basisscholen, voortgezet onderwijs en universiteiten, maar aan iedereen die wil leren, jong of oud, vrijwillig of verplicht.

Though it is often forgotten, the core business of schools is to improve the quality of students’ learning. The principles of creative leiderschip apply in education at every level.

Leren is een persoonlijke keuze. Robinson pleit voor persoonlijk onderwijs omdat iedereen op zijn eigen manier leert. Hij heeft hiervoor twee redenen. De eerste is dat wij geen andere keus hebben.

education is personal or it is nothing

Hij ziet persoonlijk onderwijs als een investering en niet als een kostenpost. Het is de enige manier om het niveau op grote schaal te verhogen door gebruik te maken van de energie en verbeeldingskracht van elke student. Het tweede argument dat Robinson gebruikt is dat het mogelijk is. Hij ziet het creatief gebruik van nieuwe technologie als een van de dingen die het mogelijk maken. Hij geeft het voorbeeld van de School of One in New York.

Uiteraard komt creativiteit in dit laatste hoofdstuk terug, het is waar het boek om gaat. Creativiteit is geen onderdeel van het onderwijs. Vaak wordt creativiteit verbonden aan kunst en natuurlijk is kunst heel creatief. Maar om creativiteit alleen aan kunst te verbinden is verkeerd. Andere vakken zoals exacte wetenschap kunnen ook creatief zijn. Robinson heeft hier in een eerder hoofdstuk naar verwezen.

creativity is possible in every discipline and should be promoted throughout the whole of education

Robinson blijft met bijzondere voorbeelden komen, van jongeren die een galerie beheren, ouderen en jongeren die samen lezen, studenten die zelf beslissen over hoe, wanneer en waarover ze les willen krijgen. Voor Robinson is het duidelijk, scholen moeten uit hun getto’s komen. Om het onderwijs te kunnen veranderen moeten scholen samenwerkingsverbanden aangaan. Want iedereen heeft een rol in de toekomst van het onderwijs.

the task of education is not to teach subjects: it is to teach students

Geen enkele school is beter dan zijn docenten. Als je denkt aan je eigen schooltijd dan herinner je de mensen. De medestudenten en de docenten. Sommige docenten waren creatief, konden mooie verhalen vertellen en wisten een klas te boeien. Andere docenten gaven informatie over een onderwerp, zij hadden veel kennis. Zij hadden misschien iets minder met studenten.

Robinson zegt het als volgt. Goede docenten weten dat het hun rol is om studenten te motiveren en inspireren. Dit is een creatief proces op zich.

teaching for creativity is about facilitating other people’s creative work

Er zitten drie taken in creatief onderwijs verborgen. Dit zijn motiveren (laat studenten geloven in de eigen creatieve potentie), identificeren (help studenten ontdekken waar hun sterke kanten zitten als het gaat om creativiteit) en bevorderen (ontwikkel de creatieve vaardigheden van studenten, leer ze zelfverzekerd te zijn, een onafhankelijke houding te hebben en om zelf na te denken).

Na een korte uitleg over the Blue Man Group en de school die zij oprichtte besluit Robinson als volgt.

Whether in the public or the independent sector, in schools or at home, being creative in providing education and promoting creativity are not dispensable luxuries. They are essential to enable us all to make lives that are worth living and to sustain a world that is worth living in. …… We cannot meet the challenges of the 21st century with the educational ideologies of the nineteenth…….. transforming education is not easy but the price of failure is more than we can afford, while the benefits of success are more than we can imagine.

Ik had van te voren niet verwacht dat ik zo’n lange recensie/samenvatting zou schrijven maar het boek heeft me geraakt. Robinson schrijft zo natuurlijk dat het fijn is om zijn verhaal te lezen. De voorbeelden die hij geeft voegen zeker iets toe en de persoonlijke noot geeft je een kijkje in zijn leven. Creativiteit is iets wat ik mooi vind, waar ik blij van word en waarvan ik weet dat sommigen denken het niet te hebben. Ik heb nu geleerd dat wij allemaal creatief zijn. Als we vinden van niet moeten we gewoon leren hoe. Eenvoudiger kan bijna niet. Dat er veel creatieve potentie in organisaties zit besef ik me maar al te goed. Dat wij deze niet altijd aanspreken ook. Tijd dus om dat wel te doen. Iedereen laten nadenken over waarom hij het werk doet (omdat je er goed in bent, omdat het geld oplevert, omdat je er blij van wordt). Iedereen mee laten denken over wat er nodig is om onze klant/gebruiker tevreden te laten zijn. Wat kunnen wij doen om het beter te maken. En ik zal ook zeker vragen aan mijn managementteam om hoofdstuk 9 te lezen. Ik denk dat zij ook geïnspireerd zullen raken, net als ik.

Nog niet genoeg van Ken Robinson kijk dan naar deze TED talk (de 2e uit 2010 – de 1e uit 2006 staat hier)