Studenten met gadgets in de klas? Ja graag!

Voor het decembernummer van SURF Magazine mocht ik de trendwatch-column schrijven. Heel vereerd en trots voelde ik me, zeker als je mijn voorgangers bekijkt (Pierre Gorissen, Wilfred Rubens en Willem Karssenberg) en om als vrouw de achterpagina van het magazine te sieren.

Studenten met gadgets in de klas? Ja graag!

Morgen wordt het SURF Magazine verzonden aan de abonnees, maar online kun je hem al bekijken. Wil je liever een papieren exemplaar ontvangen, word dan lid. Dit gratis kwartaalmagazine met nieuws en achtergrondinformatie over ICT voor het hoger onderwijs en onderzoek bestel je op www.surf.nl/magazine

Zijn we klaar voor de Free Agent Learners?

Deze column heb ik naar aanleiding van het bezoek aan Educause geschreven voor SURFspace.

In Nederland zijn er legio voorbeelden. Docenten die wiki’s, blogs, twitter, flickr, hyves en andere sociale media inzetten in het onderwijs. Als je weet waar je moet zoeken, vind je ze. Nederlanders schreeuwen het alleen niet van de daken als ze vinden dat ze briljant zijn of als ze iets nieuws bedacht hebben om in het onderwijs in te zetten. Amerikanen doen dat wel. De kleinste overwinningen worden gedeeld met de rest van de wereld. Zo trots als zij zijn op hun onderwijs en de inzet van sociale media….. Maar is het eigenlijk genoeg? Studenten vinden van niet.
Dat blijkt uit een grootschalig onderzoek Unleashing the Future: Educators “Speak Up” about the use of Emerging Technologies for Learning van Julie Evans (2010). Ze presenteerde de resultaten tijdens de Educause-conferentie 2010. Studenten zijn aan het wachten. Aan het wachten op een leeromgeving die tegemoet komt aan hun persoonlijke leerstijlen en interesses. Evans vroeg 300.000 studenten naar hun visie op het onderwijs van de 21e eeuw. Wat blijkt? Het is allang niet meer de vraag of mobiele telefoons ingezet moeten worden binnen het onderwijs. Studenten gebruiken hun mobiel al in het onderwijs: op hun eigen manier en buiten de kaders van de traditionele onderwijsomgeving. Dat wel. Ze zijn Free Agent Learners die 24/7 technologie gebruiken om hun onderwijsbeleving te personaliseren. Logisch dus dat studenten verschillende manieren van leren in de klas wensen. In hun visie op hoe het 21e eeuws leren eruit moet zien, stellen zij drie eisen: leren moet social based, un-tethered en digitally rich zijn. Een korte toelichting is op zijn plaats.

Social-based learning

Studenten willen innovatieve communicatiemiddelen en samenwerkingstools gebruiken om expertnetwerken te creëren, te personaliseren en te voeden.

Un-tethered learning

Studenten willen een op technologie gebaseerd onderwijs dat grenzeloos is en niet beperkt wordt door de muren van een klaslokaal, traditionele onderwijsmethoden, geografie of de kennis en competenties van de docent.

Digitally-rich learning

Studenten zien het gebruik van relevante digitale tools, content en bronnen als een sleutel voor de leerproductiviteit en niet alleen maar als een manier om hen tegemoet te komen in hun leren.

Overigens, niet alleen de ondervraagde studenten, maar ook de schoolleiding omarmt deze visie. Helaas, de beren op de weg zijn enorm. De technologie is er, studenten willen die gebruiken, maar worden tegengehouden door docenten, ICT-afdelingen en een niet werkende ICT-infrastructuur. Schokkend is de conclusie niet: Wij (het onderwijsveld), hebben nog een lange weg te gaan om te komen waar de student ons verwacht te zijn.

Kan Cloud Computing helpen die lange weg wat sneller te doorlopen of is Cloud Computing slechts een hype? David Cealey vindt dat laatste. Cloud Computing is niets nieuws, het is een groeimodel. En dan is het de vraag wat jouw onderwijsinstelling ermee wil. Toen Cealy begon te praten op Educause, was er geen houden meer aan. Benieuwd? Ga er eens rustig voor zitten en laat de inhoud tot je doordringen. Moet je als onderwijsinstelling mee willen doen aan deze hype?  Of maak je alleen gebruik van die dingen die voor jouw instelling nuttig zijn?

Als je gaat rondkijken, ontkom je niet aan de twee grote spelers in de markt: Google Apps en Microsoft Live@edu. Eric Pierce van de University of South Florida is erg te spreken over Google Apps. Natuurlijk zijn er verbeteringen wenselijk en willen de studenten altijd meer. Maar er zijn ook voldoende gratis alternatieven die je los van elkaar kunt gebruiken. Ik zie het werken in de Cloud als een onontkoombaar iets. Zeker als we altijd, overal en met elk device bij onze content willen.

Zijn wij in Nederland klaar voor de Free Agent Learners en Un-tethered learning? Voor de student die zijn eigen onderwijs wil inrichten, 24/7, gebruik makend van een mobiel en niet gebonden aan institutionele grenzen? Nee, ik denk het niet. Maar mocht het wel zo zijn, laat dan van je horen. Schreeuw het van de daken, laten we een voorbeeld nemen aan de Amerikanen!

Liesbeth Mantel is als productonderzoeker werkzaam bij de afdeling Innovations van de TU Delft Library.

De gebruikte afbeelding is van Mike Baird en te vinden op Flickr.

De Onderwijsdagen – dag 2 – 10 november

De dag begint met Toine Maes (directeur Kennisnet) in gesprek met Steven de Jong (voorzitter LAKS). De centrale vraag is: moeten we het onderwijssysteem omgooien? Het antwoord: waarschijnlijk niet. Maar ICT maakt het wel mogelijk om het talent van een individu aan te spreken.

Moet er op schoolniveau vaart gemaakt worden als het gaat om ICT in het onderwijs? De Jong ziet ICT als onderdeel van de les. Wat hem betreft moet er zeker versnelt ingevoerd worden want hij ziet veel mis gaan. Bijvoorbeeld, er zijn veel projecten met smartboards, maar het smartboard wordt vaak alleen gebruikt voor de open dag of als beamer om een powerpoint op te presenteren.
Hoe zorg je ervoor dat ICT ook voor didactiek wordt ingezet? De Jong vindt dat zij (LAKS) scholieren hierop moeten wijzen zodat zij docenten kunnen aanspreken om het gebruik van ICT. Maar niet alleen aanspreken, ook helpen zou een oplossing kunnen zijn.

(registratie/filmpje)

Christiaan Alberdingk Thijm / hoe sociaal zijn social media?

Indrukwekkende intro om je presentatie mee te beginnen en zeker een film die ik wil zien.

Wat Alberdingk Thijm opvalt (en volgens mij vele anderen) is dat er steeds vaker mensen hun Hyvesprofiel deleten. Eigenlijk is het niet vreemd. Wat moet je op Hyves, als je ook op Facebook aanwezig bent? Hyves is toch meer iets voor scholieren. Orkut is zo’n site waar eigenlijk niemand het meer over heeft. Terwijl in 2003 dit echt een site was waar je bij wilde horen. Net als MySpace, ook in de zaal weinig mensen die hier een account hebben.

Als we het over social media hebben hebben we het over de mogelijkheid tot communiceren. Als die mogelijkheid er niet is, is zo’n site gedoemd te mislukken. Van alle tijd dat wij online zijn besteden we 22% aan social media en dat betekent dat wij meer tijd aan social media spenderen dan aan email.

Soms gaat het wel eens mis. Zeker als het gaat om zelfpromotie. Zoals KPN op Facebook.

Er zijn maar 178 mensen die KPN liken. Is het dan verstandig om een Facebook pagina te hebben als maar zo weinig mensen je leuk vinden?

Volgens Alberdingk Thijm praten we steeds meer via social media. Denk aan #durftevragen. Mensen stellen een vraag en vreemden of followers geven een antwoord. Uitstekend voorbeeld als we het over praten hebben is natuurlijk Youp en de T-mobile actie. Luisteren naar je consumenten is dus geen slechte zaak. Maar dan ook echt luisteren.

De privacy paradox

  • we geven vrijwillig steeds meer van onze privacy op
  • de wettelijke bescherming van onze privacy is sterk en neemt toe

Maar de beste wetgeving is de gemeenschap, dus wij allemaal. Als wij het te ver vinden gaan dan is dat ook zo.

  • sociale normen zijn belangrijk
  • de gemeenschap bepaalt wat die zijn
  • de gemeenschap bepaalt wat oke is
  • sociale media zijn als mensen: overwegend goed, soms slecht

Ik denk dat ik wel kan concluderen dat op de vraag hoe sociaal zijn sociale media, het antwoord is dat wij dat zelf bepalen. En als je dat dan doortrekt naar het onderwijs. Hoe sociaal kan het onderwijs worden? Net zo sociaal als wij willen dat het is.

Deze sessie is gefilmd en staat online.

Eric Klopfer – Augmented Learning Through Playing and Creating Location-Based Games

Eric Klopfer is Associate Professor of Science Education & Director, Teacher Education Program at Massachusetts Institute of Technology (MIT) en omdat hij een van de weinige buitenlandse sprekers op de Onderwijsdagen was en omdat zijn sessie over games ging ben ik in de zaal gaan zitten.

Klopfer praatte over computersimulaties die je op een mobiel kan spelen en die voor een deel bestaan uit context die uit de echte wereld komt. Hij ziet een verschil tussen light augmentation  (small amount of augmented information with real information) en  heavy augmentation (de omgeving is gebruikt als een physical way of navigating through virtual space). Hierna ging Klopfer in op het begrip gaminess. En daarmee op de features die een een game structuur geven. Zoals beslissingen nemen in een game, de consequenties die aan de beslissingen hangen, de doelen van de game, de feedback en de regels van het spel. En zo bestaan er spellen met weinig en veel gaminess.

Stel: je laat studenten rondlopen in een bibliotheek. De ene student loopt wat rond en vindt niets, de andere gaat in de kast neuzen en vindt een interessant boek, en nog een, en nog een. De laatste student zal hier iets van leren, de eerste hoogstwaarschijnlijk niets (behalve dan dat het niet leuk is in de bibliotheek). Sommige studenten structureren het leren en maken connecties, anderen weten niet waar ze moeten beginnen. Deze laatste groep moet je eerst een vraag stellen zodat zij ergens kunnen beginnen. En het is juist deze structuur van leren die een game wel of niet interessant maakt.

a game helps structure an experience, and ideally includes open-ended play and structure and support for learning

Meer informatie over de games waar Klopfer over heeft gesproken vind je op  education.mit.edu/ar en educationarcade.org. Wil je de sessie van Klopfer in zijn geheel bekijken, dan is hier de video te vinden.

De sessie het internet der dingen van Rob van Kranenburg van dusdanig interessant dat ik hier een aparte blogpost over ga schrijven.

En toen was het tijd voor Sugata Mitra. Wat een fantastische man en wat een mooi verhaal. Veel is er al over geschreven dus ik laat het hierbij. Ik verwijs alleen naar de filmopnamen die zijn gemaakt en naar dit nieuws:

Wil je erbij zijn:

On the 6th of January, Sugata Mitra will be our guest at the TPM faculty, and will give a lecture providing you with the opportunity to discuss with him afterwards. Because of limited capacity, we kindly ask you to register in advance by sending an email to Thieme Hennis. You will receive an update about the location. Please use as mail-subject “Interest in Sugata Mitra talk”.

Ik heb mij al aangemeld. Misschien zie ik jou ook in de zaal. Want wie wil deze man nu missen als hij zo dichtbij is.

De Onderwijsdagen – dag 1 – 9 november

Een paar weken geleden werden de Onderwijsdagen in Utrecht gehouden. Dit jaar een iets andere opzet, meer pauzes en tijd om te netwerken, geen beursvloer en geen feest. Toch kan ik tevreden terug kijken op het congres dat begon op de avond ervoor met het Edubloggersdiner. Ik heb heerlijk gegeten en bijgepraat met (on)bekenden. En nu heb ik 12 pagina’s aantekeningen voor me en moet ik besluiten. Maak ik er een lange post van of knip ik hem op, geef ik de sessies waar ik echt enthousiast van werd meer ruimte op mijn blog? Ik zal het tijdens het schrijven besluiten.

Wim Liebrand (directeur SURF) opent de Onderwijsdagen en heeft even een babbeltje met Sander Breur (voorzitter LSVb). Sander is echt een student van deze tijd. Hij gebruik Google en Ctrl F als hij een online tijdschrift leest. Hij heeft drie mobiele telefoons en zoekt met layer de dichtstbijzijnde pinautomaat tijdens een avondje stappen. Hij praat over docenten die verslagen per post willen krijgen terwijl Sander niet eens weet waar hij postzegels moet kopen. En dus zit in zijn beleving het probleem aan het begin, dus bij de docent als het gaat om onderwijs. Een beetje kort door de bocht maar ach, hij is nog jong zullen er veel zeggen. Zijn opmerking over twitter en dat anderen daar iets aan moeten hebben stoorde mij meer. Zeker als je deze tweet van Sander bekijkt.

Vertel eens Sander, wie heeft er iets aan deze informatie….

(registratie/filmpje)

Curtis Johnson – senior partner Education Evolving

Het boek dat Johnson schreef Disrupting Class, Expanded Edition: How Disruptive Innovation Will Change the Way the World Learns is nog steeds verkrijgbaar. Maar wat is disruptive innovation? Johnson legt uit dat het oude niet wordt verlaten maar dat het voor andere doelen wordt gebruikt, bijvoorbeeld paarden die nu worden gebruikt voor recreatie in plaats van handel.

wat zou Gutenberg denken als hij een ipad vast mag houden

Maar hoe zit dat dan in het onderwijs? Het onderwijs is geen industrie, waarom daar dan disruptive innovation inzetten. Johnson ziet het onderwijsmodel dat niet van deze tijd is. De politiek is niet het probleem. Het probleem is dat kinderen nog steeds achter elkaar in rijen zitten met een docent ervoor. Als je die situatie bekijkt lijkt het alsof onderwijs een schaars goed is maar niets is minder waar.

Jongeren van nu nemen kennis in zich op, ze verbinden het, maken mash-ups en als studenten niet mee gaan worden ze gestraft. Werkt dat? Johnson meent van niet.

Als studenten willen leren kunnen wij ze niet stoppen en als ze niet willen kunnen wij ze niet overtuigen. Standaardiseren helpt volgens Johnson niet, het is ook niet van deze tijd, maar het is wel handig voor de docent. In de optiek van Johnson is radical personalisation het enige dat helpt bij de groep die nu buiten de boot valt.

Johnson verwijst naar de S-curve die in de industrie vaak wordt gebruikt om vooruit- en achteruitgang te kunnen bepalen. Het onderwijs zit momenteel onderaan de S-vorm. In 2018 zal de meerderheid aan het plafond zitten. Maar stel dat dat gebeurd. Pas dan gaan scholen er volgens Johnson anders uitzien. En als voorbeeld geeft hij een school met 180 leerlingen die allemaal achter een pc zitten. Het ziet er niet naar uit alsof dit een onderwijsomgeving is, maar dat is het wel en alle leerlingen leren op hun eigen manier.

Moet je als onderwijs lijdzaam toezien terwijl je weet dat dit er aan zit te komen? Johsnon vindt van niet, hij meent dat het onderwijs disruptive innovation moet omarmen. Zoals bijvoorbeeld IBM heeft gedaan. Zij spenderen geld, ruimte en mensen aan disruptive innovation. Deze groep is autonoom en beslist zelf over innovatie. Zoiets hebben wij in Nederland niet.

by 2018 the majority of learning will be learning online

(registratie/filmpje)

Wilfred Rubens – vormt motivatie de sleutel tot leren in 2011?

Ik kan een samenvatting geven van Wilfreds presentatie maar je kan hem ook gewoon bekijken.

Wilfred gebruikte – zoals al eerder – een twitter backchannel om de mensen in de zaal en thuis mee te laten doen. Hij schreef erover op zijn blog.

Wat zijn de factoren om intrinsieke motivatie te bevorderen:

  • autonomie – eigenaarschap – geef studenten autonomie over eigen leren, laat ze de keuze hebben over gebruik van technologie – geldt ook voor docenten
  • doelgerichtheid – betekenisvol en authentiek – discussies worden ingezet binnen ELO maar staan vaak los van het curriculum – wat is dan het doel van de discussie
  • meesterschap = betrokkenheid – meesterschap krijg je vaak pas door betrokkenheid te creëren – geef je door feedback en niet door het afnemen van toetsen – anders motiveer je niet om de lat hoger te leggen, geef zelf het voorbeeld van een goede meester te zijn
  • sociale verbondenheid en social presence – je doet het met anderen samen – dat leren – gevoel van vertrouwen en onderlinge verbondenheid
  • perceptie van interactie – gevoel dat studenten hebben dat zij in omgeving zitten waarin zij beroep kunnen doen op anderen (docenten en medestudenten) – skype als voorbeeld – mocht je wat willen vragen dan zijn vrienden online – geeft fijn gevoel
  • mogelijkheid om te delen met anderen = motiverend – gaat beter zijn best doen om kwaliteit te leveren – wij maken gesloten omgevingen
  • privacy – leerlingen zijn bereid om te publiceren maar willen ook dingen voor zichzelf houden
  • progressie zien – speelsheid – is arbeidsintensief maar levert wel veel op – geven feedback – wel voorstander van formatieve toetsen, voortgangstoetsen – play bevorderd motivatie – moeten we massaal gamen – nee – maar wat maakt game aantrekkelijk
  • gebruikersvriendelijkheid

Houd daarbij in gedachten dat:

  1. mensen/studenten gebruiken de eigen meegebrachte technologie
  2. social media met eigenschappen in relatie tot gebruik – eigenschappen die appelleren aan groot aantal factoren die eerder zijn genoemd
  3. server based computing – centraal beheerde en geïnstalleerde applicaties, gepersonaliseerde werkomgeving (mac, windows, linus, eigen applicaties) – voor lerenden en docenten werkt dit motiverend, ICT beheer is niet perse meer nodig – binnen beheersomgeving gebruik maken van de technologie

Wilfred eindigde met een bijzonder mooi initiatief.

EenTweeTien Documentaire from Jeroen Diks on Vimeo.

Op de website www.eentweetien.nl vind je meer informatie.

(registratie/filmpje)

Pierre Gorissen – meten is weten

Ik had even gemist dat Pierre aan het promoveren is en in deze sessie werd ik in drie kwartier bijgepraat.

In het kort – de resultaten van een onderzoek onder studenten:

  • studenten kijken thuis
  • technische problemen zijn er soms wel maar niet prominent in de antwoorden
  • studenten weten de opnames te vinden
  • studenten willen dat de opnames blijven en bij voorkeur voor alle vakken

23% kijkt nooit
21% kijkt minder dan 5 x

Waarom  studenten wel kijken:

  • inhalen gemist college
  • voorbereiden voor tentamen
  • verbeteren tentamenresultaten
  • verbeteren onthouden van de stof
  • verduidelijken van het materiaal

Waarom  studenten niet kijken:

  • al naar college geweest
  • geen tijd
  • hebben niet het gevoel iets gemist te hebben

68% kijkt ¾ van de opname

H.P Stuive / het gebruik van next generation e-readers en ipads in het hoger onderwijs

En wat ging meneer Stuive de mist in toen hij een productpresentatie van een idee dat hij zelf in de markt zet.

Als je achteraf zijn presentatie bekijkt dan is het geen slechte.

Maar de spreker maakte geen vrienden toen hij zei dat studenten voor onderwijscontent moeten betalen, dat bibliotheken onhandig zijn (wist hij wel dat zij vaak het materiaal al in huis hebben en dat studenten er dus niet voor hoeven te betalen) en dat je met een laptop niet in de trein gaat zitten (maar met een iPad wel).
Ik heb het niet afgewacht en ben weggegaan. Had beter een andere sessie kunnen kiezen.

Michiel Muller / oprichter route mobiel

Wat een feest om tijdens de laatste sessie van de dag te mogen luisteren naar Michiel Muller. De oprichter van Route Mobiel gaf ons een kijkje in dit bedrijf en wat zij er aan hebben gedaan om ANWB-leden te trekken. De voorbeelden waren grappig, interessant en leerzaam.

Hoe zij de creatiespiraal van Marinus Knoope hebben gebruikt en alle fasen hebben doorlopen.

De wens was:

  • een alternatief bieden voor ANWB
  • zonder hoge investeringen (gebruik bestaand netwerk, landelijke en internationale dekking)
  • met de beste partners
  • en uitbestede operaties

Verbeelden:

  • publiek kunnen overtuigen dat alternatief bestaat
  • prikkelend en confronterend
  • effectief

Geloven & uiten

  • 4 miljoen anwb leden
  • recessie
  • sleeping giant
  • tango ervaring
  • intuïtie (laatste 20% is gewoon een gok)

Onderzoeken en plannen

  • marktonderzoek
  • marketing plan
  • communicatieplan
  • pr plan
  • financiering
  • operaties

Conclusie:

De samenwerking is cruciaal geweest – je hoeft niet alles zelf te doen. Ideeën van buiten de organisatie binnen brengen, stap over not invented here en ideeën van binnen naar buiten brengen en een ander het laten doen.

(registratie/filmpje staat helaas niet online)

Je kent het wel. Het bedrijf waar je werkt zit op punt A en iedereen draait rondjes om dit punt. Er zijn collega’s die veel mogelijkheden zien buiten punt A maar die worden belemmerd door het systeem om hier iets mee te doen. Totdat iemand gewoon besluit om naar punt B te gaan. Ook al is dit niet altijd even succesvol. Je hebt vanaf punt B wel weer meer mogelijkheden. Zo zie je ineens punt C, die je niet zag vanaf punt A.  Dus, innoveer, doe om verder te komen, open nieuwe perspectieven door los te laten en gewoon te gaan.

Er zijn video’s van een aantal van bovenstaande sprekers, die vind je hier. En de presentaties van alle sprekers van dag 1 staan op slideshare.

Expertiseseminar Grensverleggend samenwerken

Vanmiddag was ik bij SURFnet voor het Expertiseseminar Grensverleggend samenwerken, stand van zaken en toekomstbeeld. In de aankondiging stond het volgende:

Enkele instellingen vertellen over hun eigen uitdagingen om ICT-voorzieningen aan te bieden voor studenten en medewerkers, waarbij de bronnen en applicaties niet alleen vanuit de instelling maar ook vanuit diverse externe leveranciers komen.

Daarnaast presenteert SURFnet de voortgang van het innovatieve project Collaboration Infrastructure (COIN) die een instellingsoverstijgende infrastructuur voor samenwerking in het hoger onderwijs beoogt. Op deze samenwerkingsinfrastructuur, gebaseerd op open standaarden, kunnen samenwerkingsdiensten worden aangeboden, gedeeld en gebruikt.

Ik was vooral erg geinteresseerd in het verhaal van Bert Kremer van ArtEZ maar eerst vertelde Andres Steijaert  iets over SURFnet en hoe zij aankijken tegen samenwerking. De opmerking – online samenwerking van monolitisch naar modulair is mij bijgebleven.

Hierna kwam Fred Gaasendam – informatiemanager dienst ICT van de Tu Eindhoven aan het woord. Hij vertelde over hun DLWO-project waarbij hij vanaf fase 2 bij betrokken is. Om met een DLWO te beginnen werd eigenlijk gepushed door de komst van de 3TU-federatie. Voor studenten moest doorstroom van de ene TU naar de andere TU gemakkelijk zijn. Maar ook waren er vier verschillende systemen waar de studenten van de TUE op in moesten loggen. Single logon was wenselijk.

– processen houden zich niet aan systeemgrenzen
– student moet iedere keer inloggen en uitloggen
– informatie is niet overal gelijk en actueel

En dus waren er wensen:

– uitwisseling van informatie in 3tu verband
– single logon
– gegevens actueel en real time
– gepersonaliseerde informatievoorziening
– 1 userinterface
– eenvoudige uitbreiding voor toekomstige functionaliteit

Het project is onderverdeeld in vier fasen:
Fase 1: single logon = portal
Fase 2: geintegreerde omgeving met toegang tot 4 onderliggende systemen
Fase 3: toevoegen functionaliteit uit oude interfaces, verbeteringen, toevoegen nieuwe functionaliteit
Fase 4: toeoegen nieuwe bronsysteem en nieuwe zoeksysteem (is even opzij gezet en wordt misschien later nog opgepakt)

In de nieuwe omgeving zijn een aantal uitgangspunten:
– gebruiker staat centraal
– SOA is het enige uitgangspunt
– gebruik van algemeen erkende standaarden
– meerder afdelingen met een aandachtsgebied DLWO
– geen synchronisaties meer nodig (uitfasering)

Met een DLWO dat is opgebouwd uit drie lagen:
GUI
Service Bus
Legacies

Waarbij de uitwisseling tussen de TU’s op Service Bus niveau plaatsvindt.

Gaasendam vertelde verder over de uitdagingen die zij tegen zijn gekomen:
– afdelingen die apart werkten moeten nu onder regie werken (moeten onder architectuur werken)
– keuzes uit het verleden staan ter discussie
– belevingswerelden synchroniseren (OTAP)
– bewustwording onderlinge afhankelijkheden, afdelingen en diensten (geen eilanden)
– een communicatiemiddel (de ESB)
– contracten voor iedere applicatielaag
– methodisch testen op elk niveau
– patches en migraties moeten worden afgestemd met meer systeem eigenaren

In het proces moest men wennen aan elkaar en werden culturele verschillen tussen afdelingen zichtbaar. De TUE heeft deze verschillen niet bestreden maar naar de sterke kanten van elkaar gezocht. Ook is het besef dat programmeurs hun eigen systeem moesten inleveren iets geweest wat aandacht vroeg.

Momenteel is het project in de eindfase gekomen en wordt het aan het einde van het jaar afgerond.

Gaasendam geeft ons nog een aantal tips:
– creeer commitment bij systeemeigenaren en belanghebbenden (van te voren doen!)
– zorg dat nieuwe beheerorganisatie staat zodra de bouw begint
– begin klein en doe geen nieuwe dingen, de oude dingen zijn al moeilijk genoeg, het hoeft ook niet ineens (SOA)
– afstemmen, afstemmen, afstemmen!!
– SOA is net een huwelijk, kies de juiste partner(s)
– de voordelen van SOA komen later, qua investering alsook qua functionaliteit

Hierna vertelde Bert Kremer (hoofd ICT van ArtEZ) over hoe zij Sharepoint inzetten. ArtEZ is een Hogeschool voor de Kunsten met 3000 studenten en 860 medewerkers. Zij hebben ervoor gekozen om een website (www.artez.nl) aan te bieden waar studenten en docenten inloggen om in de digitale leeromgeving te komen. Binnen deze omgeving kunnen zij kiezen uit zes componenten:

– studenten portfolio (student blogt over voortgang)
– leeromgeving – primaire communicatieplatform voor onderwijsproces (studiemateriaal, proefopdrachten)
– digoport III (digitaal en kwaliteits instrument)
– student network (onofficiele informatie van studenten onderling)
– teamsites
– ArtEZ organisatie (voorheen intranet)

Het systeem is puur functioneel, je wisselt informatie uit, het is dus niet mooi in de vormgeving maar puur functioneel.

Deze zes componenten zijn allemaal apart geïnstalleerd (aparte instances) zodat als een systeem uitvalt de rest het gewoon nog doet.

Het afgelopen jaar hebben zij geëxperimenteerd met WordPress en Sharepoint voor de studentenportfolios.
– sharepoint ziet er saai uit, inhoud boven vorm, werkt wel efficient voor docent, sjablonen van te voren te definieren
– wordpress veel grafische vrijheid, student heeft beheerrechten, navigatie voor docent is lastiger, vaste onderelen niet af te dwingen
De docent gaf aan dat voor hem Sharepoint beter werkte en dus zijn zij gestopt met WordPress.

Wat interessant was maar los stond van het onderwerp is dat de communicatieafdeling van ArtEZ alle tweets waar ArtEZ in staat op de teamsite zien verschijnen.

Als laatste spreker vanmiddag vertelde Frank Pinxt iets over COIN. De vorige keer hoorde ik hier al over en heb ik er ook over geschreven. Tijdens de relatiedagen die in december plaatsvinden zal de eerste versie van COIN worden gelanceerd. Wij kregen al even een voorproefje.

Innovatieregeling Hoger Onderwijs – de projecten

Voor de zomervakantie kon het Hoger Onderwijs projectvoorstellen indienen voor de Innovatieregeling van SURFnet/Kennisnet. De voorstellen moesten voldoen aan een aantal eisen:

  • de innovatiekracht van het hoger onderwijs versterken;
  • onderwijskundig relevante problemen trachten op te lossen;
  • activiteiten omvatten die gebruik van één van de thema’s stimuleren.

De thema’s waren Weblectures, Serious Gaming of Mobiel Leren.

Binnen de Innovatieregeling zijn in totaal 35 projectvoorstellen ingediend: 11 binnen het thema Mobiel Leren, 11 binnen Serious Gaming en 13 voor Weblectures. In totaal zijn 15 voorstellen gehonoreerd; 5 binnen elk thema.

Momenteel worden de projecten uitgevoerd en kun je op de website www.innovatieregeling.nl lezen over de voortgang. Door middel van blogpost laten de deelnemers weten hoe het gaat, tegen welke problemen zij aanlopen en welke oplossingen hiervoor worden bedacht.

30 november worden de projecten afgerond en op 16 december zal er een slotbijeenkomst plaatsvinden. Op de website kan ik niet vinden of deze slotbijeenkomst open staat voor buitenstaanders. Ik hoop het wel want er zitten leuke projecten bij waar ik graag meer over zou willen weten.

Educause 2010 – Purdue University met Hotseat

De sessie Classroom engagement in the age of cell phones and social media van Hans Aagard en Kyle Bowen van Purdue University was een van de interessantste sessies van het congres.

Bowen begon te vertellen over twee jonge Australische meisjes die verdwaald waren in een tunnel. Zij hadden hun mobiele telefoon bij zich. Bowen geeft mogelijke oplossingen van hoe de meisjes deze telefoon konden gebruiken. Zij kunnen hun facebook status aanpassen, of een tweet plaatsen met een geotag, of met google maps aangeven waar zij zijn, maar beter is om op foursquare de locatie door te geven omdat zij dan meteen mayor worden. Wat de meisjes deden was aandacht vragen via de sociale netwerken, ervan uitgaande dat hun vrienden de politie wel waarschuwden. En dat gebeurde ook. Ze gebruikten de telefoon dus niet on zelf te bellen.

Deze anekdote geeft meteen mooi weer waarom Bowen en Aagard social media willen inzetten om de betrokkenheid van studenten in de les te vergroten.
Docenten willen graag dat studenten hun mobiele telefoon op laptop uitzetten in de les. Bowen spreekt over de Cone of Distraction, de kegel om een persoon heen op het moment dat hij met een mobiel of laptop bezig is. De docent kan deze persoon dan niet langer bereiken en weet dat hij met andere zaken bezig is dan het onderwijs dat op dat moment wordt gegeven.

Bowen en Aagard deden onderzoek naar de uitdagingen die zij zagen om dit probleem op te lossen.

Zo is er de technology challenge:

  • long tail – Chris Anderson
  • run what you brung – als het een signaal heeft moet je het gebruiken
  • hotseat – op website en via sms

De access challenge:

  • niet nog een support probleem creëren , one source of information in your choice of access
  • dus hotseat in twitter, text, facebook, website

In de zaal waren op dat moment weinig mensen die wisten wat Hotseat is. Ik was een van hen. Hotseat is een systeem waar je online een vraag kan stellen, anderen kunnen hierop reageren of een vote uitbrengen. De docent ziet de vragen binnen komen en kan hierop inspelen. Het lijkt op twitter maar is net anders. De vragen kunnen binnenkomen op verschillende manieren en studenten kunnen zich aanmelden via hun Purdue account, via Facebook of Twitter. Ook is het mogelijk om anoniem een vraag te stellen maar ook al verschijnt deze dan anoniem op de website – de mensen van Purdue weten altijd wie het zijn.

En dan heb je nog de social challenge:

  • the creepy treehouse, studenten zijn in onaangename positie, als docent vrienden wil worden op facebook bijvoorbeeld of als het onderwerp van de les sexualiteit is
  • Anonymity versus accountability – studenten willen vragen stellen door anoniem te blijven
  • Studenten kunnen anoniem posten – binnen hotseat

Dat anoniem vragen stellen gebeurd ongeveer met de helft van de vragen. Soms stelt een student een vraag anoniem om de volgende vraag weer met naam te stellen.

En als laatste dan de assessment challenge:

  • data turns fun into fundamental – het Purdue account wordt gekoppeld aan facebook en twitter dus als zij via die kanalen een vraag stellen dan weet Purdue wie ze zijn.

Tijdens de sessie konden de luisteraars in de zaal met Hotseat spelen via http://purdue.edu/hotseats/open (link werkt inmiddels niet meer!)

Via Google kon ik inloggen en ook in een veld mijn twitternaam doorgeven. Ik kon posten, voten en replyen. Binnen enkele minuten kwamen er al veel vragen en opmerkingen binnen.

Purdue gebruikt Hotseat in grote klaslokalen. Daar waar actief leren bijna onmogelijk is en de docent toch graag interactie wil. Omdat studenten in deze setting elkaar niet kennen vertonen zij vaak onacceptabel gedrag, zoals het lezen van een krant of dingen opzoeken op internet. De docent kan toch niet iedereen een vraag stellen dus ben je als student veilig. De docent doet zijn ding en de student doet er alles aan om de docent niet te storen. Maar de studenten verwachten wel entertainment. Het doel is dan om Hotseat in te zetten en het gevoel te geven dat je als studenten 1:1 met de docent in gesprek bent. Je weet dat grote lokalen niet weggaan omdat ze handig zijn en vooral goedkoop zijn.

Hotseat is een community building tool. Een docent kan een vraag stellen om te zien of de stof is begrepen en studenten kunnen vragen stellen als zij iets niet begrijpen. Meetbare uitkomsten zijn moeilijk te geven. De motivatie van de studenten gaat omhoog, maar zijn zij meer betrokken? Duidelijk is wel dat studenten de tool graag gebruiken.

Wil je de code van Hotseat kopen dan kan dat. Kosten: ongeveer 2000 dollar.

Educause 2010 – David Cearley over Cloud Computing

Vandaag was ik bij een sessie van David Cearley (Gartner) over Cloud Computing. Hij begon meteen goed toen hij meldde dat Cloud Computing een hype is, iedereen heeft het erover en iedereen wil er iets mee. In de Gartner Hype Cycle is Cloud Computing op zijn hoogtepunt en zal binnen nu en twee jaar over deze piek gaan en heel diep vallen.

Maar wat wil je je van Cloud Computing herinneren of gebruiken als de hype over is?

In een paar vragen geeft Cearley een outline van zijn presentatie:

  • what is cloud computing, and how does it differ from what we have been doing for the last 40 years – can you say timesharing
  • what are its risks and challenges, and what are the ideal targets and best practices for using it – does it matter, is it safe
  • what long-term impact will it have on the market and vendors – who wins?

Cloud Computing is geen nieuw fenomeen maar onderdeel van een groeiend model. De ontwikkelingen op onder andere het web zoals web 2.0, mashups, subsidized applications, googleplex, web platforms, global-class consumer apllications, saas, data center design, virtualization, automated provisioning, real time infrastructure, grid en utility models zorgen voor de ontwikkeling van Cloud Computing.

Cloud Computing bestaat door ontwikkelingen uit het verleden.

Voor Gartner is Cloud Computing:

a style of computing where scalable and elastic it-related capabilities are provided “as a service” to customers using internet technologies.

Cloud Computing kun je op verschillende manieren inzetten, bijvoorbeeld door het aanbieden van services voor consumenten, cloud omgevingen binnen bedrijven, of door het ontwikkelen van cloud gebaseerde apllicaties en oplossingen. Cearley geeft de tip om te focussen op de services in plaats van op de hard- en software.

Nadat Cearley het begrip Cloud Computing had uitgelegd ging hij in op de verschillende modellen die er bestaan. Hij benoemde:

  • infrastructure as a service
  • platform as a service
  • software as a service
  • information services
  • business services

Als je deze modellen bij elkaar gebruikt heb je een mooi palet om oplossingen mee te bouwen.

Daarnaast zijn er delivery models die gaan van private cloud computing (closed private) tot aan open public.

Closed private:
implementing a cloud service
manage the implementation
may be outsourced or delivered as a managed service

Open public:
consuming a cloud service
no hardware, sw or datacenters
manage the service
may use brokers to facilitate use of or add value to the service

Tussen deze twee extremen zijn er vijf andere modellen zoals aan de open kant:

  • public cloud – bijvoorbeeld Amazon
  • community cloud – voor groepen zoals het onderwijs waar alleen bepaalde groepen bij de content mogen
  • exclusive cloud – dedicated hardware resources for different users. Dus verschillende onderwijsinstellingen die aan elkaar gekoppeld worden.

En aan de gesloten kant:

  • packaged private cloud
  • custom private cloud

Volgens Cearley is de Public Cloud hoopgevend, er is veel aandacht voor alhoewel IT-afdelingen hier bang voor zijn. De Packaged Private Cloud en de Exclusive Cloud krijgen steeds meer aandacht, de IT-afdelingen worden hierdoor aangetrokken maar er is nog weinig onderzoek naar gedaan. Cearley noemt deze variant de business sweet spot.

Cearley noemt nog wat voor- en nadelen van Cloud Computing:

  • Agility – reduce time to market
  • on demand delivery and user self-service
  • temporary or volatile workloads
  • rapid development and deployment
  • cost – capital and operational
  • reduce operational complexity
  • leverage provider innovation
  • new busness solutions

Nadelen of problemen die zullen blijven bestaan:

  • security and compliance
  • transparancy and control
  • service assurance
  • integration and portabiliteit across the cloud
  • software licensing issues

Dus – ook al is het een hype en ook al wil iedereen er tegenwoordig iets mee, kun je er niet omheen dat er ook goede dingen inzitten. Waar moet je op letten als je Cloud Computing wil implementeren.

1. doe een business impact analysis (denk ook aan timing en scope – wanneer levert het iets op)
2. wat heeft het bedrijf nodig, identify opportunities and constraints
3. evaluate impact by use case or workload
4. bepaal de kosten en impact op de organisatie
5. onderzoek best practices
6. betrek verschillende partijen bij het vooronderzoek zoals procurement, financien, legal, etc.
7. bepaal van te voren de strategie (exit, extension, migration, integration, interop)

Als laatste ging Cearley in op de bedrijven die nu al iets doen met Cloud Computing zoals Microsoft, Google, IBM, Oracle, Amazon, SAP, Cisco, etc. Allemaal doen zij iets anders, de een zit meer aan de provider kant en de ander aan de enabler kant. Vraag je af, doen ze aan IAAS, PAAS of SAAS. Bieden zij public services aan of zijn het exclusive services. Gebruik deze informatie als je met aanbieders praat.

Select vendors that demonstrate a grasp of the new reality and a willingness to embrace it.

Tot slot:

  1. strategy: how are you approaching cloud computing
  2. governance – when, where, why and how will you consume public, community or private cloud services?
  3. security and compliance – what can be done to realistically access risk and mitigate the security, regulatory and compliance challenges
  4. aplication development: do you have a cloud application strategy
  5. infrastructure and operations: to what extent do cloud models drive design of your next-generation data centers?

Werkbezoek Gebouw X Zwolle en De Nieuwe Bibliotheek Almere

Gebouw X – Hogeschool Windesheim

Gistermorgen vertrok ik al vroeg met collega Wilma naar Zwolle om een bezoek te brengen aan Gebouw X van de Hogeschool Windesheim (architect Broekbakema uit Rotterdam). Dit nieuwe onderwijsgebouw voor de School of Business & Economics en de School of Media is een half jaar geleden opgeleverd (de officiële opening was op 2 juni)  en wij waren erg nieuwsgierig naar nieuwe snufjes en innovatieve oplossingen die zij misschien hadden bedacht. Van te voren heb ik eigenlijk weinig voorwerk gedaan. Ik heb het adres opgezegd maar daar bleef het wel bij. Ik wilde me laten verrassen.

Met Bart Oelen van Ahrend hadden wij afgesproken in de lobby van gebouw X. Als je de campus van Windesheim oploopt ga je eigenlijk automatisch het hoofdgebouw binnen. Dat dit niet gebouw X is kwamen wij al snel achter. Nu was er gister ook een cradle to cradle cafe van onder andere Ahrend dus de verwarring was groot. Waar moesten wij nu precies zijn…. We gingen van het hoofdgebouw naar gebouw X, vonden geen man in pak dus wilden alweer terug lopen. Maar eerst naar het toilet.

Nu is een bezoek aan een toilet normaal gesproken niet zo heel interessant maar in dit geval wel. Er hing een poster met afbeeldingen van hoe te gaan zitten en waar het wc-papier te deponeren. Moest ik in de vroege ochtend nog nadenken ook. Dit alles heeft te maken met hoe alles wat je achterlaat wordt gescheiden om zo het milieu te sparen. Een goed idee, maar werkt het ook? In mijn geval spoelde het wc-papier niet goed door dus moest ik twee keer spoelen. Niet echt een besparing van water. En ik zag ook niet waar alles bleef. Ik vertrouw er dus maar op dat het goed is gegaan.

Toen wij terug kwamen in de lobby zagen we wel een man in pak en dat bleek gelukkig Bart te zijn. De rondleiding kon beginnen. Op de website van Windesheim staat het volgende over gebouw X:

Het nieuwe gebouw telt vijf verdiepingen en bestaat uit twee delen. De verschillende vleugels van het gebouw liggen ‘split level’ ten opzichte van elkaar en worden verbonden door loopbruggen. Hiermee wordt openheid gecreëerd. Ook de transparante gevel van polyester elementen draagt daaraan bij. Van buiten zie je wat er zich binnen afspeelt. Naast de diverse collegezalen, leslokalen en kantoorruimtes komen er in het gebouw een tv- en radiostudio, studielandschap en een restaurant. Ook krijgt het nieuwe gebouw, net als het entreegebouw, een groot atrium.

In dit gebouw speelt zichtbaarheid en transparantie een grote rol. Dus veel ramen en doorkijkjes.

En dat begint al op het moment dat je binnenkomt. Er staan in de lobby en de gangen eromheen veel picknicktafels met stroompunten. Ook zijn er verschillende ronde elementen die in grootte verschillen en waar je op kan zitten en die je kan verplaatsen zodat je ze als tafeltje kan gebruiken. Dit gebeurd ook vaak. Studenten komen hier samen om te studeren maar ook om te kletsen of een spelletje te spelen. De lampjes die je op de foto zien hangen er soms verloren bij als de tafel die eronder hoort te staan verplaatst is. Maar dat is wat studenten doen, zij creëren een ruimte die voor hen het beste werkt.

Vanuit de lobby loopt je door een gang met onderwijszalen aan de ene kant en de parkeergarage aan de andere kant naar het – wat voelt als – hoofdgebouw.

Het is hier druk. Veel studenten die op verschillende plekken aan het studeren, samenwerken, kletsen of lunchen zijn. Op het niveau waar je het gebouw binnenkomt staan lange tafels met in het midden bomen. Deze zijn verplaatsbaar. Er is een grote videowall maar de beeldschermen stonden uit toen wij er waren. Er hangt een gezellige sfeer ook al is de ruimte enorm en op momenten overweldigend. Je weet als je voor het eerst binnenkomt niet zo snel waar je naartoe moet. Nu ik er zo over nadenk heb ik geen bewegwijzering gezien. Blijkbaar is het gebouw voor de gebruikers duidelijk genoeg.

Als je door het gebouw loopt zie je verschillende soorten studieplekken. Zoals deze groepswerkplek waar je met 10 mensen verscholen achter roomdividers kan werken.

De voorkant van de roomdividers hadden plekken moeten zijn om posters op te hangen en om aan te zitten. Omdat er geen stoelen staan gaan studenten op de bladen zitten en zakken deze door. Ook ziet het er rommelig uit als er niet zoveel posters hangen. Dit is een van de ideeën die in de praktijk anders uitpakt. Hier gaan ze dus iets anders voor verzinnen.

Deze eerste groepswerkplek bevindt zich nog in de open ruimte op de begane grond. In de etages erboven zijn ook groepswerkplekken te vinden die qua uitstraling en sfeer meer als een huiskamer aanvoelen.

Voor de docenten hebben ze ook van deze ruimtes gemaakt.

De kleuren die in het gebouw zijn gebruikt zijn groen, blauw en rood/roze. Daarnaast zie je heel veel wit en zwart.

Wat mij is opgevallen:

  • het gebouw wordt erg goed gebruikt, het is druk, er hangt een goede sfeer
  • als je geen prullenbakken neerzet worden snoeppapiertjes en blikjes drinken gewoon neergezet waar de student op dat moment heeft gezeten, staat er wel een bank, dan wordt daar het afval achtergelaten
  • na een half jaar gebruik ziet het gebouw er op bepaalde punten al vies uit, zoals een witte trap die wij als eerste zagen. Wilma zegt niet voor niets altijd – wit wordt zwart. Dat was in dit geval zeker zo. Nu vroegen wij ons toch al af of er was bezuinigd op het schoonmaakbudget, maar dat terzijde.
  • studenten- en docentenruimtes vloeien mooi in elkaar over. Het is dat er kleine bordjes hangen bij de docentenruimtes zodat je het weet. Maar alles past goed bij elkaar. De kantoren zijn ook goed geïntegreerd in het geheel.
  • we hebben weinig onderwijsvernieuwing gezien, ook weinig innovatieve snufjes die gebruikt kunnen worden in het onderwijs. Er hangen smartboards maar er zijn ook nog veel whiteboards te vinden. Al met al kwam het op mij als een traditionele inrichting over. Nu is dat niet erg, maar het viel mij wel op.
  • al met al een mooi gebouw dat goed wordt gebruikt. Kleine dingetjes die opvallen maar die vast nog worden opgepakt en verbeterd. Meest bijzondere waren toch wel de toiletten.

De Nieuwe Bibliotheek – Almere

De volgende stop op ons lijstje was de Nieuwe Bibliotheek in Almere. En ook hier was het druk, erg druk, heel erg druk. Misschien had het te maken met de markt of het feit dat wij daar op woensdagmiddag waren of dat het kinderboekenweek is maar wat een hoop mensen. Goed om te zien dat de bibliotheek een plek is waar de mensen van Almere graag komen.

We hadden hier geen afspraak voor een rondleiding dus liepen we zelf een beetje door het gebouw.

Wat viel op:

  • er staan heel veel kasten vol met boeken. Sommigen zijn frontaal gepresenteerd maar wat een beeld. Je weet als gebruiker bijna niet waar je moet kijken, kasten en tafels vol boeken. Het verleiden om iets mee te nemen wordt overschaduwd door de enorme hoeveelheid. Naar mijn idee wordt het er niet overzichtelijker op.
  • de kasten lijken een soort bankje te hebben waar je op kan zitten terwijl je in een boek kijkt. Deze bankjes liggen vol boeken. Bij navraag zijn het dus geen bankjes en het is ook niet de bedoeling dat je hier op gaat staan. De plankjes zijn voor de boeken.
  • er zijn weinig plekken om te zitten.
  • de medewerkers van de bibliotheek dragen bedrijfskleding. Ik vond het mooi, subtiel geborduurde tekst op de broeken, een t-shirt, een polo of een jasje. Natuurlijk vroegen wij aan de medewerkers of het bevalt. Zij vinden het fijn dat zij kunnen kiezen wat ze dragen. De dames achter de informatiebalie in de hal droegen deze bedrijfskleding niet. Wij hebben niet nagevraagd waarom maar er zal vast een goede reden voor zijn.
  • toen wij ons rondje gedaan hadden kwamen we tot de conclusie dat wij het café hadden gemist. We gingen op zoek en vonden het op de tweede etage. Zeker een mooi uitzicht. Op de terugweg hebben we hierover gesproken. Was de locatie nu wat ons betreft de beste plek in het gebouw? Wij denken van niet. Sommige mensen stappen niet snel een bibliotheek in. Als je nu de bibliotheek inkomt draait het om boeken. Dat kan afschrikken. Als je het café op de begane grond zou plaatsen verleidt je mensen om een kop koffie te drinken, die boeken komen dan vanzelf wel. Ook is ontmoeten belangrijk in een bibliotheek. Als je moet zoeken naar een plek om gezellig even samen te zitten met een kop koffie dan is de kans op ontmoeten erg klein.
  • de beveiliger die een bezoeker helpt met het RFID apparaat.
  • nu is het gemakkelijk om de dingen op te schrijven die misschien niet zo positief zijn en die wij wellicht anders hadden gedaan. Gezegd moet worden dat het een grote bibliotheek is, een bijzonder ingericht gebouw dat zeker gistermiddag vol was met mensen. En dat is gewoon mooi om te zien.

Meer foto’s van deze twee werkbezoeken zijn te vinden op Flickr.

Het verslag van Wilma vind je hier.

Apple seminar – Mobile Learning in Higher Education

Vanmorgen was ik in Amsterdam bij Apple om een seminar bij te wonen over mobile learning. In twee lezingen van een en dezelfde spreker werd ingegaan op het onderwerp. In de aankondiging stond het volgende:

Literacies: How Technologies Shape Teaching and Learning
Almost six centuries ago, when Gutenberg’s press first made printed information widely available, the world saw an explosion of creativity. Educational, political, and religious institutions were radically transformed as those who had once been excluded gained access and found new opportunities to participate. The resulting transformation unleashed the waves of invention that created the modern world. Unfortunately, some of that creativity has gone stale, and mechanisms have developed that once again leave many feeling alienated, disengaged, and overwhelmed… Yet a new generation of mobile technologies is emerging to reenergize the system. The first true digital books—books that are location-aware, media-rich, broadly-interlinked, and socially-connected—are just on the horizon, offering a new kind of access that could be just as disruptive and transformative as Gutenberg’s revolution. This presentation will explore the historical trajectory, describe some of the ways that books are metamorphosing, and consider the creative possibilities offered by the new age of information.

How to Envision (and Realize!) What’s Next for Your School
It’s often not really that difficult to develop a vision for using technology in education. However, getting faculty, technologists, administrators, and students to share that vision can be extraordinarily difficult. This problem is made worse by the fact that, in many cases, these groups simply don’t talk to one another, and the language they use about learning and technology is rarely the same. As you consider deploying or furthering new technology initiatives at your own institutions, it may be helpful to hear some of the ways one school worked to overcome the internal and external barriers as they developed a campus-wide mobility initiative based on the iPhone and iPod touch. This session will offer both a historical overview of Abilene Christian University’s Connected mobile initiative and will offer some practical steps for those wishing to develop a vision and realize it.

Nu heb ik vorig jaar tijdens Educause ook sprekers van Abilene Christian University gehoord en toen was ik erg onder de indruk van het project waarbij zij aan alle studenten iPhone’s en iPods uitdeelden.

Maar terug naar vandaag. Bill Rankin van ACU gaf vandaag twee presentaties. De eerste was een inleiding op ons tijdperk en hoe technologie daarin een rol speelt. Maar om over ons tijdperk te kunnen praten moeten we eerste kijken naar wat er in de geschiedenis heeft plaatsgevonden en wat de rol van technologie daarbinnen is geweest. Technologie is succesvol als het een probleem oplost, maar veelal wordt er tegelijkertijd een nieuwe cultuur ontwikkeld en worden er nieuwe problemen zichtbaar.
Rankin noemde als voorbeeld de technolgiecyclus (als ik goed heb van Marshall McLuhan):
innovating – building – solidifying – destabilising – innovating
Veelal bevinden opleidingen zich bij destabilising en studenten bij innovating.

Rankin neemt ons mee en legt uit welke gereedschappen wij hebben als het gaat om leren en hoe die de cultuur kunnen veranderen.

Het handen tijdperk

De middeleeuwen – is een tijdperk van handen. Handen maken informatie en degene die de informatie bezit geeft het met de hand over aan een ander. Locus (de plaats) is belangrijk.

Rankin geeft het voorbeeld van de scroll versus de codex, waarom heeft deze overgang eigenlijk plaatsgevonden? Dit was met name omdat de scroll een lineair product is. Een codex of een boek is een technologie waar je random toegang tot hebt. Daarnaast vereist een scroll een tafel, het is dus een device die om een bepaalde situatie vraagt. Een boek daarentegen is portable. En als je er goed over nadenkt dus een mobiel device. In de 3e eeuw was er vraag naar informatie die niet plaatsgebonden was. Mensen wilden informatie daar waar zij waren. En dus werd er technologie ontwikkeld die dat mogelijk maakte, het boek.
De afbeeldingen in een boek zijn, als je er verder over nadenkt, eigenlijk multimedia. Het voorbeeld dat wordt getoond is een afbeelding in een boek van datzelfde boek, een soort augmented reality, meent Rankins.
Het primaire doel van docenten is om anderen iets te leren. Als ik van mensen iets wil leren in dit tijdperk moet ik bij die mensen in de buurt zijn of de mogelijkheid hebben om te reizen. Een boek is iets wat je niet bij je hebt, je moet naar mensen toegaan die boeken bezitten. In dit tijdperk kunnen weinig mensen produceren en consumeren. Veel mensen kunnen niet participeren. Er worden dus veel mensen overgeslagen als het gaat om onderwijs en toegang tot informatie.
Het model van universiteiten in die tijd was een model van leerlingen die bij een docent wonen. De waardevolle context, het van hand naar hand overgaan van informatie is heel dichtbij. De relatie docent – student is heel hecht. De docent is een guide. Je herhaalt dingen totdat je het snapt. Als het niet goed gaat doe je het opnieuw. Niet iedereen leert hetzelfde en niet iedereen is even snel, maar dat is geen probleem.

Het zoeken naar informatie tijdperk

Het probleem is de toegang tot informatie die beperkt is. Gutenberg lost dit probleem op met de boekdrukkunst. Het geprinte boek is een gemechaniseerd en gestandaardiseerd iets. Je kan bibliotheken van boeken bouwen. Tot die tijd hadden bibliotheken misschien 100 boeken in de collectie. Nu kan de bibliotheek groeien.

En dit zorgt meteen voor een nieuw probleem. Als er zoveel informatie voorhanden is, hoe weet ik dan waar die informatie te vinden is. En dus wordt er iets ontwikkelt dat mij helpt bij het zoeken van informatie, het classificatiesysteem. In de tijd van de kaartenbak moest je eerst de onderwerpscode van een onderwerp zien te achterhalen, daarna ging je zoeken in de kaartenbak, vervolgens liep je naar de kast en vond je een boek. Nog steeds had je de informatie niet te pakken. Die vond je pas als je de juiste pagina had gevonden.

Rankin legt uit. In deze tijd zijn docenten primair de toegangverschaffers tot informatie, met de student als ontvanger. Er wordt in deze tijd veel aandacht besteed aan classificatie en catalogiseren. Als je niet weet hoe het werkt dan ben je nergens. In deze tijd is er ook veel aandacht voor het uit je hoofd leren van data, alleen al omdat je op deze manier sneller informatie kan vinden omdat het context geeft. Repetitie is het eerste dat je doet, de analyse komt daarna. Omdat iedereen hetzelfde boek gebruikt kan een docent zeggen, sla open op pagina 37. Iedereen is gelijk. En daarmee komt ook het besef dat mensen gelijk zijn en dus standaardiseerbaar zijn.

Niet langer speelt de locus een rol maar de nexus. Informatie kan naar mij toekomen vanuit verschillende plaatsen. Veel mensen kunnen participeren en nog meer kunnen creëren maar nog steeds vallen mensen buiten de boot dankzij het nieuwe probleem, het vinden van informatie.

Het tijdperk van de data

En dan komen we in het derde tijdperk. Het tijdperk van de data. In deze tijd worden studenten gezien als machines (Pink Floyd the Wall laten studenten al zien als gestandaardiseerd product). Zo veel mogelijk studenten moeten door een studie gejaagd worden alsof zij allemaal op dezelfde manier studeren en kennis tot zich nemen. Is dit wat wij willen? Marshall McLuhan schrijft dat sommige dingen opvallen terwijl andere dingen naar de achtergrond verdwijnen. Elke nieuwe technologie legt een focus op iets, maar dingen die ook belangrijk zijn verdwijnen naar de achtergrond. Elk medium heeft hiermee zijn eigen ondergang in zich. Zodra het medium omvalt komen nieuwe problemen naar voren. De nieuwe media in dit tijdperk is data. Als je op Google bijvoorbeeld zoekt naar educational technologie krijg je in 0,2 seconden 64 miljoen hits. Dit is teveel informatie, meer dan mensen in hun gehele carrière in zich op kunnen nemen. Je verliest in dit tijdperk minder mensen, maar de wereld wordt er niet minder gecompliceerd op. Het is niet de locus of de nexus die hier belangrijk is maar de matrix. Het probleem in de film is dat je niet weet wat echt is en hetzelfde geldt voor informatie. Als je googled hoe weet je dan wat waar is en wat niet, welke informatie kun je vertrouwen? Dit probleem wordt alleen nog maar groter aangezien de snelheid waarmee informatie wordt toegevoegd toeneemt. Hoe leef je in een wereld die bol staat van de informatie en hoe zorg je ervoor dat je niet in een informatiecrisis belandt?
Als je als docent informatie geeft aan studenten is dat dan handig of maak je het probleem alleen nog maar groter?

Het onderwijs ziet er als volgt uit. Docenten werken met studenten, zij doen het voor en de student doet het na, de content wordt door de docent in de klas gemaakt, de docent geeft de context aan, studenten oefenen net zo lang totdat zij de stof begrijpen. Dit komt overeen met hoe er onderwijs gegeven werd in het eerste tijdperk dat Rankin heeft besproken.

Rankin wil in zijn onderwijs een onderzoekslaboratorium opzetten. Hij wil leren buiten het leslokaal en de iPhone en iPod spelen hierbij een belangrijke rol. Problemen die wij nu hebben is dat wij de connectie van dingen niet zien, Rankin geeft het klimaatprobleem als voorbeeld. Is dat een technologisch, economisch, esthetisch of cultureel probleem? Of is het het allemaal? Hoe krijgen wij die interconnectiviteit weer terug.

Dit tijdperk draait om de survival of the most connected.

Voor docenten heeft mobiel leren het voordeel dat zij niet in het klaslokaal hoeven te blijven. Zij kunnen context geven op een andere manier:

  • real world knowledge
  • service and field based learning
  • challenge based learning
  • hybrid courses emphasizing on site, online and in-class components
  • flexible teaching based on just-in-time student response

Als docent moet je de echte wereld opzoeken, deze niet simuleren, maar gebruiken om problemen op te lossen.

Voor de community heeft deze manier van onderwijs het voordeel dat alle informatie wordt gedeeld, studenten doen echte dingen voor hun omgeving (real world community services).

Rankin doet hier ook echt iets mee. Hij laat studenten informatie meenemen waaromheen hij een les bouwt. Hij bereid niets voor, laat het afhangen van waar studenten mee komen. Hij heeft hierdoor meer tijd om een persoonlijke relatie met zijn studenten op te bouwen. Studenten helpen lesmateriaal maken dus moeten zij het ook beoordelen. Docent en studenten samen maken er iets betekenisvols van. Rankin wilde dit eerst doen met drie groepen uit zijn klas, maar de gehele klas wilde meehelpen. Zij komen zelfs samen terwijl hij er niet bij is. Hij volgt ze dan via een blog en met andere online tools.

De tweede presentatie van Rankin ging voornamelijk over het iPhone/iPod project. Inmiddels hebben alle studenten een device en wordt het veel gebruikt. Zelf hebben zij apps hiervoor gemaakt waar de broncode van te downloaden is. Wat zeker helpt is als oude technologie overboord wordt gegooid, bijvoorbeeld de toegang tot vaste telefoonaansluitingen. Als je collega’s dus verplicht om de nieuwe technologie te gebruiken. Wat ook helpt is om het een experiment te noemen, dan mag je falen, dan mag je fouten maken en hoeft niet iedereen meteen mee te doen. Op een gegeven moment is de peer presure zo groot dat iedereen wel mee wil doen. Begin met de voorlopers die graag willen uitproberen.

Rankin geeft een lijstje van wat nodig is voor succes:

  • ubiquity of devices
  • killing old technologies and inititives
  • redesign of facilities for mobility and collaboration
  • infrastructure to support creation and participation
  • infrastructure for all-the-time everywhere learning
  • bulletproof, pervasive, high-bandwidth networking
  • extension of services and reach beyond campus

Sommige docenten gebruiken nog steeds papieren boeken in het onderwijs maar dat is omdat hiervoor geen goed digitaal alternatief is. Anderen gebruiken alleen YouTube als lesmateriaal.

Rankin heeft vanmorgen in zijn twee presentaties een helder verhaal neergezet waarvan ik hoop dat ik het goed verwoord heb. Meer informatie over het project is te vinden op de website van ACU. Het was zeker de moeite waard om naar Amsterdam af te reizen.

Een puntje van kritiek, niet voor Rankin, maar voor Apple. Het is niet handig als je moet wachten op een groepje voor je naar boven wordt begeleid. Zeker niet als er maar 20 minuten pauze is en je daarvan 10 minuten in de lobby zit te wachten. Die tijd had ik liever besteed aan nieuwe mensen leren kennen en napraten over de eerste sessie van Rankin.