Het 24e ding

Gister was ik samen met Gerard en Jeroen te gast bij een brainstorm over wat te doen na 23 dingen, oftewel wat is het 24e ding. De brainstorm was georganiseerd door Biblioservice Gelderland (Yvonne Sinkeldam) en vond plaats in Elst. Er waren ongeveer 15 mensen uitgenodigd.

Wat mij opviel tijdens het voorstelrondje was dat er veel mediacoaches aanwezig waren (is dit een hype in opleidingenland, wat gaan al die mediacoaches straks allemaal doen, bij de kick-off van het Mediawijsheid Expertisecentrum waren er ook al zoveel aanwezig). Wat ook opviel is dat een mevrouw liet weten een soort van buiten de boot te vallen omdat zij de opleiding nog niet had gedaan. Waarbij ik mij dan afvraag wat leer je nu precies als mediacoach (een onderzoekje dat ik vast nog wel een keer ga doen).

Een paar opmerkingen die ik heb opgeschreven:

  • het kost zoveel tijd om met 23 dingen bezig te zijn
  • is weten wat social software en web 2.0 is voldoende voor medewerkers in de front-office
  • wordt 23 dingen voor de juiste redenen ingezet
  • is er een alternatief voor de term 23 dingen, het zijn zoveel dingen en dat schrikt af
  • sommige deelnemers worden verplicht om mee te doen maar over consequenties als je niet meedoet is nog niet gesproken

De eerste opmerking kwam meerdere keren langs. Gelukkig mochten Gerard en ik ons als laatste voorstellen. Het kost gerust tijd om met nieuwe toepassingen bezig te zijn maar het levert ook veel tijd op, ik zie het dus meer in kansen en mogelijkheden. Ik benadruk graag het positieve in plaats van het negatieve. Als je al begint met het kost veel tijd, hoe overtuig je collega’s dan dat het goed is om aan het programma mee te doen.

Na het voorstelrondje gingen we in groepjes van 3-4 personen brainstormen. Na de brainstorm mocht elk groepje 1 ding uitkiezen die wij wilden uitleggen aan de rest.

  • de digitale en fysieke biblioheek is een samenspel – het is niet tegen elkaar maar met elkaar (naar aanleiding van gemaakte opmerking dat sommige bibliotheekmedewerkers bang zijn voor hun (vaak traditionele) takenpakket als zij nieuwe dingen (moeten) uitproberen)
  • omdat de meeste mensen die aanwezig waren het gevoel hebben dat er na 23 dingen niets gebeurd is het idee geopperd om nieuwe toepassingen te blijven communiceren met de groep die het programma hebben doorlopen. Ik wees de groep op de na 23 dingen wiki waar nog niet iedereen het bestaan van kende.
  • Ook werd het idee gelanceerd om een paar mensen uit de organisatie verantwoordelijk te maken om de ontwikkelingen in de gaten te houden en nieuwe programma’s te lanceren. Daag medewerkers uit om nieuwe dingen/toepassingen voor de bibliotheek te bedenken en schrijf een prijsvraag uit. Ik dacht even door nadat de term ambassadeur werd genoemd. Stel nu dat je medewerkers ambassadeur laat zijn van jouw bibliotheek. En dat deze ambassadeur de bibliotheek op internet een plaats geeft (dit heeft weer te maken met online aanwezigheid). Deze ambassadeur kan elk jaar een andere medewerker zijn. Dan kun je een landelijke wedstrijd uitschrijven voor ambassadeur van het jaar (niet informatieprofessional van het jaar omdat niet iedereen zich verbonden voelt met die term). De ambassadeur werkt met 23 dingen of met meer dingen, het is in ieder geval iemand die nieuwe media en toepassingen inzet om de bibliotheek op de kaart te zetten.

Daarnaast is mij ook duidelijk geworden dat de coaches zo belangrijk voor het proces zijn dat het voor mij niet anders kan dat zo’n coach zich als een vis in het water moet voelen met web 2.0 en social software. Deze coach moet veel toepassingen vaak of in ieder geval regelmatig gebruiken om de waarde ervan in te kunnen schatten. De coach moet een bekende zijn in het netwerk en weten wie zich waar mee bezig houdt. Hij/zij moet van te voren in kunnen schatten welke vragen er uit de groep komen en het antwoord al weten voordat de vraag gesteld wordt. Wat mij betreft kan dus niet iedereen zomaar 23 dingen coach zijn.

En dan het management. Het management is al veel over gezegd en geschreven. Als zij zelf niet meedoen aan 23 dingen, als zij de tijdsinvestering belangrijker vinden dan het spelen van de medewerkers en als zij geen visie hebben over hoe verder na 23 dingen dan kun je op je vingers natellen dat 23 dingen leuk is om te doen maar dat er daarna niets mee gebeurd.

Gebruikt beeldmateriaal is afkomstig van Flickr – 24 van internets diary

Het verslag van een dagje Arnhem

Al ruim voor de zomervakantie kreeg ik het verzoek om een presentatie te geven over social software voor de OR en een aantal medewerkers van de Biblioservice Gelderland in Arnhem. Een aantal van de mensen in de zaal deed de cursus 23 dingen werd mij verteld. En een vraag die leefde was hoe verder na 23 dingen? Geen gemakkelijke opgave en ik heb ook lang zitten broeden hoe ik de presentatie in zou steken. Toen de presentatie redelijk op orde was heb ik hem aan Gerard gestuurd en hij vertelde wat mij waar ik al bang voor was. Er zat geen kop en staart aan. Dus husselen, slides toevoegen en weghalen en een lijn zoeken.

De presentatie heb ik gisteravond al online gezet (gewoon als backup, je weet maar nooit of de trein rijdt). Vanmorgen om 7.15 uur zat ik in de trein op weg naar Arnhem. De organisatie was goed geregeld, ik werd opgehaald op het station van Arnhem. Maar wat een bouwput is dat zeg en dan schijnt het ook nog jaren te duren voordat het beter wordt. Ik heb medelijden met de Arnhemse treinreizigers. Maar dat terzijde.

Aangekomen bij de Biblioservice Gelderland stond alles al klaar. Ik mocht niet meteen beginnen maar moest even wachten totdat het OR-verslag was gegeven. Om 10 uur was het zover.

In een uur heb ik mijn presentatie gegeven en leuke gesprekken gehad met de mensen in de zaal. Waaronder onder andere een lid van het managementteam (cool!) en de chauffeur van de bibliobus. Deze laatste meneer liet mij weten veel nieuwe termen gehoord te hebben maar verder weinig online te doen.

De lijn die ik aan wilde houden in mijn presentatie was de volgende. Ik ben van mening dat het bij het nieuwe web (verzamelnaam voor web 2.0 en social software) gaat om twee dingen die voor bibliotheken of bibliotheekorganisaties interessant zijn; online aanwezigheid en communities. Nu is de bibliotheek een community voor gebruikers die van verhalen houden. Een online community is niet veel anders, hier vertellen gebruikers ook verhalen (belevenissen, verslagen, etc.), geven zij hun mening (ook een verhaal) en laten zij commentaar achter (ook een verhaal). De perfecte plek dus voor een bibliotheek om te kijken of zij iets met die (al dan niet bestaande) communities wil doen. Daarnaast is online aanwezigheid belangrijk en daar ben ik mee begonnen. Ik moest wel een beetje grinniken toen ik tijdens de voorbereiding zag dat de website van de Biblioservice Gelderland het alleen maar doet met IE en dat ook Edwin dit al was opgevallen. En ik moet toegeven dat ik tijdens mijn presentatie een foutje heb gemaakt. Bij mij deed de website het namelijk ook niet met IE, maar ik had natuurlijk de link uit FF gekopieerd en dat was de link van de pagina met de foutmelding.

Ik houd er van om af en toe een bommetje te laten vallen en had ook wel reactie verwacht op de opening. Natuurlijk wordt er hard aan de website gewerkt en is er laatst een fusie geweest. Ik snap dit allemaal, maar de klant niet, de klant ziet een website die het niet doet. Iets om over na te denken naar mijn idee en zeker iets om wat aan te doen. Ook gaf ik het voorbeeld van mijngelderland.nl – een interessante website met verhalen van mensen uit Gelderland. In mijn voorbeeld van Zijlmo deed de link naar de website het niet omdat er geen www voor stond. Wat een presentatie al niet teweeg kan brengen, de link zonder www doet het nu wel. Interessant in deze is het voorbeeld van Flickr the Commons en het aantal bezoekers (300.000) dat het Nationaal Archief kreeg in de eerste week dat zij de foto’s online bij Flickr toegankelijk hebben gemaakt. Nu kan ik mij zo voorstellen dat die foto’s al heel lang op de website van het Nationaal Archief staan maar dat het aantal bezoekers veel groter wordt door deze foto’s op verschillende kanalen te verspreiden. Misschien een ideetje voor mijngelderland.nl.

Ik liet nog wat meer voorbeelden zien van communities, onder andere de weblog van de directeur van de OBA (eigenlijk een nieuwskanaal zonder commentaarmogelijkheden) en de wiki van de Openbare Bibliotheek Deventer.

Hierna ging ik nog even in op een aantal zaken waar je naar mijn idee over na moet denken voordat je verder gaat na 23 dingen. Het is niet vanzelfsprekend dat je als bibliotheek ook echt verder moet gaan, tenminste, als je niets extra toevoegt waarom zou je het dan doen? Als je als bibliotheek gelukkig bent met de website en je je niets voor kan stellen bij bijvoorbeeld een hyvespagina, een wiki of een ning voor de bibliotheek, doe het dan niet. Het is geen schande, het is geen kwestie van de boot missen, als je er maar wel over nadenkt. Daarnaast kost het onderhouden van een internetaanwezigheid in bijvoorbeeld social networking sites tijd, veel tijd als je het goed wilt doen. Ik begreep dat de mensen in de zaal die 23 dingen gedaan hadden of nog bezig waren hier twee uur per week van de baas voor kregen. Twee uur is meer dan niets, maar twee uur per week om te spelen is niet heel veel. En er zijn nu eenmaal mensen die als zij de deur om vijf uur dichtdoen lekker naar huis gaan en die computer niet meer aanzetten (kan het ze niet eens kwalijk nemen).

Wat naar mijn idee veel managers vergeten is dat het nieuwe web en de reactie daarop vanuit de organisatie vaak neerkomt op de mensen van de werkvloer en dat zij acties die uit plannen voortkomen doen naast de normale werkzaamheden. Als er geen ruimte wordt gegeven om bijvoorbeeld een weblog te onderhouden voor de organisatie dan is deze blog gedoemd te mislukken. Er zijn altijd werkzaamheden die tussendoor komen en die belangrijker zijn. Dus als je als managementteam geen tijd wilt investeren, doe het dan niet maar verwacht dan ook niet van de medewerkers dat zij zich enthousiast begeven op dit nieuwe web. Als je wel tijd geeft om te spelen, laat die medewerker dan ook spelen en af en toe onderuit gaan. Je leert door te doen en af en toe gaat dat wel eens fout. Dat is niet erg, je hebt het immers geprobeerd. Maar zorg er als managers voor dat je medewerker zich veilig voelt om te proberen en te doen. Leren in een goede foutencultuur heet dat, leerde ik laatst.

Opvallend is dat (maar ik kan er naast zitten) er maar weinig bibliotheekorganisaties zijn die richtlijnen hebben omschreven waar een medewerker zich aan moet houden als hij/zij zich begeeft op het nieuwe web. Bijvoorbeeld mag je schrijven over je werk, over de klanten die je ontmoet, over een falende organisatie? Omdat leden van de OR ook aanwezig waren kwam er een interessante discussie op gang. Je kan je namelijk voorstellen dat als een medewerker een berisping krijgt of wordt ontslagen door online activiteiten je als OR hier een mening over hebt. En hoe zit het met anonieme bloggers bijvoorbeeld. Meld je je als anonieme blogger bij de baas of blijf je lekker anoniem? En wat gebeurd er met een blog van de bibliotheek waar afbeeldingen op geplaatst zijn die eigenlijk niet mochten en er komt een claim. Betaald het management deze dan of wordt er aan de medewerker gevraagd een bijdrage te leveren.

Uiteraard was de afsluiting positief. Speel, ontdek en doen! Want op die manier leer je toch het meeste.

De reacties uit de zaal waren positief, interessant en betekenisvol. Ik heb een leuke ochtend gehad! Met dank aan de organisatie voor het presentje, het ophalen en wegbrengen en de warme ontvangst. En ook dank voor de reactie op de presentatie op Slideshare van Sinkelservice. Hoop natuurlijk nog veel meer van jullie daar bij Biblioservice Gelderland te zien en horen!