Free – the future of a radical price

Chris Anderson schreef in 2006 het boek The Long Tail: Why the Future of Business Is Selling Less of More. Dit boek heb ik nooit gelezen. Ik heb er wel veel over gehoord. In 2009 schreef Anderson het boek dat ik nu in mijn handen heb Free : the future of a radical price. Dit boek stond al even in mijn boekenkast en omdat ik het nu wel eens allemaal zelf wil lezen, er toch maar eens bij gepakt.

Het boek bevat een drietal hoofdonderwerpen met daaronder hoofdstukken die dieper op het onderwerp in gaan. De drie hoofdonderwerpen zijn:

  • what is free
  • digital free
  • freeconomics and the free world

what is free?

free 101 – a short course on a most misunderstood word

Free kan van alles betekenen en de betekenis van dit woord is door de eeuwen heen continu veranderd. Als je het woord hoort denk je gelijk aan de addertjes onder het gras en toch is het een woord dat wel gelijk de aandacht op iets vestigt.  Het woord impliceert een eenvoudige transactie en toch is het vaak niet zo eenvoudig als het lijkt.

De definitie. Voor Romaanse talen kent het woord twee betekenissen omdat het twee woorden kent. Het eerste komt van het Latijnse liber dat vrijheid betekent. Het andere woord komt van het Latijnse woord gratis wat geen kosten betekent. In het Spaans is libre een positief woord, terwijl gratis eerder wordt geassocieerd met een marketing truck. In het Engels zijn de woorden samengevoegd tot een woord. Freedom heeft ook daar een positieve connotatie. Maar soms gebruiken de Engelsen toch het woord gratis om aan te geven dat iets echt zonder kosten is. In Nederland gebruiken wij het woord gratis. Maar zoals in andere landen heeft dit een negatieve klank. Er zit altijd wel iets aan vast waardoor het minder gratis wordt. In dit boek betekent free zonder kosten.

Anderson geeft een paar voorbeelden van free met addertjes onder het gras (1+1 gratis, geen verzendkosten, gratis cadeautje bij een pakje, gratis probeerverpakking, probeerversie van een product waar het na een poosje niet meer gratis is). Hij geeft ook voorbeelden van dingen die echt gratis zijn, zoals Flickr, Wikipedia en het meeste van wat Google aanbiedt.

All these can be sorted into four broad kinds of Free, two that are old but evolving and two that are emerging with the digital economy.

Als je het van een afstandje bekijkt, komen deze variaties van free, volgens Anderson voort uit een ding en dat is het verschuiven van geld van product naar product, van mens naar mens en tussen nu en later. Hetgene wat economen cross-subsidies noemen. Oftewel kruissubsidie. Nu ben ik geen econoom dus ik weet niet of het de juiste vertaling is en ik ben er ook nog niet achter wat het woord precies betekent.

Kruissubsidies kunnen op verschillende manieren ingezet worden:

  • gratis producten subsidiëren betaalde producten (gratis proefverpakking)
  • nu gratis maar straks betalen (gratis telefoon bij abonnement)
  • gratis mensen worden gesubsidieerd door betaalde mensen (kinderen gratis bij attractie)

Binnen de wereld van kruissubsidies, worden de free-modellen ingedeeld in vier categorieën:

FREE 1: DIRECT CROSS-SUBSIDIES
what’s free: any product that entices you to pay for something else

free to whom: everyone willing to pay eventually, one way or another

FREE 2: THE THREE-PARTY MARKET

what’s free: content, services, software and more

free to whom: everyone

De eerste categorie is duidelijk. Je wordt als consument naar een winkel gelokt met een 1+1 gratis actie in de hoop dat je meer spullen koopt als je er toch bent. De tweede categorie lijkt moeilijker maar we maken het elke dag mee. De derde partij is de adverteerder. Hij betaald zodat een uitgever een gratis krant, blad, of iets anders aan een consument kan geven. Uitgevers verkopen geen kranten aan lezers, zij verkopen lezers aan adverteerders.

FREE 3: FREEMIUM

what’s free: anything that’s matched with a premium paid version

free to whom: basic users

FREE 4: NONMONETARY MARKETS

what’s free: anything people choose to give away with no expectation of payment

free to whom: everyone

In dit boek komen twee soorten prijzen aan bod, iets en niets. Maar er is nog een derde prijs, minder dan niets. Dat gebeurt als je wordt betaald om een product of dienst te gebruiken. Zo wordt ik in punten betaald als ik online enquêtes invul. Deze punten kan ik inwisselen voor tegoedbonnen van bijvoorbeeld Bol.com. En vaak als ik dan online ben om een boek te bestellen koop ik ook nog iets anders.

the history of free – zero, lunch, and the enemies of capitalism

Een van de redenen waarom free zo moeilijk te bevatten is, is omdat het niets is. Het is de afwezigheid van iets. Het is het gat waar de prijs hoort te zitten. Free is een concept. En het heeft jaren geduurd voordat de mensheid het met een getal kon beschrijven.

Where numbers only represent real things, you don’t need a numer to express the absence of nothing.

Anderson duikt nog wat dieper in de geschiedenis. Schrijft over rente en het begin van commercie. Tot hij aankomt bij de 19e eeuwse Rus Peter Kropotkin. Kropotkin bedacht in 1902 een Utopia waar mensen spontaan allerlei werk voor elkaar deden omdat zij geloven in de community en in wederzijdse hulp. Anderson ziet in de deze visie een vooruitblik op de link economy die dankzij het internet kon ontstaan (mensen linken naar elkaar blogs om reputatie op te bouwen en traffic te genereren).

In giving something away, he argued, the trade-off is not money, but satisfaction. This satisfaction was rooted in community, mutual aid, and support.

Ten tijden van Kropotkin kon dit niet werken. Dit omdat de groep vaak groter was dan 150 (Dunbar’s number). Virtuele werelden waren nodig om het mogelijk te maken.

Anderson vervolgt zijn verhaal over de economie, overvloed en schaarste. De opkomst van goedkope materialen zoals plastic. En besluit met deze quote:

Our attitude towards abundant resources moved from personal psychology (it’s free to me) to collective psychology (it’s not free to us).

the psychology of free – It feels good. To good?

Waarom denken mensen dat free soms betekent dat iets niet van goede kwaliteit is? Volgens Anderson komt dat omdat ons gevoel over free relatief is en niet absoluut. Als je voor een product altijd geld hebt betaald en ineens hoeft dat niet meer dan verwacht je dat de kwaliteit van het product hierdoor achteruit is gegaan. Maar als een product nooit geld heeft gekost heb je dat gevoel niet.

De psychologie gaat ook aan het werk als je na moet denken over de prijs van een product, is het dat geld waard, wil ik het hebben al het dit bedrag kost, etc. Bij free producten heb je dat niet. Je denkt hier veel minder over na. Voor consumenten zit er een groot verschil tussen free en goedkoop. Zelfs als een product maar 1 cent kost, je gaat er toch over nadenken.

Toch is de kans groot dat je blijer wordt van een product waarvoor je hebt betaald. Je hebt er goed over nagedacht en geniet van de aankoop. Free producten hebben dat minder. Ik bezoek wel eens een congres in de Verenigde Staten. Daar is het heel normaal dat je ’s morgens (ze beginnen vaak vroeg) een ontbijt(je) krijgt aangeboden en tussen de sessies door drinken en snacks. Allemaal voor niets. Word je daar hebberig van? Ik soms wel. Dan neem ik een extra colaatje mee voor later. Is het dan erg als je de snack niet helemaal op eet. Nee. Als je teveel hebt gepakt laat je wel eens iets liggen. Dit is anders als je voor het eten en drinken hebt betaald. Dan maak je het op, want anders is het zonde. Maar het is toch ook zonde als je het weggooit en je hebt er niet voor betaald.

We take stuff because it’s there, not nesessarily because we want it. Charging a price, even a very low price, can encourage much more responsible behaviour.

digital free

too cheap to matter – the web’s lesson: when something halves in price each year, zero is inevitable

Het internet staat voor free. Niet vanwege een ideologie maar vanwege economische factoren. De kosten die gemaakt moeten worden zijn zo laag (processors, dataopslag en bandbreedte) dat het zinvol is om datgene dat je aanbiedt af te ronden naar beneden. En dat betekent afronden naar free.

information wants to be free – the history of a phrase that defined the digital age

Toen Stewart Brand in 1984 de woorden information wants to be free uitsprak zei hij ook dat information wants to be expensive. In die tijd kon het nog alle kanten op gaan. Informatie kon goedkoper worden omdat het gemakkelijk reproduceerbaar werd. Of het kon kostbaarder worden omdat computers informatie van hogere kwaliteit konden maken. Als we tegenwoordig over informatie praten dan bedoelen we meestal digitale bits: signalen die aan of uit staan dat iets of niets betekent, afhankelijk van hoe ze gecodeerd worden.
Toen Brand het over informatie had, sprak hij over digitaal gecodeerde informatie. Brand begreep dat een bit en de betekenis ervan twee verschillende dingen zijn. De bits zijn free, maar de betekenis ervan kan waarde hebben (van niets tot onbetaalbaar) afhankelijk van wie het ontvangt. Hij neemt als voorbeeld een telefoonmaatschappij, zij berekenen kosten voor de verbinding, het gaat hun niet om de informatie die over die verbinding wordt verzonden. Net zo goed als bij een café, zij rekenen niet voor de gesprekken die er worden gevoerd.

you always wind up charging for something different than the information

competing with free – Microsoft learned how to do it over decades, but Yahoo just months

Anderson beschrijft het voorbeeld van Microsoft. Hoe zij tegen illegaal downloaden van software hebben gevochten en tot op zekere hoogte hebben geaccepteerd dat mensen nu eenmaal kopiëren. Hoe aan de andere kant Microsoft de eigen software promootte boven de (bijna) gratis webbrowsers, wordprocessingsoftware, etc. die door andere partijen werd aangeboden. En hoe zij zijn omgegaan met nieuwe operating systemen in de wereld zoals Unix/Linux.
Ook geeft Anderson het voorbeeld van Yahoo en hoe zij reageerden toen Google gratis email aanbood. Het geeft duidelijk weer dat Google een nieuwe impuls aan  het begrip free heeft gegeven.

En dus kennen we tegenwoordig 3 software modellen: compleet free, free software met betaalde support en software/support waarvoor je moet betalen.

de-monetization – Google and the birth of a twenty-first-century economic model

Als Google een nieuwe dienst ontwikkeld vragen zij zich niet af of het geld oplevert maar of het niet cool zou zijn als, of of mensen er op zitten te wachten en of de dienst de Google-technologie goed gebruikt. Het geld komt wel binnen, via de adverteerders. Dus de diensten kunnen gratis zijn.

Why does Google default to free?

Omdat het de beste manier is om de grootst mogelijke markt en de adoptie van veel gebruikers te bereiken.

the new media models – free media is nothing new. What is new is the expansion of that model to everything else online

Radio, maar later ook televisie, maakt gebruik van free-to-air dat wordt betaald door adverteerders. Een derde partij (de adverteerder) sponsort content zodat een tweede partij (de luisteraar of kijker) gratis gebruik kan maken van de dienst. Radio en televisie hebben hiermee het media model van free gelanceerd. Dit model werd overgenomen door kranten, tijdschriften en andere mediavormen. Zo ook op het internet. Daar gaat het voorbij mediabedrijven en kan het gebruikt worden door gewone mensen. En dat maakt het verschil.

Anderson geeft een voorbeeld uit zijn eigen praktijk, het tijdschrift Wired. Als zij een tijdschrift opmaken dan zorgen zij ervoor dat advertenties goed geplaatst worden. Met anderen woorden geen Sony advertentie bij een artikel over Sony. Zij willen namelijk niet de indruk wekken dat zij beïnvloedbaar zijn. Voor Google werkt het net anders, zij zoeken juist advertenties die passen bij het onderwerp. Zij zetten wel een advertentie van Sony bij een review van een Sony product.

Why is such matching bad in print but good online? At the heart of that question is the essence of how advertising is changing as it moves online.

Volgens Anderson is dat omdat mensen een ander verwachtingspatroon hebben als zij online gaan. Mensen maken tijdschriften op, en mensen kunnen corrupt zijn, zeker als het om geld gaat. Web advertenties worden geplaatst door zoekmachines (software algoritmes) en dat maakt het betrouwbaarder. Uiteraard is dit niet waar. Veel advertenties op het web worden handmatig geplaatst. En ook een algoritme kun je corrupt maken, het zijn tenslotte mensen die deze algoritmen schrijven. Maar op de een of andere manier hebben mensen er minder moeite mee als Google de advertenties bij andermans content plaats. Mensen maken zich dan helemaal geen zorgen over beïnvloeding.

Daarnaast zijn mensen gewend om online gratis informatie te krijgen en die beleving sijpelt ook door naar de offline wereld. De mediabedrijven hebben hier het meeste last van. Want wie wil er betalen voor een krant als het nieuws gratis online tot je kan nemen?

Voor Anderson is deze verschuiving onderdeel van de devaluatie van content die niet alleen wordt gevoed door wat generaties verwachten en willen maar ook door trends in de technologie. Jonathan Handel geeft 6 redenen voor deze migratie naar free.

  • supply and demand (the supply of content has grown by factors of millions, but demand had not)
  • loss of physical form (we value atoms more than bits)
  • ease of access (it’s often easier to download content than it is to find i tand buy it in stores)
  • the shift to ad-supported content (habits set on the web carry over into te rest of life)
  • the computer industry wants content to be free (free content makes the devices it plays on more valuable)
  • generation free (the generation that has grown up with broadband has digital economics somehow wired into their DNA)

Dankzij internet zijn er nieuwe business modellen gebouwd rondom free. Anderson geeft 7 categorieën waarvan hij vindt dat ze succesvol zijn.

  • selling virtual items (bijvoorbeeld in games die je gratis online kan spelen, maar waarvoor je spulletjes kan kopen om te gebruiken in het spel om tijd te besparen, er cool uit te zien, of minder moeite te hoeven doen – je hoeft geen geld uit te geven maar het kan wel)
  • subscriptions (vaak ook voor online games)
  • advertising (bijvoorbeeld in-game advertenties)
  • real estate (denk aan Second Life)
  • merchandise
  • free music (bijvoorbeeld Radiohead die consumenten zelf de prijs van de muziek laat bepalen)
  • free books

 how big is the free economy – there’s more to it than just dollars and cents

Er zijn veel verschillende free-economieën. He is dus maar net welke je bedoelt als je wilt weten hoe groot de free-economie is. Anderson doet toch een poging en berekent de waarde van 4 free-economieen (3e partij markt – adverteerders, freemium – paar mensen betalen voor de grote groep, de gratis online games en de gift economie). Maar eigenlijk zeggen deze aantallen waar Anderson mee komt niet zo veel omdat niet alles wordt gedekt.

freeconomics – and the free world

econ 000 – how a century-old joke became the law of digital economics

The internet, by combining the democratized tools of production (computers) with democratized tools of distribution (networks), conjured a truly competitive market.

Elke markt is verschillend. En gratis is een constante aantrekkelijkheid voor alle markten die er bestaan. Maar om geld rondom free te maken vergt creativiteit en experiment. Anderson beschrijft het principe versioning. Dit betekent dat verschillende gebruikers verschillende prijzen betalen. Een van de versies van het product is gratis, terwijl je voor een andere versie van hetzelfde product moet betalen. Een andere vorm om geld rondom free te maken is flat-fee – met als voorbeeld het onbeperkt eten, of onbeperkt lenen van DVD’s voor een bepaald bedrag.  Het beste model krijg je, volgens Anderson, als je beide principes met elkaar combineert. Je ziet dit model overal om je heen, van de sportschool tot je mobiele telefoon aanbieding.

Een nadeel van dit model is wat Anderson de free-rider problem noemt. De mensen die zich niet in kunnen houden bij een all-you-can-eat buffet. Timothy Lee ziet hier geen probleem omdat als je ervan uitgaat dat de kosten gecompenseerd moeten worden dit niet langer geldt voor online gedrag. Er zijn voldoende mensen die gratis allerlei content delen, gewoon omdat ze het leuk vinden en genoegdoening krijgen van het feit dat ze gelezen of gehoord worden. En omdat online de aantallen groot zijn. Als maar 1% van de participanten van een community actief deelnemen is dat genoeg, alle anderen kunnen dan free-riders zijn.

nonmonetary economies – where money doesn’t rule, what does?

Een van de oudste regels in de economie is dat elke overvloed een nieuwe schaarste creëert. Neem als voorbeeld gratis koffie op het werk. Dit zorgt ervoor dat mensen behoefte krijgen aan kwalitatief veel betere koffie waar zij ook nog wel voor willen betalen.

Als je kijkt naar informatie. Als onze honger naar basisinformatie is gestild, dan gaan we op zoek naar informatie die we echt willen hebben. En in die zoektocht leren we meer over onszelf en wat ons bezighoudt. In dit proces zullen veel mensen van passieve consumenten actieve producenten gaan worden. Hierbij worden we gestimuleerd door de psychologische beloning van het creëren. In een normale economie is geld hetgene wat ons drijft, we kopen wat we kunnen kopen. Maar online, waar veel gratis is, is geld niet langer de drijfveer. De drijfveer wordt aandacht en reputatie.

Good recommendations build trust with a readership, and being recommended confers trust, too. And with trust comes traffic.

Dus we hebben Google Pagerank (inkomende links), Facebook en MySpace (vrienden), EBay (met ratings voor kopers en verkopers), Twitter (met volgers) en Slashdot (met karma). Met deze sites kun je reputatiekapitaal omzetten in aandacht. En als je wilt kun je dit weer omzetten naar geld. Maar de meesten willen dat niet.

Maar waarom doen deze mensen dat? Content online zetten zonder er voor betaald te worden. Vaak omdat ze deel willen uitmaken van een community, maar ook persoonlijke groei en kennisdelen speelt mee. We stoppen onze tijd er in omdat het respect oplevert, we aandacht krijgen en een publiek bereiken. En vaak geeft iets doen zonder ervoor betaald te worden meer voldoening dan een betaalde baan.

waste is (sometimes) good – the best way to exploit abundance is to relinquish control

Mensen houden niet van verspilling. Maar wat zij onder verspilling verstaan hangt samen met wat zij kennen van schaarste. Denk aan je ouders, als zij op vakantie naar huis wilden bellen, kostte dat heel veel geld. Zij houden buitenlandse gesprekken dus kort. Wij zijn gewend dat dit niet zoveel duurder is dan in Nederland bellen en dus kletsen wij langer. Maken wij ons hier geen zorgen over. Maar voor onze ouders is dit verspilling. Overigens zijn mensen de enige levende wezens in de natuur die moeite hebben met verspilling. Andere dieren gaan hier veel gemakkelijker mee om omdat zij weten dat verspilling leidt tot een beter en sterker soort.

free world – China and Brazil are the frontiers of free. What can we learn from theme?

In China begrijpen ze dat er geen geld meer te verdienen valt aan de verkoop van muziek-cd’s en dus zoeken ze naar andere manieren. Dit vinden ze in concerten, websites, ringtones, etc.

In the Western press, Chinese piracy is seen as little more than a crime. Yet within China, pirated goods are just another product at another price, a form of market-imposed versioning. The decision whether to buy a pirated Louis Vuitton bag is not a moral one, but one about quality, social status, and risk reduction.

De meeste Chinezen kunnen zich de echte producten niet veroorloven en dus kopen ze namaak. Als zij het geld hebben kopen ze echt omdat dat nu eenmaal van betere kwaliteit is.

imagining abundance – thought experiments in “post-scarcity” societies, from science fiction to religion

Wat we, volgens Anderson, kunnen leren van fictie is dat we overvloed kunnen verbeelden. Maar dat onze hersenen zijn geprogrammeerd op schaarste. We focussen ons op de dingen die we niet hebben, zowel op het gebied van tijd en geld. En het is dat wat ons drijft. Als we hebben gevonden of gekregen wat we wilden, gaan we op zoek naar iets nieuws. We worden gemotiveerd door wat we niet hebben in plaats van door wat we wel hebben.

Economically, abundance is the driver for innovation and growth. But psychologically, scarcity is all that we really understand.

you get what you pay for – and other doubts about free

Anderson geeft 14 meest gehoorde argumenten (en zijn tegenargumenten) tegen een free-economie.

  • there ain’t no such thing as a free lunch (in de geldmarkt is de lunch misschien niet gratis, maar in de aandacht-, en reputatie-markt heb je ervoor betaald met jouw tijd en aanwezigheid)
  • free always has hidden costs / free is a trick (in de 21e eeuw van gratis, die is gebaseerd op digitaal, is er geen reden voor verborgen kosten)
  • the internet isn’t really free because you’re paying for access (je betaald voor de toegang, niet voor de content)
  • free is just about advertising (and there’s a limit to that) (misschien toen internet net opkwam maar tegenwoordig zie je steeds meer freemium, enkelen betalen voor velen)
  • free means more ads, and that means less privacy (er is nog zoiets als privacy beleid en niet alle bedrijven verkopen die informatie aan adverteerders)
  • no cost = no value (is geld het enige middel om waarde mee vast te stellen, er is ook zoiets als aandacht en reputatie)
  • free undermines innovation (creative commons laat zien dat mensen heel erg creatief en innovatief worden van gratis content)
  • depleted oceans, filthy public toilets, and global warming are the real cost of free (in de digitale wereld is verspilling veel minder aan de orde, omdat het eigenlijk alleen nog maar gaat om elektriciteit)
  • free encourages piracy (het is juist net andersom)
  • free is breeding a generation that doesn’t value anything (in elke generatie nemen we iets voor lief dat de generatie ervoor waardevol vond, maar dat betekent niet dat deze generatie alles minder waardeert, zij waarderen alleen andere dingen)
  • you can’t compete with free (tenzij je een beter of ander product maakt dan de gratis versie, ga voorbij het gratis product en zoek een iets waar mensen voor willen betalen, is de software gratis biedt dan support aan)
  • I gave away my stuff and didn’t make much money (iets gratis weggeven maakt je niet rijk, maar wel als je nadenkt over reputatie en aandacht en hoe je daar geld mee kunt verdienen)
  • free is only good if someone else is paying for it (met freemium krijgt iemand die betaald een beter product wat jij gratis kan krijgen (is dus niet hetzelfde product), zijn teveel voorbeelden die het tegenspreken, misschien denk je minder van een product dat eerst geld kostte en nu niet meer, maar als iets altijd al gratis was, waarom zou je er dan minder van denken)
  • free drives out professionals in favor of amateurs, at a cost of quality (contentcreatie is niet langer meer het domein van de betaalden, maar dat betekent niet dat je geen geld kan verdienen met content creatie)

 The web has become the biggest store in history and everything is 100% off.

Aan het einde van het boek geeft Anderson de 10 principes van overvloed, freemium tactieken en 50 business modellen gebouwd rondom free.

Je vraagt je af hoe iemand iets meer dan 250 pagina’s vol kan schrijven over een onderwerp als free. En toch lukt het Anderson om een boeiend en goed leesbaar boek te schrijven. Ook voor niet-economen, zoals ik, zijn de hoofdstukken over de geschiedenis van de economie en begrippen goed te volgen. En dan het begrip free. Het is een raar begrip. Soms doe ik er aan mee, als ik iets wil uitproberen. Maar vaker betaal ik voor diensten en producten. Zoals bijvoorbeeld Evernote en Flickr. Niet alleen omdat ik fan ben maar ook omdat ik wil dat deze diensten en producten voor mij beschikbaar blijven. Zeg maar een soort support voor het bedrijf dat mij helpt om tijd te besparen.
Na het lezen van het boek wordt wel duidelijk dat free niet te stoppen is, dat je er toch geld aan kan verdienen (als je het goed aanpakt) en dat het gevoel rondom free is veranderd (of je dat nu leuk vindt of niet).

En mocht je het boek ook willen lezen en er niet voor willen betalen, dan vind je hier (Nederlandse versie – lezen) of hier (Engelse versie – luisteren) een free-copy.

 

Deze week in de bibliotheek – TWIL

Heb jij de eerste Global Library Internet Show – This week in Libraries al gezien? Vanaf nu elke week een episode.

Check in – DEEPLY LOCAL

Check out – GLOBAL TOUCH

Met in de eerste aflevering: Bart Drenth.

This Week in Libraries #1: Bart Drenth from Jaap van de Geer on Vimeo.

En afgelopen vrijdag: architect Aat Vos.

This Week in Libraries #2: Aat Vos (architect) from Jaap van de Geer on Vimeo.

Meer info op This Week in Libraries en foto’s op Flickr.

Het mobiele verschil

De laatste tijd kijk ik met zeer veel interesse naar de ontwikkelingen op het mobiele vlak. En dan met name de ontwikkelingen in de bibliotheekwereld. Vandaar dat ik laatst ook bij de CWIS dag was met de mobiel als thema. Direct valt dan ook het nieuwe onderzoek van PEW op met als titel The Mobile Difference (pdf). En ook al is dit een Amerikaans onderzoek. Wij kunnen hier van leren.

Kijk maar eens rond in een broodjeszaak, een station, een vliegveld of een bibliotheek. Als je dit doet dat zie je waarschijnlijk een aantal laptops waar op gewerkt wordt maar vooral ook mobiele telefoon waar mensen van alles mee aan het doen zijn. Met veel gemak wordt informatie uitgewisseld via wireless netwerken. Maar niet iedereen houdt van het altijd maar online aanwezig zijn. En toch, is het mogelijk dat met het gemakkelijker toegankelijk worden van internet op de mobiel ook zij overstag gaan?

PEW verdeelde de groep ondervraagden in verschillende subgroepen. Erg origineel zijn zij met de keuze voor de namen van de subgroepen. Kijk maar hieronder in de twee schema’s.

typology-summary-1

typology-summary-2

Ik ben er nog niet uit tot welke subgroep ik zou behoren als ik ondervraagd was, maar ik denk dat ik in de buurt zou komen van de Digital Collaborators. De groepen in het eerste schema staan gelijk aan 39% van de volwassen Amerikanen. PEW noemt deze groep de Motivated by Mobility. De andere groep (61%) noemen zij de Stationary Media Majority. Uiteraard zitten in de eerste groep de mensen die echt houden van hun mobiel en geen dag zonder kunnen. In de tweede groep is dat gevoel er wellicht ook maar lang niet bij iedereen. In deze groep zitten namelijk ook de mensen die geen mobiele telefoon gebruiken.

Nu is het zo dat PEW dit onderzoek al eerder heeft uitgevoerd en dus vergelijkingen kan geven van de resultaten van toen en die van nu.

Cell phones: In 2006, 73% of adults had a cell phone, a number that grew to 79% in 2007.
Broadband at home: In 2006, 44% adults had a high-speed connection at home, a number that increased to 56% in 2007.
Laptop computers: 31% of adults had a laptop in 2006, and 36% had one by the end of 2007.
MP3 players: 19% of adults had an MP3 player or iPod in 2006 and 26% had one in 2007.

Naast de vergelijking met eerder jaren gaat PEW erg diep in op de groepen. Vertellen zij over wie zij zijn (demografisch gezien), welk gedrag zij vertonen, welke wensen zij hebben en wat hun houding is ten opzichte van mobiele telefoons en internet. PEW laat zien dat sommige groepen de verhouding met digitale bronnen zal verdiepen, maar dat er ook een grote groep is die afwacht. En dit heeft consequenties.

Mobile access to the internet constitutes an inflection point in technology adoption.
The bar of what qualifies sophisticated tech behavior has changed.
The cost of not having little or no access rises in a multiplatform world.
Mobile access creates demand for capacity on wireless and wireline networks.
Heavy use of ICTs is mainly a young person’s game, but older Americans are minority members in good standing of even some of the most ardent tech groups.

Zoals ik al zei, het onderzoek is Amerikaans. Maar op zich is dat niet erg. Ik denk namelijk dat Nederland redelijk vergelijkbaar is met Amerika in deze. Misschien dat de aantallen en percentages verschillen. Dus mocht je interesse hebben in gebruik van mobiel internet dan is dit onderzoek zeker een aanrader. Als uitgangspunt, om de verschillende groepen beter te begrijpen en om jouw diensten beter op de verschillende groepen aan te kunnen passen.

Met dank aan: Stephen’s Lighthouse

Gebruikt beeldmateriaal is afkomstig van Flickr – mobile phone van Milica Sekulic

Ken jij Serendip al?

Vandaag vertelde Peter Nugteren van de OB Almere mij over Serendip en ik kende het niet. Heuh, ik had er echt nog nooit van gehoord! En dat mag je toch wel bijzonder noemen want Serendip bestaat al vanaf 2007 en is een internet zoekwedstrijd. Net zoiets als de Nationale Krakercompetitie maar dan zonder einde en zonder prijzen. Nu deed ik ooit mee aan de eerste Nationale Krakercompetitie en ben toen al snel afgehaakt. Ik had namelijk het idee dat zij dan een antwoord gevonden hadden en pas daarna de weg ernaartoe gingen bedenken, tenminste als ik de antwoorden zag kreeg ik dat gevoel. Sommige antwoorden waren zo ver gezocht dat het bijna niet anders kon.

Maargoed Serendip dus. Voor iedereen die het leuk vindt om informatie te zoeken, elke week een vraag en in oktober de winnaar (degene met de meeste punten) die zich Serendip Kampioen mag noemen. Kletsen met andere informatiezoekers kan op het forum. Leuk en leerzaam, het lijkt (of is het) bijna een game!

Rapport creëert buzz

Bij het doorlezen van mijn rss-feeds valt mij de afgelopen dagen op dat er veel is en wordt geschreven over het nieuwe PEW rapport (Information Searches That Solve Problems). Om een goed beeld te krijgen van wat nu voor de bibliotheek belangrijk is in dit rapport maak ik een overzicht (van nieuw naar oud) van wat er geschreven wordt en door wie.

[update: er is de laatste dag van 2007 zoveel geschreven over dit rapport dat ik het daarbij laat en alleen een paar links opneem van eerdere posts]

31 december 2007

Op de laatste dag van 2007 schrijft Library Garden de volgende post New Pew Report Looks at How America Solves Everyday Life Problems Using Libraries, the Internet, and Government Agencies. Hierin gaan zij in het kort in op de organisatie achter het rapport (Pew Internet & American Life Project (PIAL)) en wat de problemen zijn waar Amerikanen, van 18 jaar en ouder, tegenaan lopen die opgelost moeten worden. Zoals bijvoorbeeld: gezondheidsproblemen, veranderen van baan, overheidgerelateerde problemen zoals verzekeringen, gezondheidszorg en belastingen.

Library Garden is niet teleurgesteld over het rapport. Het is volgens hen een gedegen onderzoek geweest. Als je geen zin hebt om het hele rapport te lezen, lees dan de eerste zes pagina’s van de samenvatting. Library Garden geeft hiervan de hoogtepunten weer. Daarin staat onder andere dat bibliotheken, naast internet, hoog aangeschreven staan bij gebruikers als het gaat om een oplossing te vinden voor alledaagse problemen. Waarbij Generatie-Y (18-30 jaar) de bibliotheek het meeste bezoekt. Verrassend omdat je verwachte dat deze groep het internet meer zou gebruiken dan de bibliotheek.

The ReadWriteWeb benaderd de materie vanuit een andere invalshoek met de post Threatened by the Internet? Music Biz Should Rock Like Librarians. Marshall Kirkpatrick schrijft dat de jongste en meest beinvloedbare groep internetter in de VS waarschijnlijk ook de groep is die de fysieke bibliotheek het meeste bezoekt. Hij ziet de bibliotheek hiermee als voorbeeld voor andere industrieën en zegt dat er iets erg goed gaat in bibliotheekland. De muziekindustrie zou een voorbeeld moeten nemen aan de bibliotheek en in de gaten moeten houden wat daar nou precies gebeurd en hoe zij de jongeren verleiden om binnen te komen. Bibliotheekgebruik is het hoogste bij de gebruikersgroep die internet thuis tot hun beschikking hebben. En dit is opvallend omdat nog niet zo lang geleden er werd gesuggereerd dat toegang tot internet thuis de genadeklap voor de bibliotheek zou zijn. Marshall Kirkpatrick ziet dat de bibliotheek toegevoegde waarde heeft in het ondersteunen van de bezoekers bij het zoeken naar waardevolle informatie en dat de gebruiker de bibliotheek nodig heeft omdat deze nog erg veel te leren heeft als we het hebben over informatievaardig zijn.

Marhall Kirkpatrick verwijst in zijn post naar een artikel van CNN met de titel Study: Web generation heaviest users of public libraries. Ook hier de nadruk op de groep die de bibliotheek het meeste bezoekt (18-30 jarigen). Het is niet alleen internet dat zij in de bibliotheek zoeken, ook naslagwerken, tijdschriften en kranten lokken deze groep het gebouw in. In het artikel van CNN wordt ook ingegaan op een rapport uit 1996 van The Benton Foundation (a nonprofit group that studies the digital age) zij waarschuwden toen namelijk dat:

Americans ages 18-24 “are the least enthusiastic boosters of maintaining and building library buildings. They are also the least enthusiastic of any age group about the importance of libraries in a digital future.”

Uit het PEW rapport blijkt nu dat die groep van toen, nu de groep is die veel minder dan de huidige 18-30 jarigen gebruik maakt van de bibliotheek. In de tien jaar, sinds de verschijning van het Benton rapport, heeft internet een belangrijke plaats ingenomen en je ziet dan ook dat bibliotheken de ruimtes aanpassen op dit nieuwe sociale gebruik van de bibliotheek.

Dorothea van Caveat Lector, een post met de titel Hype and the biblioblogosphere. Zij gaat niet in op de inhoud van het rapport maar richt zich op de organisatie die het onderzoek heeft gedaan. Blijkbaar heeft PEW een aantal bibliobloggers benaderd door middel van een email. Ook zij heeft zo’n email gekregen en zij is hiervan geschrokken. Omdat, ze van mening is dat de blogs die zij leest onderhouden worden door integere mensen met liefde voor het vak. Deze bloggers wordt niet verteld hoe zij moeten denken, hier worden zij ook niet voor betaald. En nu, door de email van PEW weet zij niet langer hoe zij over die andere bloggers moet denken en of zij ze nog kan vertrouwen (mede omdat niet alle bloggers laten weten of zij wel of niet zo’n email gehad hebben. Dorothea voelt zich door de email van PEW verplicht om over het rapport te schrijven en dat vertikt zij. Zij doet niet mee aan het creeren van de hype. Daarnaast roept zij bloggers op om aan te geven als zij een email hebben gekregen, zodat zij als lezer weet waar zij aan toe is.

David Warlick van 2¢ Worth begint zijn post met de titel Web Generation Uses Libraries… met de openingsparagraaf van een artikel dat verscheen in de Raleigh News & Observer. In dit artikel wordt geschreven dat jongeren naar de bibliotheek gaan voor onderwijs gerelateerde zaken zoals schoolkeuze en het zoeken van ondersteuning bij het vinden van een nieuwe baan.

Miranda van Edu-it linkt naar de post van David Walick in haar post Pew report on library usage. Zij vergelijkt het artikel van de Raleigh News & Observer met een ander artikel van Computerworld over hetzelfde rapport. Waarbij het eerste artikel vooral de nadruk legt op het percentage bibliotheekbezoekers en het laatste rapport schrijft over wat er dan met computers gedaan wordt zodra gebruikers in de bibliotheek komen. Het onderzoek gaat niet om bibliotheekbezoek in het algemeen en dus is het bijzonder te noemen dat artikelen hier wel over gaan.

The News & Observer Web generation uses libraries more than others.

ComputerworldGeneration Y biggest user of U.S. libraries, survey finds
Sixty-two percent of Gen Y respondents said they visited a public library in the past year

Bryan Alexander (Internet leads American information queries: new Pew study) geeft drie quotes uit het rapport om zijn uitspraken – when it comes to libraries, the leading users are younger (in their teens and 20s), but not for books en the digital divide strongly shapes information seeking – te ondersteunen.

Tot zover één biblioblogger, wat zeggen de anderen?
Free Range Librarian (K.G. Schneider) in Breaking news: the Internet is useful, people still use libraries doet een poging om te filteren wat nu echt belangrijk is in het rapport. Sommige teksten zijn volgens haar fuzzy en soms een beetje misleidend geschreven. Zij legt in haar post uit waarom zij dat vindt en waarom je zelfs, als je de data bekijkt, zou kunnen zeggen dat jongeren de bibliotheek helemaal niet willen gebruiken als zij op zoek zijn naar informatie. Daarnaast heeft zij problemen met de woorden “gebruik van de bibliotheek”. Betekent dit dat gebruikers langskomen in de bibliotheek, dat zij een email sturen of dat zij opbellen. En wat te denken van de groep die niet naar de bibliotheek gaat, deze percentages zijn namelijk nog steeds erg hoog.

Resource Shelf (New From Pew Internet: Information Searches That Solve Problems; Where are the Social Networks?) geeft een aantal quotes uit de samenvatting en zegt dat het vreemd is dat het rapport is verschenen in de vakantieperiode, de tijd dat mensen met andere dingen bezig zijn en dus weinig aandacht hebben voor een belangrijk rapport als deze. Daarna hebben zij voornamelijk vragen rondom het rapport en vragen zij zich bijvoorbeeld af of er gekeken is naar online diensten van de bibliotheek of naar sociale netwerken waarbinnen de bibliotheek te vinden is.

En dan de eerste Nederlandse bloggers in de dit overzicht. Wilfred Rubens (Internet dé informatiebron bij problemen) wijst erop dat de bevindingen voor Nederland wel eens anders kunnen liggen, het gaat tenslotte om een Amerikaans onderzoek. En ook hij vraagt zich dingen af bij dit rapport, zoals wat er wordt bedoelt als er wordt gezegd het raadplegen van experts.

Edwin Mijnsbergen (ZB Digitaal) Onderzoek Pew: hoe mensen internet, bibliotheken en overheidsdiensten gebruiken als ze hulp nodig hebben – vindt het rapport een rapport waar hij mee uit de voeten kan en die zeker een plaatsje krijgt in zijn archief. Hij richt zich voornamelijk op de Generatie-Y en schrijft dat je deze groep pro-actief moet benaderen op de plaatsen waar zij zich bevinden. Daarbij mag het faciliteren van internet, vindt Edwin, een prominentere plaats in de bibliotheek krijgen.

ACRLog (Where People Turn When They Need Information) bekijken het rapport vanuit de academische-bibliotheek-hoek. Er is namelijk aan de respondenten niet gevraagd de bibliotheek te specificeren. Zij menen, de conclusies van het rapport doorlezend, dat de universiteitsbibliotheek en de faculteiten een positief effect hebben op het zoekgedrag van Generatie-Y. Ook menen zij dat de bibliotheek een plaats moet zijn waar je wilt vertoeven, niet alleen omdat je dat moet omdat je iets zoekt. Daarom denken veel bibliotheken, naar hun mening, na over de user experience binnen de bibliotheek. ACRLog ziet 2008 als het jaar om met het oog op de user experience veranderingen in de bibliotheek te realiseren.

LibraryCrunch (Michael Casey) – Generation Y and Libraries vindt de conclusies over Generatie-Y en bibliotheekgebruik niet verrassend. Michael Casey schrijft:

Library use by Gen Y should come as no surprise to anyone who has been following library trends over the past three years, but perhaps this will be a wakeup call for those who haven’t been following the discussions regarding technology and our users.

CASLIS OttawaNew Pew Report: Information searches that solve problems – How people use the internet, libraries, and government agencies when they need help geeft zes hoogtepunten uit het rapport met korte uitleg.

omnium-gatherumInformation Searches That Solve Problems schrijft een kort bericht over het rapport en waarom de conclusies positief zijn voor bibliotheken.

30 december 2007

E-learnspaceWhere do you go for information?

Information Wants to be Free (Meredith Farkas) – Pew report on Information Searches That Solve Problems

The Distant Librarian (Paul R. Pival) – New Pew Report: Information Searches That Solve Problems

mélangeinformation searches that solve problems

Linux ElectronsMost Americans Turn to the Internet to Solve Problems Says Report

Ik nam aan dat als ik een overzicht zou maken van wat erover het rapport is geschreven ik een duidelijker beeld zou krijgen van wat dit rapport voor de bibliotheek betekent. Niets is minder waar. Ik heb alleen nog maar meer vragen gekregen (net als een aantal andere bloggers) wat betekent dat, als ik iets zinnigs wil zeggen over het rapport, ik het eerst zelf moet lezen. Maar dan, het is een Amerikaans rapport en zoals Wilfred Rubens terecht opmerkt, hoeveel waarde heeft dit voor het Nederlandse bibliotheekveld? Misschien dat het tijd is om zo’n soort onderzoek ook in Nederland uit te voeren…. en als dat rapport er dan is zal ik het zeker gaan lezen.