Puberbrein binnenstebuiten

Tijdens het UGame – ULearn symposium had ik het standje met de grappige kijkdozen al gezien. En ook een enorme stapel boeken. Wist toen nog niet wat het precies was, dat kwam later op de middag toen ik weer langs de stand liep en even een praatje maakte met de standhoudster Hanneke van Youngworks. Hanneke was naar Delft gekomen om het nieuwe boek van Huub Nelis en Yvonne van Sark te verkopen en om natuurlijk reclame te maken voor het bedrijf waar zij werkt.

kijkdoos

Wat opvalt aan het boek Puberbrein is dat het mooi is vormgegeven en dat op bijna iedere pagina een quote staat van een jongere. In negen hoofdstukken gaat het boek vervolgens in op hoe het puberbrein werkt, opvoeding, onderwijs (het puberbrein in de klas), de peergroep, overige opvoeders, verleiders en voorlichters, opleidingen banen, maatschappij en de multiculturele samenleving. In het boek staan ook afbeeldingen van de kijkdozen die op de stand werden gepresenteerd. Nu weet ik niet zeker of dit zo is, maar het lijkt alsof de jongeren die aan het boek hebben meegewerkt ook verantwoordelijk zijn voor de kijkdozen en ik vraag mij dan direct af… hoeveel van die kijkdozen zijn er dan wel niet?

Vragen die als uitgangspunt voor dit boek hebben gediend zijn:

  • hoe weet je wat jongeren echt bezighoudt
  • hoe dring je tot ze door
  • en als je dit weet: wat kun je met die kennis

Pubers – 10 tot 25 jaar oud

puberbrein_voorkant

Voor het boek zijn jongeren gevolgd in de leeftijd van 10 tot 25 jaar. Puberbrein geeft dan ook aan dat de hersenen van jongeren zich tot hun 25e jaar ontwikkelen. De auteurs van het boek zien de afgelopen jaren twee opvallende ontwikkelingen: jeugdcultuur is de dominante cultuur in onze samenleving en jongeren lijken steeds sneller volwassen te worden. Maar wacht, overschatten wij de pubers niet, is het niet zo dat zij heel veel dingen nog niet kunnen? De auteurs vinden dat pubers van nu nog hetzelfde zijn als pubers van 30 jaar geleden. Alleen de vorm is anders, pubers kunnen nu 24 uur per dag online zijn, ze hebben meer geld te besteden en meer vrijheid dan voorgaande generaties. En in plaats van een puber loslaten als hij/zij de leeftijd van 12 heeft bereikt moeten opvoeders deze jongeren veel beter begeleiden in de ontdekkingstocht naar volwassenheid. Want ook jongeren hebben structuur en kaders nodig, misschien zelfs wel meer dan jonge kinderen dat nodig hebben. Dat dit niet mogelijk is in de huidige samenleving snappen Nelis en van Sark ook wel en dus moeten we zoeken naar nieuwe wegen om jongeren grenzen en structuur te bieden.
Al direct in het eerste hoofdstuk lees ik iets wat blijft hangen: het menselijke brein is pas rond het 25e levensjaar volgroeid EN de verschillende hersengebieden rijpen niet tegelijkertijd en in hetzelfde tempo. En dan is het ook nog zo dat de fysieke en sociaal-emotionele ontwikkeling niet synchroon lopen. Wacht even…. is het dus zo dat een 16-jarige volwassen overkomt maar zich soms als een kind gedraagd? Ja dus! Is het daarom ook zo dat jongeren altijd alles NU willen? Ja, dat ook. Ze willen zelf bepalen wat zij doen maar maken nog geen doordachte keuzes, zij willen instant bevrediging. Later is te laat is daarmee wel de zin die het het beste omschrijft.

Omdat de ontwikkeling van de verschillende hersengebieden zich niet tegelijkertijd voltrekt komt het dus voor dat jongeren wel graag iets nieuws doen en uitproberen maar dat de remmende werking, het controlegebied oftewel de prefrontale cortex nog lang niet klaar is in de ontwikkeling. Ook verloopt de communicatie tussen de verschillende hersendelen niet optimaal. Dit maakt het gedrag van jongeren onvoorspelbaar. Maar het zorgt er ook voor dat jongeren het lastig vinden om sociale tekens van anderen te beoordelen. Zij denken al snel dat zij geen respect krijgen en dat een ander ze agressief aanspreekt waardoor zij zich moeten verdedigen. Ik maak het maar al te vaak mee als ik hangjongeren aanspreek op hun gedrag. Zelfs als je op een aardige manier vraagt of ze weg willen gaan krijg je een grote bek terug en opmerkingen als waar bemoei jij je mee, ik mag zitten waar ik zit. Misschien helpt het als ik de volgende keer denk, zij kunnen er niets aan doen, hun hersenen kunnen mijn vraag om weg te gaan gewoon nog niet aan en daarom reageren zij zo. Overigens helpt koeienpoepkorrels in de plantenbakken strooien ook, heb al weken geen hangjongere meer gezien.

Pubers opvoeden

In het hoofdstuk (2) over opvoeding wordt het al snel duidelijk dat er thuis wel het een en ander is verandert in de afgelopen jaren. Niet langer geldt dit moet, maar kan over alles gepraat worden. Gepraat maar ook onderhandelen mag. Vreselijk vind ik dit. Mag ik dit zeggen, ik die geen kinderen heeft, misschien wel niet maar ik doe het toch. Het lijkt mij ook dat je als ouders helemaal geen zin hebt in dat onderhandelen en altijd maar praten. Technologische ontwikkelingen zoals televisie en internet hebben in deze cultuuromslag een hele belangrijke rol gespeeld. Een rol die eigenlijk niemand kon vermoeden. Jongeren hebben met de komst van televisie en internet toegang gekregen tot een wereld die eerst alleen het domein van volwassenen was. En dit was ook nog een ongecensureerde wereld vol sex en geweld. En als die jongeren zich dan opsluiten op hun kamer om te gaan internetten, gamen of televisie te kijken. En als de ouders dan geen idee hebben wat hun kids uitspoken. En als die kids dan alle informatie die ze nodig hebben vinden via internet. Dan gaan ouders die kids overschatten. Ouders hoeven hun kinderen echt niets meer uit te leggen hoor. Zij kunnen het allemaal best zelf. Maar is dat wel zo? Nee dus!
Maar de nieuwe technologie is niet het enige dat de machtsverhoudingen tussen jongeren en ouderen onderuit heeft gehaald. Wat ook een grote rol speelt is dat in deze tijd van vooruitgang je je als oudere nog steeds jong kunt voelen, door kleding, plastische chirurgie, het kopen van gadgets en gewoon hip zijn. Ouders willen wat hun kids hebben: jeugd! En dit is eye-opener nummer 2 voor mij:

De dominantie van de jeugdcultuur plaatst volwassenen op een achterstand. Het is een omgekeerde peergroup-relatie: niet het lidmaatschap van de leeftijdsgroep boven je, maar onder je is begerenswaardig.

Volgens de auteurs willen ouders het liefst de beste vriend(in) van hun kind zijn in plaats van de politieagent. Maar dat dit niet kan is al duidelijk geworden in een eerder hoofdstuk in het boek. Ouders moeten de plaatsvervangende prefrontale cortex voor het puberbrein zijn. Geen leuke rol misschien, maar iemand moet het doen. En dus zeg je als ouder nee en ben je misschien niet populair, maar je doet je kind hier wel een heel groot plezier mee.

Gamende pubers

En nu wordt het leuk. Vanaf pagina 47 gaat het even over gamen. Over hoe de kloof tussen ouders en kids enorm groot is. Over verslaving en over het leren van vaardigheden, over de interesse die ouders zouden moeten hebben voor de games die hun kind speelt en over TE veel is nooit goed. Interessant zijn de opmerkingen van onderzoekers zoals die van Marianne van den Boomen (UU) en Wijnand IJsselstein (TU Eindhoven).
Via gamen gaan de auteurs naar het online leven van jongeren, geld, voedsel en alcohol. Waarbij voor het laatste verbieden het devies is, naast zelf het goede voorbeeld geven.
Gelukkig worden er aan het einde van het hoofdstuk een aantal tips voor ouders van jongeren gegeven. Anders zou je als ouder dit boek lezen en denken leuk, en nu?

Pubers in het onderwijs

Laten we eens naar het onderwijs kijken. Terwijl ik altijd dacht dat er genoeg jonge docenten in het onderwijs aanwezig zijn blijkt de gemiddelde leeftijd van een docent in het voortgezet onderwijs net boven de 40 jaar te liggen. En deze docenten zijn vaak even oud als de ouders en hebben vaak zelf ook puberende kids. En is het dan makkelijker om als docent gewoon net te doen alsof je het niet ziet, om leerlingen gewoon maar tegemoet te komen en ze tevreden te houden, dan heb je tenminste ook geen last van ze maar houd je wel contact met ze.
De leerling staat centraal. Hij bepaald zelf hoe hij wil leren en de school stelt zich dienstbaar op, wordt hiermee meer een facilitator. Dat school de leerling overschat als zij hem/haar zelfstandig laten werken begint gelukkig door te dringen en op sommige plekken ook teruggedraaid. En het is ook logisch, de frontaalkwab van de puber is nog in ontwikkeling en de puber moet nog leren om te plannen, organiseren, prioriteiten stellen en problemen oplossen.

students

Afbeelding is afkomstig van Flickr – Untitled van Cooljinny

Kennis en vaardigheden moeten allebei geleerd worden op school en die balans moet gezocht worden. Het is misschien wel zo dat het kennisniveau dalende is maar het vaardighedenniveau stijgt. Waar we ons wel zorgen om moeten maken is de basiskennis van jongeren, die is over de gehele linie achteruit aan het gaan en dat is geen goede ontwikkeling. En waar volgens de auteurs ook aandacht voor moet zijn is de coachende docent, dat werkt toch minder goed dan gedacht. Pubers hebben iemand nodig die voor hen prioriteiten en grenzen stelt. Leermeesters zijn er nodig in plaats van procesbegeleiders.
En eigenlijk geldt voor school hetzelfde als voor thuis, ouders en docenten moeten streng maar betrokken zijn. En ook aan het einde van dit hoofdstuk (3) tips voor docenten en onderwijsmanagers.

De peers

Voor pubers zijn uiteraard andere pubers (vrienden) erg belangrijk. Veel belangrijker dan de ouders (behalve als het over school- en beroepskeuze gaat). En binnen die peers zijn drie verschillende relaties te onderscheiden:

  • ‘echte’ goede vrienden
  • romantische en seksuele relaties
  • brede kring van kennissen en bekenden

Geldt dit niet ook voor volwassenen vraag ik mij direct af. Geldt ook niet voor ons dat alle drie deze relatiesferen van belang zijn voor ons welbevinden. Volgens mij verschillen pubers en volwassen hier dus niet heel erg van elkaar.

Of toch wel? Jongeren tussen de 12-18 jaar hebben gemiddeld 6 à 7 echt goede vrienden en geven zij aan dat zij gelukkiger zijn als zij meer vrienden hebben. Als jongeren volwassen worden worden grote vriendengroepen vaak steeds kleiner en dat is niet erg, ze hebben elkaar steeds minder nodig omdat ze het nu alleen af kunnen. Wat ook anders is zijn de manieren van communiceren. Had ik maar een mobiel gehad toen ik opgroeide, of internet. Dan had ik ook alle details van mijn leven met de buitenwereld kunnen delen en verslaafd kunnen raken aan deze ‘zelfwereld’ (de plek waar jongeren uren kunnen doorbrengen en waar oudere mensen amper komen en nauwelijks weet van hebben). En als wij denken dat jongeren met iedereen op de wereld communiceren (the world is flat principe) dan hebben wij het mis. Vooral de peers die zij irl ook kennen zijn de peers waarmee zij communiceren. Offline en online zijn een verlengde van elkaar en het offline contact versterkt het online contact. En het online leven is belangrijk in het experimenteren met identiteit en de ontwikkeling van het zelfbewustzijn en zelfvertrouwen. Eigenlijk moet je dit jongeren niet eens kwalijk nemen. Wij waarschuwen voor de gevolgen voor later. Maar zij zijn hier absoluut niet bewust mee bezig. En dus is het niet eerlijk om 10 jaar later een puber aan te spreken op een foto die hij/zij uploade toen hij 16 jaar oud was. Niet eerlijk, maar het gebeurt wel.

peer

Afbeelding is afkomstig van Flickr – Peering van nathanborror

En dan eindelijk de bibliotheek en pubers

Naast ouders, school en vrienden leren pubers ook veel van de overige opvoeders zoals sportverenigingen, scouting en buurthuizen. Het lijkt er op dat de bibliotheek niet genoemd wordt in dit rijtje maar ik vergis mij. In de paragraaf van high trust naar low trust wordt een voorbeeld van een bibliotheek gegeven. Een bibliotheek in de randstad had advies nodig in hoe zij het beste jongeren aan kunnen trekken. Uit het onderzoek met de jongeren bleek dat zij crossmediaal denken, zij zien boeken niet los van cd’s en dvd’s, zij denken in thema’s en in activiteiten. Ook werd uit het onderzoek duidelijk dat de jongeren zich niet welkom voelen in die bibliotheek en dat er niet op een positieve manier met hen werd gecommuniceerd. De jongeren willen vanuit de high trust (vertrouwen) benaderd worden maar lopen aan tegen een low trust (wantrouwen) benadering, met als enige mogelijkheid laten zien dat zij niet zo zijn. Dat deze benadering bij sommige jongeren antisociaal gedrag uitlokt moge duidelijk zijn. Alles wat je denkt over een ander communiceer je ook in de interactie met die ander. Dit gebeurt zowel bewust als onbewust.

Vooral medewerkers van openbare voorzieningen zoals bibliotheken, winkels, buurtcentra en verenigingen kunnen een flinke slag maken in het professionaliseren van hun communicatiestijl met deze doelgroep.

Met als tip aan het einde van het hoofdstuk (5):

Denk aan je uitstraling. Als je steevast negatief denkt over jongeren, straal je dat onbewust ook uit. Wees je bewust van vooroordelen en negatieve gevoelens en ga juist in gesprek met jongeren om na te gaan waar deze gevoelens vandaan komen.

De tweede schil

De eerste vier hoofdstukken in het boek Puberbrein maken inzichtelijk hoe zich rondom iedere jongere vier betekenisgevende kaders bevinden (eerste schil). Hieromheen zit nog een schil en dat is de schil van verleiders en voorlichters. Dit zijn partijen die verder van de jongere afstaan maar wel een boodschap aan hen willen overdragen. Dit kan zijn een ministerie, een bedrijf of een charitatieve instelling.
Jongeren identificeren zich door het kopen van bepaalde merken en onderscheiden zich ermee. Als je met een jongere zou praten over een bepaald merk zul je ontdekken dat er een hele wereld achter schuilgaat, een wereld van verhalen welteverstaan. Maar hoe bereik je die jongere dan? Er komen tenslotte steeds meer massamedia bij: meer adio- en televisiezenders, meer tijdschriften, meer kranten, meer websites en SNS-en. En dus moet je op zoek naar een mediun dat jongeren bereikt. Eenvoudig is dit niet. En als je die jongere dan bereikt, pikt hij de boodschap dan wel op en krijg je dan de respons die je wilt hebben? Er bestaan veel mythes (jongeren kunnen goed multitasken, jongeren doorzien media direct en jongeren vinden moeiteloos hun weg op internet). Als je het puberbrein begrijpt dan begrijp je ook dat als je jongeren echt wilt bereiken je de boodschap zo relevant moet maken dat ze er onderling over gaan praten. De boodschap moet van de bovenstroom in communicatie (hoe partijen de boodschap de wereld in sturen)zich naar de onderstroom in communicatie verplaatsen (de ontvangers creeren eigen verhalen met boodschappen en zenden deze door aan het netwerk). Voor de zender is het goed om te beseffen dat als de boodschap opgepikt is in de onderstroom je geen invloed meer hebt op hoe die boodschap verder gaat leven. Het werkt als je andere jongeren de boodschap over laat brengen, als de boodschap authentiek is wordt hij namelijk sneller opgepikt. Dus gebruik niet overal hetzelfde verhaal, maar maak voor elk kanaal een eigen verhaal.

Studeren en/of werken, het is maar lastig

Grappig, op pagina 151 wordt de TU Delft genoemd, met een uitval van 40% van de nieuwkomers… oeps! En verder gaat het in dit hoofdstuk om studiekeuze (zijn die jongeren echt nog niet toe in staat en kiezen dus vaak verkeerd) en werk (interessant om te lezen hoe een werkgever een jongere binnen kan krijgen en kan behouden op zo’n manier dat ook de ouderen het fijn vinden).

De laatste twee hoofdstukken van het boek gaan over de maatschappij en participatie en over de multiculturele samenleving. Deze twee hoofdstukken heb ik wel schuin doorgelezen maar deden mij niet zo heel veel. Het is ook niet het terrein waarbinnen ik opereer en dus sprak het mij het minste aan. Aan het einde van het boek worden nog een paar laatste gedachten van de auteurs beschreven. Opvallend: met de meeste jongeren gaat het gewoon goed!!

Het lezen van het dankwoord zorgt ervoor dat ik begrijp waar de illustraties vandaan komen. Aan jongeren is gevraagd om foto’s te maken van voorwerpen die belangrijk voor hen zijn. Zo gaven zij een kijkje in hun leven, als in een kijkdoos.

En wat vond ik er nu van?

Het boek leest lekker weg, geeft interessante informatie over het puberbrein en zorgt ervoor dat ik onze studenten aan de universiteit beter kan begrijpen. Hun brein is ook nog niet volgroeid, ook al denk ik vaak van wel. Interessant vond ik de verhalen uit de praktijk en de quotes. Zij maken het boek levendig.

Jammer, maar dat is een detail van een boekenliefhebber. Het boek is gelijmd en dus komt de kaft los als je het boek te ver open vouwt. Jammer, zonde, maar niets aan te doen. Misschien is er ook een gebonden versie te koop. Als dat zo is dan zou ik die kopen. Want dit is zeker een boek dat je er af en toe nog even bij pakt om te lezen hoe het ook alweer zit.

2020: de toekomst van het leren

Hoe ziet het leren van de toekomst er uit? De KnowledgeWorks Foundation doet samen met het Institute for the Future een aanzet met 2020 Forecast: Creating the Future of Learning.

Op de website lees ik:

A Radically Different World

If you think our future will require better schools, you’re wrong.

The future of education calls for entirely new kinds of learning environments.

If you think we will need better teachers, you’re wrong.

Tomorrow’s learners will need guides who take on fundamentally different roles.

As every dimension of our world evolves so rapidly, the education challenges of tomorrow will require solutions that go far beyond today’s answers.

De komende jaren zal volgens hen de innovaties die te maken hebben met onderwijs, zoals wij het kennen, vooral buiten de traditionele instituten plaatsvinden. De 2020 Forecast: Creating the Future of Learning geeft het dilemma weer waar de traditionele instituten mee te maken krijgen: hoe pas je namelijk bottom-up ontwikkelingen toe in een top-down hiërarchie van de organisatie. Deze omslag geeft volgens hen weer hoe leren en onderwijs opnieuw gedefinieerd moet worden. Dit samen met de vraag om verandering en de nieuwe stakeholders zorgt er voor dat er een nieuwe toekomst voor leren moet worden ontwikkeld. Iedereen kan meedoen om deze toekomst veilig te stellen. De website, die bij de publicatie hoort, helpt om nieuwe dimensies te ontdekken in deze tijd van verandering, maar helpt ook om mee te helpen aan de toekomst van leren.

De 2020 Forecast is een gereedschap om na te denken over, je klaar te maken voor en mee te helpen aan de vorming van de toekomst. Het laat de belangrijke factoren zien van het veranderende leerlandschap. De forecast is geen voorspelling voor de toekomst, maar meer een gids voor de ongeschreven toekomst. Het is ontworpen om te helpen om samenhang te zien in dingen die niets met elkaar lijken te hebben en helpt je na te denken over kansen en mogelijkheden die je vandaag de dag tegenkomt en deze te plaatsen in een groter geheel.

De 2020 Forecast maakt gebruik van vier soorten informatie: drivers of change, trends, signals en learning agents. De aandachtsgebieden zijn hieronder in een schema weergegeven:

2020toekomstleren

Als je meer wilt weten over een van de drivers of change dan kijk je bij learn more. Hier vind je informatie, trends, bronnen, maar ook acties die je nu al kunt ondernemen.

Zoals bijvoorbeeld Knowledge met Pattern Recognition als driver:

2020kennis

Hierbij is een van de trends Games as Practice. En wordt Games for Change als een van de voorbeelden gebruikt.

De 2020 Forecast: Creating the Future of Learning is ook in print te bestellen. Je moet dan alleen wel een account hebben of aanmaken om de bestelling te kunnen plaatsen.

Met dank aan: Derek’s blog

Mobiel… zijn we er klaar voor?

Dit was de titel van de CWIS-NL bijeenkomst van 17 maart. Vanwege de locatie (SURFnet) konden er niet zo heel veel mensen bij zijn dit keer en was het snel volgeboekt. Hopelijk volgende keer dus gewoon weer bij Mediaplaza.

kamphuis

De dag werd geopend met Toine Kamphuis van de Hogeschool Utrecht (centrum voor communicatie en journalistiek). Hij sprak over de uitdagingen en obstakels die je tegenkomt als je met mobiel aan de slag gaat. Nu is Kamphuis iemand die erg van het geschreven woord houdt en meent dat beelden subjectief zijn. Liever dus een korte tekst mobiel presenteren dan een afbeelding. Mijn nekharen gingen nog net niet overeind staan want kun je in een tijd waarin visuele geletterdheid naast “gewone” geletterdheid een belangrijke rol speelt nog vinden dat beelden niet zo belangrijk zijn? Is het niet zo dat jongeren meer met beelden hebben dan met tekst? En als het antwoord op de vorige vraag ja is, en als deze jongeren hun mobiel gebruiken om informatie te vergaren, moet je dan niet juist met beelden werken in plaats van met tekst?

Ik kan Kamphuis volgen als hij zegt dat het omzetten van webteksten naar mobiel niet voldoende is. Je moet eigenlijk nog meer knippen in de tekst en er nog kleinere brokken van maken om het op een mobiel leesbaar te krijgen. En ook begrijp ik dat je moet inspelen op de behoefte van de moderne informatieconsument die communicatie (netwerken) en nieuws updates en actualiteit belangrijk vindt en dat je mobiel op opnemen in de mediamix. Maar als Kamphuis dan aan het einde van zijn praatje zijn goeroepet op zet (zoals hij het zelf noemt) en zegt dat het eigenlijk nog te vroeg is om je met mobiel bezig te houden omdat het lastig is en veel geld kost, naast dat het tijdrovend en ondankbaar werk is om teksten over te zetten naar een mobiele versie. Sorry dan ben je mij dus gewoon kwijt.

De volgende spreker was Joost Ligtvoet van Biggerworks. Hij zegt dat mobiel je content aanbieden effectief betere resultaten geeft dan op het web hetzelfde doen en vindt mobiel nog steeds een erg innovatief medium. Zeker vanwege de locatiebepaling die tegenwoordig mogelijk is kun je inspelen op de context van waar de gebruiker zich bevindt. Belangrijke doelgroep om je op te richten zijn dan toch wel de 15-35 jarigen. Ook geeft hij wat getallen als het gaat om iPhone gebruik. Ik wist bijvoorbeeld niet dat iPhone gebruikers 5x meer surfen op internet dan andere mobielgebruikers die ook internet op hun mobiel hebben. En dat iPhone gebruikers 8x meer downloaden. Maar ook dat zij 3x meer aan social networking doen. Als gevolg hiervan komen contentpartijen met applicaties voor de iPhone en komen andere fabrikanten met iPhone look-a-likes. Ligtvoet pakt vervolgens zijn iPhone en Google-phone uit zijn tas en laat deze rondgaan. De Google-phone ziet er ook mooi uit en ik heb de kans gehad om er al wat langer mee te spelen maar voor mij is de Google-phone het nog net niet. Oke als je het kompas gebruikt en hiermee op zoek gaat naar interessante dingen in de buurt van waar jij staat is dat leuk, zinnig en handig. Maar de iPhone blijft voor mij gewoon handiger in het gebruik en de app-store zorgt ervoor dat ik de applicaties vind die ik wil gebruiken.

Ligtvoet geeft in zijn presentatie nog wat voorbeelden zoals Blyk, een dienst die binnenkort in Nederland gelanceerd wordt.

blyke

Blyk is een dienst die jongeren verbindt met hun favoriete merken (na invullen van een profiel) en elke maand gratis belminuten en sms-jes daarvoor in ruil teruggeeft.

Of de Heineken campagne rondom introductie van het nieuwe merk Jillz.

jillz

Vrouwen die in de kroeg de bluetooth van hun mobiel aanzetten kregen een berichtje en een gratis Jillz drankje. 40% van de vrouwen voelden zich aangesproken door het schatje bericht en kregen een gratis drankje. Succesvol dus volgens Ligtvoet. De vrouwen in de zaal hadden het schatje gedeelte liever niet geweten geloof ik.

En als laatste het voorbeeld van het Filmfestival Rotterdam waar je via bluetooth gratis mobiele filmpjes opgestuurd kon krijgen.

Bluetoothreclame.nl lanceerde in samenwerking met NPS en filmfestival Rotterdam haar nieuwste innovatie. Een interactieve zuil waarvan festivalbezoekers NPS Micromovies konden downloaden op hun mobiel. Via een touchscreen kon de bezoeker een keuze maken en de film via bluetooth op zijn mobiel downloaden. De downloadmogelijkheid werd in zeven theaters geboden. Deze interactie tussen een touchscreen en bluetooth is uniek. De filmfestivalbezoekers ontvingen een bericht op hun telefoon waarin ze werd gevraagd of ze van deze mogelijkheid gebruik wilden maken, 90% accepteerde.

Bron: Admanager

En als je als merk of instelling nu wilt dat meer mensen gebruik gaan maken van jouw mobiele site dan kun je altijd sms 9009 gebruiken. De consumenten sms-en MERKNAAM naar 9009 en krijgen gratis de link van de mobiele website terug. Superhandig om te gebruiken in advertenties of tijdens open dagen van bijvoorbeeld een universiteit.

Natuurlijk maakte Ligtvoet ook even reclame voor een mobiele site die zij gemaakt hebben en die binnenkort voor KFC wordt geïntroduceerd, maar dat was niet erg. Zijn presentatie was boeiend, interessant en leerzaam dus dat beetje reclame stoorde mij in ieder geval niet.

veelo

Kirsten Veelo van SURFnet liet vervolgens een aantal voorbeelden zien van mobiel en onderwijs. Zij vertelde over Mscape waarbij leerlingen met gebruik van een PDA buiten dingen doen. Zoals bijvoorbeeld rondlopen in Delft en ondertussen leren over Willem van Oranje waarbij de leerlingen meer leerden over geschiedenis dan dat zij dat doen met een boek in een leslokaal.
Mobiel leren gaat tenslotte over leren met mobiele techniek en kan dus meer zijn dan alleen een mobiele telefoon. Denk ook maar eens aan een Asus EEE of een Nintendo DS of een E-book reader.

Momenteel draaien er vijf pilots rondom mobiel leren bij het platform. Veelo noemt  WRTS.nl waarbij de leerlingen woordjes leren door gebruik te maken van een iPhone waarbij momenteel wordt getest welke groep (degene met of zonder iPhone) het beste de woordjes leert. Ook geeft zij het voorbeeld van het UMCG waarbij tijdens de college’s radiologie de studenten op een PDA rontgenfoto’s toegestuurd krijgen en door middel van het aanklikken van zones op de afbeelding op de PDA aan de docent laten weten of zij de stof goed begrepen hebben. De docent kan dan pas verder met het college als iedereen een antwoord heeft gegeven wat zorgt voor meer interactie en betrokkenheid. De studenten krijgen na het college de afbeeldingen mee op hun PDA zodat zij er thuis ook nog eens naar kunnen kijken.

Toch zijn er volgens Veelo nog technische drempels die ervoor zorgen dat implementatie niet zomaar uit te voeren is. Te denken valt aan kleine beeldschermen van de mobiel, traag internet, veilige netwerken zeker als het gaat om authenticatie van gebruikers, maar ook de veiligheid van de data. Ook zijn er onderwijskundige drempels, is mobiel wel een effectief en efficient leermiddel? Hier proberen zij antwoord op te krijgen door het doen van pilots.

Op de website mobielonderwijs.nl vind je meer informatie over de pilots en kun je ook het boek de wereld als leeromgeving downloaden.

Christian Hesselman van het Telematica Instituut liet ons een aantal voorbeelden zien van mobiel internet als extensie van de desktop. Waarbij hij twee trends waarneemt; een waarbij de mobiele telefoon als sensor dient en een waarbij de mobiele telefoon als interface wordt gebruikt voor andere diensten.

Voor de eerste trend gaf hij het voorbeeld IYOUIT oftewel een mobile 24×7 life recorder. Hierbij wordt de mobiel gebruikt als een apparaat dat alle informatie over je opneemt en deelt op internet en met vrienden.

iyouit

Volgens Hesselman wordt met IYOUIT rauwe sensordata naar een hoger niveau getilt. Het systeem herkend coordinatoen en vraagt aan de gebruiker of dit een plaats van betekenis is, hierna kan de gebruiker door middel van tags aangeven of dit zo is of niet. Bijvoorbeeld tags als kantoor, thuis, oma, etc. Het systeem kan ook automatisch taggen. Je maakt dan een foto en op basis van wat de camera ziet worden er tags aan het beeld gekoppeld. Momenteel wordt er gewerkt aan een holiday recorder waar locatie, weerconditie en foto’s samenkomen. Een digitaal vakantiealbum zeg maar. Geweldig speelgoed als je het mij vraagt, jammergenoeg niet beschikbaar voor andere telefoons dan de Nokia Series 60-terminal (2e en 3e generatie).

Voor een voorbeeld van de tweede trend liet Hesselman dit filmpje zien (een aanrader – helemaal afkijken dus!):

Aan het einde van de dag was er nog ruimte voor enkele praktijkvoorbeelden waarbij Stefan van den Dungen Gronovius (HAN) als enige het podium nam om te vertellen over de inzet van QR-code tijdens een open dag.

cwistwitter

Collega John vroeg op Twitter of iemand even een fotootje wilde maken en dat heb ik dus maar gedaan.

Workshop Internet en Onderwijs – onderwijs online

Vanmiddag was ik naar Utrecht om de workshop Internet & Omderwijs bij te wonen. Nu heette de bijeenkomst workshop maar het was meer een seminar of een luistermiddag met drie sprekers.

Een dame van Lectric Internetopleidingen opende de middag. Zij sprak over de generatiekloof tussen docenten en studenten. Door middel van een aantal anekdotes van haar eigen kinderen motiveerde zij de uitspraak: doe mij maar online, een quote van een student van Koning Willem I College. En ook al zou het geen verkooppraatje worden (beloofde zij aan het begin van haar presentatie) toch werd er wel even aandacht besteed aan een van de aangeboden opleidingen over intranetten en gaf zij tips om het draagvlak voor het gebruik van intranet te vergroten.

Hierna was het tijd voor de presentatie van Jorn Moraal over jongerenmarketing (voor een week hier te downloaden). Moraal begon zijn presentatie met een inleiding over de generatie 2.0 en sprak over het nieuwe communiceren anno 2008. Hij vertelde dat wij in Nederland het gebruikerspatroon van de doelgroepen niet volgen. Wij weten namelijk, door onderzoek, dat jongeren weglopen als er reclames op televisie worden getoond en toch geven bedrijven nog steeds heel veel geld uit aan televisiereclames. Het mediabudget van internetmarketeers in maar 5% terwijl met het huidige internetgebruik je zou verwachten dat dit budget veel hoger zou zijn. In Engeland begrijpen ze het wel, meent Moraal, hier overtreft het budget voor internetmarketing namelijk bijna dat van televisie.

Vervolgens ging Moraal wat meer in op de Generatie Einstein. De generatie die internet niet als techniek gebruikt maar als een sociaal gebeuren. De generatie die relaties verbreekt via MSN en sociale networking sites. En de generatie die emotionele waarde geeft aan sms, msn, internet en games. Deze groep die na de Generatie Einstein komt kan snel informatie vergaren maar kan vervolgens deze informatie niet toetsen aan de waarheid, voor hen is alles waar. Toch staan zij extreem kritisch tegenover commerciele boodschappen.

Door de enorme keuzemogelijkheden en hoeveelheid informatie die deze jongeren dagelijks over zich heen krijgen zie je negeergedrag ontstaan (cognitieve dissonantie of keuzestress).

fragmentatie = desorientatie

Maar waar het vooral om gaat is om engagement. En om dit te bereiken kun je een aantal dingen doen:

1. Durf je te onderscheiden en maak producten voor early-adapters en innovators
2. Wees sociaal, jongeren geloven dat bedrijven meer kunnen betekenen dan de overheid en kopen graag producten als zij hier een goed doel mee ondersteunen
3. Eerst luisteren en dan praten, kijk bijvoorbeeld eens naar zoekgedrag bij Google, je weet niet wie er zoekt maar je weet wel wat er gezocht wordt.

Niche is the new mass

In het laatste deel van de presentatie gaf Moraal een aantal Do’s en Don’ts zoals betrek de doelgroep bij nieuwe campagnes, entertain en daag de jongeren uit, zoek individuen (verdeel de grote doelgroep in kleine subgroepen) en zet crossmediale media in.

Hierna was het tijd voor Andy Wagenaar. Zij is projectleider PR aan de Hogeschool van Utrecht en ook stond zij aan de wieg van twee bijzondere marketingactiviteiten; uniek door techniek en find the code. Jammer genoeg bleef zij iets te lang hangen bij het waarom en de achtergronden van de projecten en was er weinig tijd voor het hoe en wat het opleverde. Wat zij wel heel goed had begrepen is dat het voor de luisteraar interessant is om te horen wat er niet zo goed is gegaan en waar zij tijdens het proces tegenaan gelopen zijn. Blijkbaar zijn oude media (zoals print) vaak kostbaar en leveren zij niet zo heel veel op. Wagenaar gaf het voorbeeld van de posters die voor find the code op Abriformaat waren ontwikkeld. Dit leverde zo weinig extra inschrijvingen op dat de posters gratis zijn weggegeven en nu in veel studentenhuizen hangen.

Al met al een interessante middag die vooral interessant was door de presentatie van Jorn Moraal. Er zaten veel mensen van onderwijsinstellingen in de zaal maar veel tijd voor netwerken en nieuwe mensen ontmoeten was er niet en dat was toch jammer. Het zaaltje was niet heel erg geschikt voor de presentaties die getoond werden. Slides van onder tot boven vol geschreven zonder beeld…. wanneer dringt het nu eens door dat dit echt niet langer kan. Maar evengoed een welbestede middag daar in het Utrechtse.

6 & 7 november: Game in the City

Als mijn agenda het toe had gelaten zou ik hier graag naartoe zijn gegaan. Hier = Game in the City, een gratis tweedaags evenement dat op 6 & 7 november in Amersfoort wordt gehouden.

Op 6 november een congresdag met als thema Breaking the Rules:

Het thema van het congres ‘Breaking the Rules’ wordt van verschillende invalshoeken belicht: Wat is de invloed van vernieuwing en verandering op ons denken en welke rol spelen games daarin?

En op 7 november onder andere masterclasses en Chiptune.

Met dank aan: Cross Media Forum

Waar ik ook lees over het Cross Media Café:

iMMovator zal tijdens Game in the City op 6 november vanaf 14.00 een speciaal Cross Media Café organiseren met als thema Media & Business, waarin aandacht voor de wisselwerking en verwevenheid tussen traditionele media, games en real life.

Web 2.0 in de klas

Solution Watch schrijft 3 “hoofdstukken” met als titel Back to School with the Class of Web 2.0. Deel 1 gaat over covering tools, deel 2 over covering office applications en deel 3 over real cases of Web 2.0 used in classrooms around the world.

Zeer uitgebreid en zeker de moeite waard om een aandachtiger te bekijken.

Meer info: Solution Watch – Deel 1, Deel 2, Deel 3.