Internet Skills: the state of the art in research and policy

Afgelopen vrijdag was ik bij het symposium Internet Skills: the state of the art in research and policy, georganiseerd door de IBR (Research Institute for Social Science and Technology) in het winterse Enschede. Het was spannend of collega Anke en ik het zouden halen, het weer was nogal onvoorspelbaar. Maar na een kleine 3 uur rijden kwamen wij net te laat aan bij de universiteit. Ze waren nog niet begonnen dus snel een kop koffie en naar binnen.

Jan van Dijk (Universiteit Twente) opende de dag met een korte introductie op het onderwerp.
Hij sprak over een tweede niveau van de digital divide. Niet langer is de fysieke toegang tot internet het probleem maar zijn de skills en het gebruik van nieuwe technologie die ervoor zorgen dat de scheiding steeds groter wordt.

Hij gaf het weer in een schema:
motivation -> physical and material access -> digital skills (strategic, information, formal, operational) – > usage (frequency, number and type of applications)

Vervolgens had van Dijk het over de termen en wat zij betekenen, praten wij over geletterdheid (literacy) of over vaardigheden (skills)?
De traditie van geletterdheid is ouder dan die van de vaardigheden:
– literacy tradition: focus on knowlegde and cognitive aspects: often normative and critical

met eronder media literacy en information literacy
skills tradition: focus on competencies (inter) action, interfaces – more empirical and practical

Van Dijk beschreef vervolgens de verschillende manieren van waarop vaardigheden en competenties gemeten worden voor wetenschappelijk onderzoek.

  • test/exams – guided type of measurement
  • self-assesments in questionaires – validity problems
  • performance tests in controlled conditions – general goals and norms: what every user should ben able to do – expensive and labour-intensive
  • proxy questions for surveys validated before (in tests) – difficult to find, especially concerning information and strategic skills

Het zoeken naar informatie is niet langer meer het belangrijkste maar communicatie en entertainment wel. Je hebt dus niet alleen communicatieve vaardigheden nodig maar ook vaardigheden om content creatie te kunnen doen. Dit omdat web 2.0 en social media hierom vragen. Daarnaast vragen games om entertainment vaardigheden.

De oplossingen hiervoor:

  • supply of technology that improves in accessibility and usability (hardware, software, applications)
  • education at all levels and of all kinds (improvement of regular education, to take account of information and strategic skills in general context – improvement of adult education, to take account of operational and formal skills and information or strategic skills required in special contexts)

De tweede sprekers van de dag was Eszter Hargittai, speciaal overgekomen uit Chicago voor de promotie van Alexander van Deursen over het onderwerp.
Hargittai deed onderzoek naar de internetvaardigheden van studenten. Voor haar onderzoek vroeg zij studenten van de University Illinois in Chicago. Zij vroeg specifiek niet haar eigen studenten omdat zij lesgeeft op een elitaire privéschool. De diversteit op de University Illinois is groter en dus interessanter voor het onderzoek. Haar onderzoek bestond uit het vragen naar begrippenkennis, bijvoorbeeld wat is een bcc? Waarbij opviel dat zelfs met meerkeuze antwoorden 35% niet wist wat bcc betekende. En ook begrippen die gerelateerd zijn aan web 2.0 zoals wat zijn rss-feeds?

the wired generation … but not in every way
in 2009 zit 4% van de studenten op twitter
in 2010 is dat 18%
30% gelooft dat er achter wikipedia officiele uitgevers en editors zitten

Haar onderzoek is superinteressant en de slides kwamen te snel voorbij om goed aantekeningen te kunnen maken. Haar publicaties zijn online te vinden. Haar presentatie van vrijdag nog niet.

Jos de Haan van de Erasmus Universiteit Rotterdam ging wat dieper in op Nederlands onderzoek. Hij doet al onderzoek naar internetvaardigheden sinds 1998. Toen had 60% een pc thuis waarvan 15% internettoegang had. In 2009 heeft 93% een pc thuis met internet (89% heeft een breedband internetverbinding)

Bij het onderzoek worden vragen gesteld als:

  • did you do this yourself or did you get help
  • did you do the following things
  • do you know how to do the following things
  • which method do you prefer
  • self assessment

Er werd bijvoorbeeld gevraagd of:
1. gevraagd voor installeren van pc (was in die tijd nog ingewikkeld) – naast de vraag of je zelf televisiestations hebt geinstalleerd
2. programmeren van vcr, telefoonnummers opslaan op mobiel, connect a fax
3. make maps, make nicknames, send attachment, decode (werd gevraagd aan mensen die emailden)
4.tijd vinden dat trein weggaat, zoeken naar telefoonnummer

In Digitalisering van de leefwereld (2000) en Van huis uit digitaal (2002)  vind je de resultaten van het onderzoek terug.

Volgens de Haan is het thuis een computer hebben hetgene wat het verschil maakt. Ouders hebben een kleine inbreng en school heeft volgens hem geen toegevoegde waarde. Oftewel het leren van internetvaardigheden doe je niet op school.

instrumental skills: teenagers more skillful, but mainly at the easy tasks
fathers are most the skilled at more difficult tasks

De Haan verwees aan het einde van zijn presentatie naar een interessante website: www.eukidsonline.net

Eugene Loos van de Universiteit van Amsterdam vertelde over zijn onderzoek, wat meer over gedrag gaat dan over vaardigheden. En dan met name het internetgedrag van ouderen. Hij stelde aan ouderen een eenvoudige zoekvraag die zij met behulp van internet op moesten lossen. Door middel van eye-tracking volgden zij het gedrag. Als na drie minuten het antwoord niet was gevonden werd het onderzoek gestopt. Naast de eye-tracking resultaten werd een heatmap gemaakt om weer te geven waar op de website de meeste actie plaatsvond.
Loos concludeerde dat ouderen die elke dag online zijn hetzelfde gedrag vertonen als jongeren.

Collega van Loos, Els Kuiper (eveneens van de Universiteit van Amsterdam) vertelde over de vaardigheden van studenten.

  • meeste kinderen leren internetvaardigheden buiten school
  • internetgebruik is dan ook vaak buiten school
  • internetgebruik op school en buiten school zit enorm gat tussen

Informatievaardigheden: what do childern know and don’t know (kinderen tussen 8-16 jaar)

  • google is favoriet
  • kinderen verschillen niet veel van ouderen in wat ze wel en niet weten
  • internet is hun thuis
  • internet is informatiebron
  • kinderen die niet kunnen lezen en schrijven gebruiken google om plaatjes te zoeken
  • google wordt steeds kindvriendelijker
  • meeste kinderen hebben geen geavanceerde vaardigheden
  • jonge kinderen hebben last van een taalbarrière, oudere kinderen zijn vaak slordig
  • lezen is een probleem
  • google wordt vertrouwd
  • evalueren van informatie van internet is moeilijk
  • kinderen weten dat een boek betrouwbaarder is dan en website, maar ze weten niet hoe ze het moeten beoordelen

Met als conclusie:

  • also synthesising the information found is difficult: the trap of looking for the right answer
  • paradox: using the web ask for an active attitude, but the vast amount of easy-to-access information leads to passive users
  • reading is basic: vocabulary and comprehensive reading skills
  • dilemma: the web is used as an educational tool but is not designed for childern nor for educational settings

Wat moeten kinderen weten als zij internet gebruiken en hoe worden zij succesvol in het gebruik daarvan? Waarom kinderen niet succesvol zijn komt vooral omdat zij niet zo flexibel zijn, vaak geen geduld hebben, zij op zoek zijn naar kant-en-klare antwoorden en dat zij Google vertrouwen.

effective internet is use = skills + reflective ability

Ook sprak Kuiper over de rol van het onderwijs.
The function of education in connection with information skills and reducing digital inequality:

  • qualifying function: schools must prepare students for society
  • qualification for a profession
  • general skills you need to participate in society
  • while offering equal opportunities for all students

Zij ziet twee doelen voor het onderwijs:

  • information skills are needed with a view to learning of school knowledge
  • information skills are needed in order to be able to use the internet for one’s own empowerment
  • the latter is related to citizenship education: ‘virtual citizenship’
  • how can the acquistition of critical and reflective internet use take shape for all groups of students?
  • how can it be prevented that certain groups of students can make less use of the opportunities of the digital information society?

Leo Besemer vertelde ons iets over het Europees computer rijbewijs. Nu vind ik dit niet zo’n interessant onderwerp dus heb ik ook geen aantekeningen gemaakt.

Marije Stam & Heleen Kist mochten de dag afsluiten. Zijn zijn van ECP-EPN / digivaardig-digibewust. Deze organisatie vindt digitale vaardigheden en het digibewust zijn randvoorwaarden in onze maatschappij en kenniseconomie. Cijfers zijn schokkend, 1,6 miljoen Nederlanders kan niet of nauwelijks met de computer of internet omgaan. Een klein deel van de bevolking benut het potentieel van internet (13% heeft hoog niveau van internet vaardigheden). Het ontwikkelen van digivaardige werknemers tot een basaal niveau kan Nederland 250 miljoen opleveren.

Doelen van ECP-EPN zijn:

  • afname digibeten
  • toename digitale vaardigheidsniveau van alle Nederlanders
  • bevorderen van het benutten van de mogelijkheden van ICT bij verschillende doelgroepen
  • meer verantwoord en veilig gebruik bij aandachtsgroepen door het informeren van zowel de mogelijkheden als de risico’s van de digitale wereld

Met een aantal voorbeelden zoals klik&tik en internet bootcamp lieten zij ons zien wat ECP-EPN onder andere doet.

Nu ben ik een aantal jaar geleden aanwezig geweest bij de startbijeenkomst van digivaardig-digibewust van ECP-EPN. Daarna was ik bij een startbijeenkomst van de werkgroep waar ik me voor had ingeschreven en daarna was het stil….. ik heb nooit meer een uitnodiging gehad voor de werkgroep of een bericht dat deze was opgeheven. Moet toch maar eens onderzoeken wat er mee is gebeurd en kijken of ik weer aan kan haken.

Deze dag was georganiseerd rondom de promotie van Alexander van Deursen. Zijn proefschrift staat online en kun je downloaden.

Het was een interessante dag, ook al vervielen de sprekers soms in herhaling. Blijkbaar komen zij tot dezelfde conclusies. Ook had ik het gevoel bij een select groepje te zijn aanbeland, een ons-kent-ons gevoel overviel mij soms. Dat is niet erg, de inhoud was interessant genoeg.

Om niet al te laat thuis te komen zijn mijn collega en ik niet gebleven voor de borrel. En we hebben er maar 3,5 uur over gedaan om weer in Rotterdam te komen. Viel dus eigenlijk best wel mee 🙂

Gezocht: werkende gamers

Collega en vriend Harald Warmelink is voor zijn promotieonderzoek op zoek naar werkende gamers. Omdat ik hem graag help plaats ik zijn oproep ook hier.

Ben jij…

1)      woonachtig en werkzaam in Nederland,

2)      (tot recentelijk) minstens 6 maanden lid van een specifieke online gaming of virtuele wereld community, bijvoorbeeld een ‘guild’ of ‘clan’ (in welke (massively) multiplayer computer game(s) of virtuele wereld(en) dan ook),

3)      gemiddeld minstens 5 uur per week aan de virtuele wereld(en), game(s) of community kwijt

4)      en full- of parttime werkzaam bij een commercieel bedrijf, of van plan om dat binnen 6 maanden te zijn (in welke branche dan ook)?

Dan zoek ik jou!

Verdien een vrij te besteden Amazon.com tegoedbon ter waarde van $30 door als ‘panellid’ mee te werken aan mijn onderzoek.

Ken jij mensen die aan bovenstaande voorwaarden voldoen? Geef dan gerust deze oproep door.

Voor meer info of opgeven, e-mail H[punt]J[punt]G[punt]warmelink@tudelft[punt]nl

Hoe leven en leren jongeren met nieuwe media

Na drie jaar van onderzoek heeft MIT onlangs een boek gepubliceerd over hoe jongeren leven en leren met nieuwe media.

Conventional wisdom about young people’s use of digital technology often equates generational identity with technology identity: today’s teens seem constantly plugged in to video games, social networks sites, and text messaging. Yet there is little actual research that investigates the intricate dynamics of youth’s social and recreational use of digital media. Hanging Out, Messing Around, and Geeking Out fills this gap, reporting on an ambitious three-year ethnographic investigation into how young people are living and learning with new media in varied settings—at home, in after school programs, and in online spaces.

Door te focussen op de praktijk in het gebruik van nieuwe media binnen de alledaagse context geeft het boek de relatie weer van jongeren en nieuwe media. Hiermee gaat het boek verder dan alleen te kijken naar media- en technologie trends en hoe jongeren hierop reageren.
Met behulp van 23 verschillende casestudies zoeken de auteurs naar groep dynamiek en verdieping in de analyses.

De hoofdstukken zijn onderverdeeld in:

  • Media Ecologies
  • Friendship
  • Intimacy
  • Families
  • Gaming
  • Creative Production
  • Work

Ik heb het boek nog niet gelezen, alleen door heen gebladerd, maar hij staat zeker op mijn toread lijstje. De voorbeelden die gegeven worden van jongeren die zijn geïnterviewd voor het onderzoek (bijvoorbeeld een dag in het leven van een 12-jarige, een msn-achtige conversatie, etc) geven een kijkje in het leven van de jongeren die verder gaat dan het alleen beschrijven.

Met dank aan: Ayman (waar ook een pdf van het boek te vinden is)

Hoe gebruiken jongeren media nu echt?

Wij nemen vaak dingen aan als het om jongeren en het gebruik van media gaat. Jongeren zijn multitaskers, gebruiken het internet activer dan ouderen en doen daar dan ook andere dingen mee en met traditionele reclameuitingen hebben jongeren niet zo veel. Maar is dit wel zo? Nielsen zocht het uit (in de VS) en de resultaten staan in het onderzoek How Teens Use Media (pdf).

nielsen_teens

Nielsen laat een aantal mythen passeren en geeft aan of zij waar zijn of niet. Zoals deze:

  • Teens are abandoning TV for new media
  • U.S. teens are the world’s couch potatoes
  • Teens are driving the growth of online video
  • Due to expense, mobile video is beyond a teen’s reach
  • Teens are the most avid users of the Internet
  • Teens use the Internet in wildly different ways than adults
  • Teens are the biggest gamers of all
  • Teen gamers spend all their time playing “Mature” shooter games

En als je aan het einde van het rapport de conclusies leest zou het zomaar kunnen dat tieners misschien wel net zo benaderd willen worden als hun ouders en dat hun gebruik van media niet eens zoveel van de ouders verschilt. In de Verenigde Staten dan, zou het in Nederland ook zo zijn?

Met dank aan: Bijgespijkerd

Ebooks en onderwijs

Een paar maanden geleden mocht ik een aantal ebookreaders testen voor de universiteitsbibliotheek waar ik werk. Maar niet alleen ik testte de readers ook studenten, docenten en onderzoekers deden mee. Wij kwamen allemaal tot dezelfde conclusie: aardige apparaten maar voor het onderzoek en onderwijs is het nog net niet voldoende doorontwikkeld. Tenminste niet voor het soort onderzoek en onderwijs dat op de TU Delft wordt aangeboden. En dus besloot de bibliotheek dat er nog geen dozijn ebookreaders aangeschaft hoefde te worden om deze uit te kunnen lenen aan de gebruikers.

Sindsdien houd ik de ontwikkeling van ebookreaders en ebooks in de gaten en bewaar ik alles wat ik tegenkom over de verschillende readers die op de markt zijn, de ervaringen die gebruikers met de readers hebben, maar ook de links met catalogi van ebooks. Daarom viel het bericht bij ResourceShelf mij ook op waar aandacht wordt geschonken aan een onderzoek van JISC over ebooks in het onderwijs.

jisc_ebooks

In de afgelopen twee jaar heeft JISC samengewerkt met universiteiten in de UK om te onderzoeken hoe ebooks gebruikt worden door studenten en docenten. Bij aanvang van het onderzoek gebruikten zij 36 ebooks die gebruikt worden in het onderwijs op het gebied van management, media studies, techniek en medicijnen. Deze boeken werden geselecteerd door een speciale commissie en gratis beschikbaar gesteld voor alle gebruikers binnen het hoger onderwijs op het MyiLibrary platform. Aan het onderzoek deden 127 universiteiten mee.

Het onderzoek had twee doelstellingen:

  • to collect qualitative and quantitative data on e-book user behaviours
  • to measure the impact of making e-books freely available at the point of use on publisher’s print sales and library circulation figures.

In januari 2008 werd de eerste enquete gehouden onder de gebruikers en maar liefst 23.445 mensen deden hieraan mee (resultaten). Een jaar later werd deze enquete herhaald. Deze zomer zullen de resultaten van beide onderzoeken vergeleken worden en zal er een nieuw rapport uitkomen.

Een drietal opmerkelijke dingen die in deze korte rapportage te vinden zijn:

  • de meeste studenten lezen verschillende verschillende hoofdstukken in korte perioden en gebruiken de ereader voor 11 minuten of langer per sessie
  • maar 26% van de docenten raden het lezen van ebooks niet aan, aan studenten
  • 64% van de studenten gebruiken ebooks en 52% verkrijgt deze via de bibliotheek in plaats van ze op internet te downloaden/kopen of ze van vrienden/collega’s te lenen.

En nog een fijn antwoord voor de universiteitsbibliotheken:

jisc_ebooks_bib

Gebruikt beeldmateriaal is afkomstig van Flickr – recruit more techs! van striatic

Online catalogus: wat willen de gebruikers?

Onlangs verscheen een nieuw rapport van OCLC met de titel Online Catalogs: What Users and Librarians Want (link naar volledige onderzoek pdf). Vanaf pagina 19 worden de belangrijkste bevindingen gegeven:

  • The end user’s experience of the delivery of wanted items is as important, if not more important, than his or her discovery experience. Appropriate, accurate and reliable data elements supporting the transitional experience from discovery through delivery are critical.
    De eindgebruiker verwacht een goed lopende stroom van ontdekking tot aan levering van materialen. Eindgebruikers willen direct weten of een item aanwezig is en zo ja, hoe zij hier aan kunnen komen. Voor online bronnen geldt dat de gebruiker directe links wenst of eenvoudigere toegang, dit geldt zowel voor tekst als voor overige media.
  • Discovery-related information elements beyond author and title, such as summaries, excerpts and tables of contents, are essential aspects connecting the stages of an end user’s discovery-to-delivery experience.
    Tijdens het zoeken verwachten gebruikers waardevolle informatie die geevalueerd is door een expert. Deze informatie ondersteunt de gebruiker in de zoektocht naar materialen en helpt bij het verwerven van het materiaal. Bibliotheken moet het voor de gebruiker eenvoudiger maken om snel te beoordelen of het materiaal datgene is dat hij zoekt. Voor boeken geldt dan dat de gebruiker wil weten hoeveel tijd het hem kost om het boek te kunnen lenen, waarvoor de gebruiker vaak naar de bibliotheek moet komen.
  • Search results must be relevant and the relevance must be obvious.
    Gebruikers hebben bepaalde verwachtingen als zij op zoek gaan naar materialen. Zij verwachten dat de catalogus de juiste informatie geeft. Aan de achterkant (techniek) moet er dus van alles aan gedaan worden zodat de catalogus duidelijk aangeeft waarom bepaalde bronnen wel en niet gevonden worden en waarom zij in een bepaalde volgorde worden getoond.
  • Keyword searching is king, but an advanced search option (supporting fielded searching) and facets help end users refine searches, navigate, browse and manage large results sets.
    Eindgebruikers zoeken het liefste met een Google-achtige zoekmachine die resultaten teruggeeft die zij verwachten. Tegelijkertijd waarderen zij dat een catalogus de mogelijkheid geeft tot geavanceerd zoeken en eventueel andere hulp bij het zoeken. Zij willen geen pagina’s vol met resultaten waar zij niets aan hebben.

oclc_1
Afbeelding pagina 19

oclc_2

Afbeelding pagina 20

Naast de eindgebruikers is ook aan personeel van de bibliotheek gevraagd wat zij nu precies willen:

  • Librarians and library staff, like end users, approach catalogs and catalog data purposefully. End users generally want to fi nd and obtain needed information; librarians and library staff generally have work responsibilities to carry out using catalog data. The data quality preferences of librarians and staff are driven primarily by their work assignments.
  • Duplicate records (multiple records for the same edition or manifestation) impede the work of librarians and staff.
  • Librarians and staff place priority on enriching catalog records with tables of contents data.
  • Except for the priorities to merge duplicate records and add tables of contents, significant differences exist in the data quality priorities of librarians by work role, type of library and region.

oclc_3

Afbeelding pagina 33

Na de afbeelding van hierboven worden in het onderzoek meer interessante afbeeldingen weergegeven, zoals welke afdelingen binnen de bibliotheek (medewerkers catalogisering, collectievorming, directeuren, etc.) bepaalde acties graag uitgevoerd willen zien. Waarbij de directeuren graag samenvattingen bij records toegevoegd willen zien worden en eenvoudigere links naar online content.

En als je de resultaten van de eindgebruik en die van de medewerker van de bibliotheek legt dan krijg je dit resultaat:

  • Both end users and librarians place a high priority on delivery-related data elements for printed or other analog materials—that is, knowing where the items are held and which are available immediately.
  • End users, but not librarians, give the highest priority to enhancing the catalog with more links to online content. Librarians give the highest priority to merging duplicate records.

En als je dan aan de bibliotheekmedewerker die direct met gebruikers vraagt wat zij denken dat de gebruik nodig heeft dan krijg je dit (pagina 54):

oclc_4
Het lijkt misschien voor de hand liggend, de gebruikers willen rijkere content in de catalogi. Dit kan informatie zijn die zij zelf toevoegen of informatie die door de bibliotheek is toegevoegd. Het laatste klinkt eenvoudig, bibliotheken scannen samenvattingen en inhoudsopgaven. Maar zo eenvoudig is dit niet, het kost tijd en mensen om dit voor elkaar te krijgen en dus moeten de bibliotheken ook op dit vlak meer samen werken.

Daarom dus de volgende aanbevelingen:

  • Examine and compare the library’s investments in bibliographic work, catalog  management, linking functionality and enrichment content (tables of contents, summaries, etc.) and rebalance them as appropriate to better meet end users’ catalog data quality requirements.
  • Within the library community and with relevant organizations, explore how to obtain or produce enrichment content (tables of contents, summaries, etc.) through data mining, the use of APIs, partnerships with publishers and vendors, and collaborative library projects.
  • Encourage the appropriate organizations to complete research and development to improve relevance ranking in online catalogs. Explore the feasibility of redeploying classification data (and the terms associated with classification numbers) and other existing data to improve relevance ranking.
  • Pay more attention to the library’s delivery services and the data elements that support a positive experience for the end user.
  • Examine the local editorial changes being made to bibliographic records and analyze which ones directly assist end-user discovery and delivery, and which do not matter as much. Redesign procedures and workflows to focus human expertise on what matters most to end users and which must be done manually.
  • Libraries will not be able to accomplish what is needed by going it alone. Collaboration and a coordinated approach involving many organizations (and even end users) will be required. As noted in section 1 of the Library of Congress Working Group final report, traditional library workflows, featuring the same corrections being done multiple times at multiple libraries, are costly and
    redundant.19 The right mechanisms for collaboratively sharing the effort of data quality improvements could assure better experiences for end users of catalog data at less cost to libraries.
  • Within the library professional community and to the extent possible, look for ways to automate the production and maintenance of the structured data that supports collocation, faceting and advanced search features in the catalog.
  • Explore ways for the library community to collaborate with the appropriate organizations to link and cross-reference standard numbers to support both library and end-user tasks.

Geen schokkende nieuwe dingen maar toch goed om het weer eens in een rapport terug te zien.

Met dank aan: It’s all good

Gebruikt beeldmateriaal is afkomstig van Flickr – Recycled Library Card Catalog van MGShelton

Het mobiele verschil

De laatste tijd kijk ik met zeer veel interesse naar de ontwikkelingen op het mobiele vlak. En dan met name de ontwikkelingen in de bibliotheekwereld. Vandaar dat ik laatst ook bij de CWIS dag was met de mobiel als thema. Direct valt dan ook het nieuwe onderzoek van PEW op met als titel The Mobile Difference (pdf). En ook al is dit een Amerikaans onderzoek. Wij kunnen hier van leren.

Kijk maar eens rond in een broodjeszaak, een station, een vliegveld of een bibliotheek. Als je dit doet dat zie je waarschijnlijk een aantal laptops waar op gewerkt wordt maar vooral ook mobiele telefoon waar mensen van alles mee aan het doen zijn. Met veel gemak wordt informatie uitgewisseld via wireless netwerken. Maar niet iedereen houdt van het altijd maar online aanwezig zijn. En toch, is het mogelijk dat met het gemakkelijker toegankelijk worden van internet op de mobiel ook zij overstag gaan?

PEW verdeelde de groep ondervraagden in verschillende subgroepen. Erg origineel zijn zij met de keuze voor de namen van de subgroepen. Kijk maar hieronder in de twee schema’s.

typology-summary-1

typology-summary-2

Ik ben er nog niet uit tot welke subgroep ik zou behoren als ik ondervraagd was, maar ik denk dat ik in de buurt zou komen van de Digital Collaborators. De groepen in het eerste schema staan gelijk aan 39% van de volwassen Amerikanen. PEW noemt deze groep de Motivated by Mobility. De andere groep (61%) noemen zij de Stationary Media Majority. Uiteraard zitten in de eerste groep de mensen die echt houden van hun mobiel en geen dag zonder kunnen. In de tweede groep is dat gevoel er wellicht ook maar lang niet bij iedereen. In deze groep zitten namelijk ook de mensen die geen mobiele telefoon gebruiken.

Nu is het zo dat PEW dit onderzoek al eerder heeft uitgevoerd en dus vergelijkingen kan geven van de resultaten van toen en die van nu.

Cell phones: In 2006, 73% of adults had a cell phone, a number that grew to 79% in 2007.
Broadband at home: In 2006, 44% adults had a high-speed connection at home, a number that increased to 56% in 2007.
Laptop computers: 31% of adults had a laptop in 2006, and 36% had one by the end of 2007.
MP3 players: 19% of adults had an MP3 player or iPod in 2006 and 26% had one in 2007.

Naast de vergelijking met eerder jaren gaat PEW erg diep in op de groepen. Vertellen zij over wie zij zijn (demografisch gezien), welk gedrag zij vertonen, welke wensen zij hebben en wat hun houding is ten opzichte van mobiele telefoons en internet. PEW laat zien dat sommige groepen de verhouding met digitale bronnen zal verdiepen, maar dat er ook een grote groep is die afwacht. En dit heeft consequenties.

Mobile access to the internet constitutes an inflection point in technology adoption.
The bar of what qualifies sophisticated tech behavior has changed.
The cost of not having little or no access rises in a multiplatform world.
Mobile access creates demand for capacity on wireless and wireline networks.
Heavy use of ICTs is mainly a young person’s game, but older Americans are minority members in good standing of even some of the most ardent tech groups.

Zoals ik al zei, het onderzoek is Amerikaans. Maar op zich is dat niet erg. Ik denk namelijk dat Nederland redelijk vergelijkbaar is met Amerika in deze. Misschien dat de aantallen en percentages verschillen. Dus mocht je interesse hebben in gebruik van mobiel internet dan is dit onderzoek zeker een aanrader. Als uitgangspunt, om de verschillende groepen beter te begrijpen en om jouw diensten beter op de verschillende groepen aan te kunnen passen.

Met dank aan: Stephen’s Lighthouse

Gebruikt beeldmateriaal is afkomstig van Flickr – mobile phone van Milica Sekulic

Puberbrein binnenstebuiten

Tijdens het UGame – ULearn symposium had ik het standje met de grappige kijkdozen al gezien. En ook een enorme stapel boeken. Wist toen nog niet wat het precies was, dat kwam later op de middag toen ik weer langs de stand liep en even een praatje maakte met de standhoudster Hanneke van Youngworks. Hanneke was naar Delft gekomen om het nieuwe boek van Huub Nelis en Yvonne van Sark te verkopen en om natuurlijk reclame te maken voor het bedrijf waar zij werkt.

kijkdoos

Wat opvalt aan het boek Puberbrein is dat het mooi is vormgegeven en dat op bijna iedere pagina een quote staat van een jongere. In negen hoofdstukken gaat het boek vervolgens in op hoe het puberbrein werkt, opvoeding, onderwijs (het puberbrein in de klas), de peergroep, overige opvoeders, verleiders en voorlichters, opleidingen banen, maatschappij en de multiculturele samenleving. In het boek staan ook afbeeldingen van de kijkdozen die op de stand werden gepresenteerd. Nu weet ik niet zeker of dit zo is, maar het lijkt alsof de jongeren die aan het boek hebben meegewerkt ook verantwoordelijk zijn voor de kijkdozen en ik vraag mij dan direct af… hoeveel van die kijkdozen zijn er dan wel niet?

Vragen die als uitgangspunt voor dit boek hebben gediend zijn:

  • hoe weet je wat jongeren echt bezighoudt
  • hoe dring je tot ze door
  • en als je dit weet: wat kun je met die kennis

Pubers – 10 tot 25 jaar oud

puberbrein_voorkant

Voor het boek zijn jongeren gevolgd in de leeftijd van 10 tot 25 jaar. Puberbrein geeft dan ook aan dat de hersenen van jongeren zich tot hun 25e jaar ontwikkelen. De auteurs van het boek zien de afgelopen jaren twee opvallende ontwikkelingen: jeugdcultuur is de dominante cultuur in onze samenleving en jongeren lijken steeds sneller volwassen te worden. Maar wacht, overschatten wij de pubers niet, is het niet zo dat zij heel veel dingen nog niet kunnen? De auteurs vinden dat pubers van nu nog hetzelfde zijn als pubers van 30 jaar geleden. Alleen de vorm is anders, pubers kunnen nu 24 uur per dag online zijn, ze hebben meer geld te besteden en meer vrijheid dan voorgaande generaties. En in plaats van een puber loslaten als hij/zij de leeftijd van 12 heeft bereikt moeten opvoeders deze jongeren veel beter begeleiden in de ontdekkingstocht naar volwassenheid. Want ook jongeren hebben structuur en kaders nodig, misschien zelfs wel meer dan jonge kinderen dat nodig hebben. Dat dit niet mogelijk is in de huidige samenleving snappen Nelis en van Sark ook wel en dus moeten we zoeken naar nieuwe wegen om jongeren grenzen en structuur te bieden.
Al direct in het eerste hoofdstuk lees ik iets wat blijft hangen: het menselijke brein is pas rond het 25e levensjaar volgroeid EN de verschillende hersengebieden rijpen niet tegelijkertijd en in hetzelfde tempo. En dan is het ook nog zo dat de fysieke en sociaal-emotionele ontwikkeling niet synchroon lopen. Wacht even…. is het dus zo dat een 16-jarige volwassen overkomt maar zich soms als een kind gedraagd? Ja dus! Is het daarom ook zo dat jongeren altijd alles NU willen? Ja, dat ook. Ze willen zelf bepalen wat zij doen maar maken nog geen doordachte keuzes, zij willen instant bevrediging. Later is te laat is daarmee wel de zin die het het beste omschrijft.

Omdat de ontwikkeling van de verschillende hersengebieden zich niet tegelijkertijd voltrekt komt het dus voor dat jongeren wel graag iets nieuws doen en uitproberen maar dat de remmende werking, het controlegebied oftewel de prefrontale cortex nog lang niet klaar is in de ontwikkeling. Ook verloopt de communicatie tussen de verschillende hersendelen niet optimaal. Dit maakt het gedrag van jongeren onvoorspelbaar. Maar het zorgt er ook voor dat jongeren het lastig vinden om sociale tekens van anderen te beoordelen. Zij denken al snel dat zij geen respect krijgen en dat een ander ze agressief aanspreekt waardoor zij zich moeten verdedigen. Ik maak het maar al te vaak mee als ik hangjongeren aanspreek op hun gedrag. Zelfs als je op een aardige manier vraagt of ze weg willen gaan krijg je een grote bek terug en opmerkingen als waar bemoei jij je mee, ik mag zitten waar ik zit. Misschien helpt het als ik de volgende keer denk, zij kunnen er niets aan doen, hun hersenen kunnen mijn vraag om weg te gaan gewoon nog niet aan en daarom reageren zij zo. Overigens helpt koeienpoepkorrels in de plantenbakken strooien ook, heb al weken geen hangjongere meer gezien.

Pubers opvoeden

In het hoofdstuk (2) over opvoeding wordt het al snel duidelijk dat er thuis wel het een en ander is verandert in de afgelopen jaren. Niet langer geldt dit moet, maar kan over alles gepraat worden. Gepraat maar ook onderhandelen mag. Vreselijk vind ik dit. Mag ik dit zeggen, ik die geen kinderen heeft, misschien wel niet maar ik doe het toch. Het lijkt mij ook dat je als ouders helemaal geen zin hebt in dat onderhandelen en altijd maar praten. Technologische ontwikkelingen zoals televisie en internet hebben in deze cultuuromslag een hele belangrijke rol gespeeld. Een rol die eigenlijk niemand kon vermoeden. Jongeren hebben met de komst van televisie en internet toegang gekregen tot een wereld die eerst alleen het domein van volwassenen was. En dit was ook nog een ongecensureerde wereld vol sex en geweld. En als die jongeren zich dan opsluiten op hun kamer om te gaan internetten, gamen of televisie te kijken. En als de ouders dan geen idee hebben wat hun kids uitspoken. En als die kids dan alle informatie die ze nodig hebben vinden via internet. Dan gaan ouders die kids overschatten. Ouders hoeven hun kinderen echt niets meer uit te leggen hoor. Zij kunnen het allemaal best zelf. Maar is dat wel zo? Nee dus!
Maar de nieuwe technologie is niet het enige dat de machtsverhoudingen tussen jongeren en ouderen onderuit heeft gehaald. Wat ook een grote rol speelt is dat in deze tijd van vooruitgang je je als oudere nog steeds jong kunt voelen, door kleding, plastische chirurgie, het kopen van gadgets en gewoon hip zijn. Ouders willen wat hun kids hebben: jeugd! En dit is eye-opener nummer 2 voor mij:

De dominantie van de jeugdcultuur plaatst volwassenen op een achterstand. Het is een omgekeerde peergroup-relatie: niet het lidmaatschap van de leeftijdsgroep boven je, maar onder je is begerenswaardig.

Volgens de auteurs willen ouders het liefst de beste vriend(in) van hun kind zijn in plaats van de politieagent. Maar dat dit niet kan is al duidelijk geworden in een eerder hoofdstuk in het boek. Ouders moeten de plaatsvervangende prefrontale cortex voor het puberbrein zijn. Geen leuke rol misschien, maar iemand moet het doen. En dus zeg je als ouder nee en ben je misschien niet populair, maar je doet je kind hier wel een heel groot plezier mee.

Gamende pubers

En nu wordt het leuk. Vanaf pagina 47 gaat het even over gamen. Over hoe de kloof tussen ouders en kids enorm groot is. Over verslaving en over het leren van vaardigheden, over de interesse die ouders zouden moeten hebben voor de games die hun kind speelt en over TE veel is nooit goed. Interessant zijn de opmerkingen van onderzoekers zoals die van Marianne van den Boomen (UU) en Wijnand IJsselstein (TU Eindhoven).
Via gamen gaan de auteurs naar het online leven van jongeren, geld, voedsel en alcohol. Waarbij voor het laatste verbieden het devies is, naast zelf het goede voorbeeld geven.
Gelukkig worden er aan het einde van het hoofdstuk een aantal tips voor ouders van jongeren gegeven. Anders zou je als ouder dit boek lezen en denken leuk, en nu?

Pubers in het onderwijs

Laten we eens naar het onderwijs kijken. Terwijl ik altijd dacht dat er genoeg jonge docenten in het onderwijs aanwezig zijn blijkt de gemiddelde leeftijd van een docent in het voortgezet onderwijs net boven de 40 jaar te liggen. En deze docenten zijn vaak even oud als de ouders en hebben vaak zelf ook puberende kids. En is het dan makkelijker om als docent gewoon net te doen alsof je het niet ziet, om leerlingen gewoon maar tegemoet te komen en ze tevreden te houden, dan heb je tenminste ook geen last van ze maar houd je wel contact met ze.
De leerling staat centraal. Hij bepaald zelf hoe hij wil leren en de school stelt zich dienstbaar op, wordt hiermee meer een facilitator. Dat school de leerling overschat als zij hem/haar zelfstandig laten werken begint gelukkig door te dringen en op sommige plekken ook teruggedraaid. En het is ook logisch, de frontaalkwab van de puber is nog in ontwikkeling en de puber moet nog leren om te plannen, organiseren, prioriteiten stellen en problemen oplossen.

students

Afbeelding is afkomstig van Flickr – Untitled van Cooljinny

Kennis en vaardigheden moeten allebei geleerd worden op school en die balans moet gezocht worden. Het is misschien wel zo dat het kennisniveau dalende is maar het vaardighedenniveau stijgt. Waar we ons wel zorgen om moeten maken is de basiskennis van jongeren, die is over de gehele linie achteruit aan het gaan en dat is geen goede ontwikkeling. En waar volgens de auteurs ook aandacht voor moet zijn is de coachende docent, dat werkt toch minder goed dan gedacht. Pubers hebben iemand nodig die voor hen prioriteiten en grenzen stelt. Leermeesters zijn er nodig in plaats van procesbegeleiders.
En eigenlijk geldt voor school hetzelfde als voor thuis, ouders en docenten moeten streng maar betrokken zijn. En ook aan het einde van dit hoofdstuk (3) tips voor docenten en onderwijsmanagers.

De peers

Voor pubers zijn uiteraard andere pubers (vrienden) erg belangrijk. Veel belangrijker dan de ouders (behalve als het over school- en beroepskeuze gaat). En binnen die peers zijn drie verschillende relaties te onderscheiden:

  • ‘echte’ goede vrienden
  • romantische en seksuele relaties
  • brede kring van kennissen en bekenden

Geldt dit niet ook voor volwassenen vraag ik mij direct af. Geldt ook niet voor ons dat alle drie deze relatiesferen van belang zijn voor ons welbevinden. Volgens mij verschillen pubers en volwassen hier dus niet heel erg van elkaar.

Of toch wel? Jongeren tussen de 12-18 jaar hebben gemiddeld 6 à 7 echt goede vrienden en geven zij aan dat zij gelukkiger zijn als zij meer vrienden hebben. Als jongeren volwassen worden worden grote vriendengroepen vaak steeds kleiner en dat is niet erg, ze hebben elkaar steeds minder nodig omdat ze het nu alleen af kunnen. Wat ook anders is zijn de manieren van communiceren. Had ik maar een mobiel gehad toen ik opgroeide, of internet. Dan had ik ook alle details van mijn leven met de buitenwereld kunnen delen en verslaafd kunnen raken aan deze ‘zelfwereld’ (de plek waar jongeren uren kunnen doorbrengen en waar oudere mensen amper komen en nauwelijks weet van hebben). En als wij denken dat jongeren met iedereen op de wereld communiceren (the world is flat principe) dan hebben wij het mis. Vooral de peers die zij irl ook kennen zijn de peers waarmee zij communiceren. Offline en online zijn een verlengde van elkaar en het offline contact versterkt het online contact. En het online leven is belangrijk in het experimenteren met identiteit en de ontwikkeling van het zelfbewustzijn en zelfvertrouwen. Eigenlijk moet je dit jongeren niet eens kwalijk nemen. Wij waarschuwen voor de gevolgen voor later. Maar zij zijn hier absoluut niet bewust mee bezig. En dus is het niet eerlijk om 10 jaar later een puber aan te spreken op een foto die hij/zij uploade toen hij 16 jaar oud was. Niet eerlijk, maar het gebeurt wel.

peer

Afbeelding is afkomstig van Flickr – Peering van nathanborror

En dan eindelijk de bibliotheek en pubers

Naast ouders, school en vrienden leren pubers ook veel van de overige opvoeders zoals sportverenigingen, scouting en buurthuizen. Het lijkt er op dat de bibliotheek niet genoemd wordt in dit rijtje maar ik vergis mij. In de paragraaf van high trust naar low trust wordt een voorbeeld van een bibliotheek gegeven. Een bibliotheek in de randstad had advies nodig in hoe zij het beste jongeren aan kunnen trekken. Uit het onderzoek met de jongeren bleek dat zij crossmediaal denken, zij zien boeken niet los van cd’s en dvd’s, zij denken in thema’s en in activiteiten. Ook werd uit het onderzoek duidelijk dat de jongeren zich niet welkom voelen in die bibliotheek en dat er niet op een positieve manier met hen werd gecommuniceerd. De jongeren willen vanuit de high trust (vertrouwen) benaderd worden maar lopen aan tegen een low trust (wantrouwen) benadering, met als enige mogelijkheid laten zien dat zij niet zo zijn. Dat deze benadering bij sommige jongeren antisociaal gedrag uitlokt moge duidelijk zijn. Alles wat je denkt over een ander communiceer je ook in de interactie met die ander. Dit gebeurt zowel bewust als onbewust.

Vooral medewerkers van openbare voorzieningen zoals bibliotheken, winkels, buurtcentra en verenigingen kunnen een flinke slag maken in het professionaliseren van hun communicatiestijl met deze doelgroep.

Met als tip aan het einde van het hoofdstuk (5):

Denk aan je uitstraling. Als je steevast negatief denkt over jongeren, straal je dat onbewust ook uit. Wees je bewust van vooroordelen en negatieve gevoelens en ga juist in gesprek met jongeren om na te gaan waar deze gevoelens vandaan komen.

De tweede schil

De eerste vier hoofdstukken in het boek Puberbrein maken inzichtelijk hoe zich rondom iedere jongere vier betekenisgevende kaders bevinden (eerste schil). Hieromheen zit nog een schil en dat is de schil van verleiders en voorlichters. Dit zijn partijen die verder van de jongere afstaan maar wel een boodschap aan hen willen overdragen. Dit kan zijn een ministerie, een bedrijf of een charitatieve instelling.
Jongeren identificeren zich door het kopen van bepaalde merken en onderscheiden zich ermee. Als je met een jongere zou praten over een bepaald merk zul je ontdekken dat er een hele wereld achter schuilgaat, een wereld van verhalen welteverstaan. Maar hoe bereik je die jongere dan? Er komen tenslotte steeds meer massamedia bij: meer adio- en televisiezenders, meer tijdschriften, meer kranten, meer websites en SNS-en. En dus moet je op zoek naar een mediun dat jongeren bereikt. Eenvoudig is dit niet. En als je die jongere dan bereikt, pikt hij de boodschap dan wel op en krijg je dan de respons die je wilt hebben? Er bestaan veel mythes (jongeren kunnen goed multitasken, jongeren doorzien media direct en jongeren vinden moeiteloos hun weg op internet). Als je het puberbrein begrijpt dan begrijp je ook dat als je jongeren echt wilt bereiken je de boodschap zo relevant moet maken dat ze er onderling over gaan praten. De boodschap moet van de bovenstroom in communicatie (hoe partijen de boodschap de wereld in sturen)zich naar de onderstroom in communicatie verplaatsen (de ontvangers creeren eigen verhalen met boodschappen en zenden deze door aan het netwerk). Voor de zender is het goed om te beseffen dat als de boodschap opgepikt is in de onderstroom je geen invloed meer hebt op hoe die boodschap verder gaat leven. Het werkt als je andere jongeren de boodschap over laat brengen, als de boodschap authentiek is wordt hij namelijk sneller opgepikt. Dus gebruik niet overal hetzelfde verhaal, maar maak voor elk kanaal een eigen verhaal.

Studeren en/of werken, het is maar lastig

Grappig, op pagina 151 wordt de TU Delft genoemd, met een uitval van 40% van de nieuwkomers… oeps! En verder gaat het in dit hoofdstuk om studiekeuze (zijn die jongeren echt nog niet toe in staat en kiezen dus vaak verkeerd) en werk (interessant om te lezen hoe een werkgever een jongere binnen kan krijgen en kan behouden op zo’n manier dat ook de ouderen het fijn vinden).

De laatste twee hoofdstukken van het boek gaan over de maatschappij en participatie en over de multiculturele samenleving. Deze twee hoofdstukken heb ik wel schuin doorgelezen maar deden mij niet zo heel veel. Het is ook niet het terrein waarbinnen ik opereer en dus sprak het mij het minste aan. Aan het einde van het boek worden nog een paar laatste gedachten van de auteurs beschreven. Opvallend: met de meeste jongeren gaat het gewoon goed!!

Het lezen van het dankwoord zorgt ervoor dat ik begrijp waar de illustraties vandaan komen. Aan jongeren is gevraagd om foto’s te maken van voorwerpen die belangrijk voor hen zijn. Zo gaven zij een kijkje in hun leven, als in een kijkdoos.

En wat vond ik er nu van?

Het boek leest lekker weg, geeft interessante informatie over het puberbrein en zorgt ervoor dat ik onze studenten aan de universiteit beter kan begrijpen. Hun brein is ook nog niet volgroeid, ook al denk ik vaak van wel. Interessant vond ik de verhalen uit de praktijk en de quotes. Zij maken het boek levendig.

Jammer, maar dat is een detail van een boekenliefhebber. Het boek is gelijmd en dus komt de kaft los als je het boek te ver open vouwt. Jammer, zonde, maar niets aan te doen. Misschien is er ook een gebonden versie te koop. Als dat zo is dan zou ik die kopen. Want dit is zeker een boek dat je er af en toe nog even bij pakt om te lezen hoe het ook alweer zit.

Leesvoer in een plastic tasje

Op de laatste werkdag voor de kerstvakantie heb ik nog even snel wat boeken, folders en ander leesmateriaal van mijn bureau gegrist en in een plastic tasje gestopt. Leesvoer waar ik gewoonweg niet aan toe kom als ik op kantoor ben. De kerstvakantie is dan de tijd om deze dingen even op mijn gemak door te lezen.

leesvoer

Een van de onderzoeken die ik laatst heb opgevraagd is van PriceWaterhouseCoopers en heeft de titel: at the dawn of new traditions* – entertainment & media outlook towards 2012, Trends in the Netherlands 2008-2012. *connectedthinking. Nu had ik deze publicatie kunnen downloaden (geheel of per hoofdstuk) maar ik kon deze ook gratis in gedrukte vorm aanvragen en dat heb ik dus gedaan. Binnen een paar dagen werd het mij toegezonden. Erg fijn dat PriceWaterhouseCoopers dit doet.

Naast videogames (de belangrijkste reden om deze publicatie te willen lezen) worden ook film, televisie, muziek, nieuwsbladen, tijdschriften en boeken behandeld. Maar bovenal gaat het om consumenten en hun gedrag ten aanzien van bovenstaande onderwerpen. Consumenten waar wij in de bibliotheek ook mee te maken hebben, consumenten die elke dag te maken krijgen met nieuwe technologie en andere manieren van hoe zij benaderd worden. Of zoals in de inleiding geschreven wordt:

So if companies want to survive in this market dominated by innovative technology and changing consumer behavior, there is only one thing they can do: Reconsider existing business models and make essential changes in time!

Ik denk dat bibliotheken er niet verkeerd aan doen om de markt (lees gebruikers) op een nog meer zakelijke manier te benaderen. Ik denk dat de bibliotheek moet zoeken naar, naast de traditionele, andere vormen van klantenbinding. En ik denk dat een publicatie als deze ons kan helpen bij het nadenken over het hoe en waarom en om ons voor te breiden op de toekomst.

Het eerste interessante dat ik lees over games is in een interview met Hans Breukhoven (Free Record Shops). Deze interviews staan tussen de hoofdstukken in, de zijne na het hoofdstuk muziek. Hij zegt dat games een steeds belangrijker onderdeel zijn gaan worden en dat FRS, die games eerst zag als een bijproduct, nu games ziet als corebusiness. Het is zelfs zo dat de muzieksectie in de winkel kleiner wordt in het voordeel van de gamesectie. Ook worden FRS-winkels omgebouwd naar zogeheten Game Mania winkels. De eye-opener voor Breukhoven kwam toen hij ontdekte dat zijn winkels in Finland geen winst maakten. Hij wilde ze verkopen maar er was geen interesse voor. Totdat hij een deal maakte met de eigenaar van de GameStopwinkel in Helsinki. Hij verkocht de FRS in Finland voor 1 euro aan GameStop en binnen no time maakte die winkels wel winst. Voor Breukhoven de reden om meer richting games te gaan met de winkels die hij nog bezit. Hij ziet het zelfs gebeuren dat FRS in de nabije toekomst een gamewinkel wordt waar je ook muziek kan kopen.

Het hoofdstuk over videogames start met indrukwekkende cijfers over de Nederlandse markt. In 2007 groeide de deze markt met maar liefst 23.2%. Dit is onder andere te verklaren door de komst van de Wii en de PS3. En ook doet Nederland het goed op de online games markt, blijkbaar heeft Nederland een van de meest actieve online game markten van Europa. Uiteraard heeft dit alles te maken met het grote aantal breedbandaansluitingen (87%) van de Nederlandse huishoudens. Met deze groeicijfers is het te verwachten dat de game-industrie alleen nog maar groter zal worden. Want zelfs met de komst van nieuwe consoles als de Wii en de PS3 worden er nog steeds heel veel games verkocht voor bijvoorbeeld de DS en de PS2. En het zijn niet alleen jongeren die games kopen. Op de eerste plaats in de top 10 consolesgames van 2007 staat braintraining en op nummer twee more braintraining.
De enige markt waar Nederland het nog niet zo goed op doet is die van de wireless games, oftewel de games die je speelt met bijvoorbeeld de mobiele telefoon. Deze markt zal naar alle waarschijnlijkheid pas gaan groeien als consumenten beschikking krijgen over snellere verbindingen met de mobiele telefoon zoals HSDPA.

De conclusies zijn misschien niet heel erg schokkend. Vaak genoeg valt er te lezen dat de game-industrie sterk groeit en dat deze de filmindustrie voorbij is gegaan. Ook bekend is dat de gamer niet alleen de jongere is, maar steeds vaker ook de 30-er, 40-er of zelfs 60-er. Dat er steeds meer geld uitgegeven wordt aan games en consoles moge duidelijk zijn, maar er zijn genoeg consumenten die dat geld niet hebben of willen/kunnen uitgeven. En dan denk ik, als het zo duidelijk is, als die markt zo duidelijk groeit…. waarom doen bibliotheken er dan nog steeds zo weinig mee? Waarom zijn de bibliotheken dan niet de plekken waar je games kan uitproberen of samen met anderen kan spelen?

Tieners en sociale netwerken

Als social softwareminded persoon kan ik mij altijd maar moeilijk verplaatsen in mensen die ik ontmoet en die niets hebben met het nieuwe web. Vaak is dit omdat ik niet begrijp dat zij niet begrijpen dat web 2.0 en social software toepassingen ontzettend handig zijn en veel kunnen toevoegen in het dagelijks leven. Dan denk ik alleen maar aan het leggen van contact en het (online) ontmoeten van interessante mensen. Dat missen zij dan allemaal en ik vind dat toch jammer.

Interessant in deze vind ik dan ook het onderzoek dat onlangs is gedaan onder Engelse tieners en hun gebruik van sociale netwerken. Voor het onderzoek zijn 1004 tieners gevraagd in de leeftijd van 13 tot 17 jaar. Naast het feit dat zij tech savvy zijn, zijn zij ook voorzichtig met het achterlaten van digitale voetstappen:

Social ‘not’ working – Majority prefer ‘face-time’ than Facebook; 78% not posting personal information online; are more concerned about internet security or have stopped using social networking sites – savvy and secure!

Opvallend is dat zij liever face-to-face contact hebben dan online contact. Wacht even, ik lees even verder. In het artikel over het onderzoek staat ook:

Research commissioned by international IT solutions provider Logicalis, has revealed that today’s 13-17 year olds are becoming far savvier about managing their digital fingerprint, preferring instead to mix and match their use of mobile gadgets and social networking sites with traditional methods such as face-to-face communications, according to formal or informal correspondence. In fact, the majority (29%) would prefer to have face-time with, for example, prospective universities, than any other communications or technology medium.

In de laatste zin. De meerderheid (29%) heeft liever face-to-face contact met bijvoorbeeld de universiteit waar zij willen studeren dan contact door middel van een andere technologisch medium (ik neem aan dat zij hier internet mee bedoelen). 29% – een meerderheid…. Lees ik het nu verkeerd?

Ik vind het vreemd dat de meerderheid liever face-to-face contact heeft, mede omdat verder op in het artikel staat:

Whilst the Realtime Generation is able to better manage its use of technology, it still expects and demands the availability of mobile gadgets and the latest social technologies in order to best communicate, study, and work. Businesses and education establishments will therefore need to consider multi-channel communication policies that support the use of formal and informal practices.

De generatie 13-17 jarigen (ze worden hier de Realtime Generatie genoemd) verwacht en eist dat er mobiele gadgets en de laatste technology aanwezig is op onder andere de universiteit waar zij gaan studeren. En een suggestie wordt gedaan dat de universiteit daarom maar door middel van verschillende kanalen moet communiceren. Terwijl, eerder gezegd, de meerderheid de behoefte heeft aan face-to-face contact.

Het onderzoek zelf heb ik niet kunnen vinden, alleen verwijzingen er naartoe. Misschien dat het hele onderzoek meer duidelijk zou maken, want nu snap ik niets van de resultaten en de combinaties van aanwezig zijn op sociale netwerken, privacy en de universiteit waar je zou willen studeren.

Gebruikte bronnen: Global Security Mag, Real Wire
Met dank aan: Dutch Cowgirls

Gebruikt beeldmateriaal is afkomstig van Flickr –teens read van circulating