The Shift : the future of work is already here / Lynda Gratton

De laatste blogposts over boeken waren soms lange samenvattingen. Vandaar dat ik het nu anders ga doen. In 3-en (A voor de snelle beslissers, B voor de mensen die iets meer informatie en achtergrond willen en C voor de die hards, degenen die willen weten wat ik uit het boek heb gehaald). Voor ieder wat wils zeg maar.

A.

The Shift : the future of work is already here van Lynda Gratton is een boek dat je zeker moet lezen als je bezig bent met het nieuwe werken, met de toekomst van werk of met jouw eigen toekomst (in relatie tot het werk dat je doet). Je kan het boek kopen bij Amazon of Bol.

B.

Met The Shift : the future of work is already here geeft Lynda Gratton inzicht in hoe het werk er in 2025 uit zal zien. Zij doet dit door de beschrijving van 6 persona’s die wel of niet de keuzes hebben gemaakt die nodig zijn. Ook geeft zij 32 trends (geclusterd binnen 5 forces of krachten). Als je geen keuzes maakt kom je terecht in de default future. Maak je wel keuzes dan is de crafted future een feit. Het ligt aan jou in welke toekomst je terecht komt. Gratton geeft inzicht en richtingen, geen oplossingen. Die moet je zelf bedenken, daarin moet je doen wat bij je past.

Lynda Gratton (Professor of Management Practice – London Business School en grondlegger van de Hot Spots Movement) geeft met onderstaand filmpje een korte beschrijving van het boek.

Lynda’s new book, The Shift. from Hot Spots Movement on Vimeo.

Meer informatie over Lynda Gratton of over het boek vind je op haar website en weblog. Het The Shift Workbook (dat je helpt bij de keuzes) kun je hier gratis downloaden. En heb je dan nog niet genoeg van The Shift dan is er ook een app.

C.

Work is, and always has been, one of the most defining aspects of our lives. It is where we meet our friends, excite ourselves and feel at our most creative and innovative. It can also be where we can feel our most frustrated, exasperated and taken for granted. Work matters – to us as individuals, to our family and friends and also to the communities and societies in which we live.

Waar we momenteel getuige van zijn is een breekpunt met het verleden als het gaat om werken, wat voor werk we doen, waar we werken, hoe we werken en wanneer we werken. De veranderingen zullen net zo’n impact hebben als tijdens de industriële revolutie, maar de uitkomst is onbekend. De impact zal wereldwijd zijn, de snelheid van de verandering onvoorstelbaar en er zal vrijwel zeker gebroken worden met het verleden.

It is clear that our world is at the apex of an enourmously creative and innovative shift that will result in profound changes to the every-day lives of people across the world.

Gratton wil met dit boek de lezer ondersteunen in zijn zoektocht naar zijn eigen gezichtspunt over de toekomst en in de creatie van zijn pad naar een toekomstbestendig werkleven. Hiervoor heeft zij, samen met een research consortium nagedacht of de krachten (forces) waar wij mee te maken krijgen in de toekomst. Ook heeft zij met hen scenario’s beschreven over werk in 2025.

PART 1 – THE FORCES THAT WILL SHAPE YOUR FUTURE

In het eerste hoofdstuk beschrijft Gratton de shifts en de bijbehorende trends die zij ziet. De shifts zijn onderverdeeld in 5 onderwerpen; technologie, globalisering, demografie en levensverwachting, samenleving en energie.

1. the force of technology

  • technological capability increases exponentially
  • five billion become connected (create the possibility of global conciousness)
  • the cloud becomes ubiquitous
  • continuous productivity gains
  • social participation increases
  • the world’s knowledge becomes digitalised
  • mega-companies and micro-entrepeneurs emerge
  • ever-present avatars and virtual worlds
  • the rise of cognitive assistants
  • technology replaces jobs

2. the force of globalisation

  •  24/7 and the global world
  • the emerging economies
  • China and India’s decades of growth
  • frugal innovation
  • the global educational powerhouse
  • the world becomes urban
  • continued bubbles and crashes
  • the regional underclass emerge

 3. the force of demography and longevity

  • the ascendance of Gen Y
  • increasing longevity
  • some Baby Boomers grow old poor
  • global migration increases

 4. the force of society

  • families become rearranged
  • the rise of reflexivity
  • the role of powerfull women
  • the balanced man
  • growing distrust of institutions
  • the decline of happiness
  • passive leisure increases

 5. the force of energy resources

  •  energy prices increase
  • environmental catastrophes displace people
  • a culture of sustainability begins to emerge

Nadat Gratton de vijf krachten en 32 elementen daaronder heeft gegeven, geeft zij een opdracht. Denk na over al deze dingen, maak ze je eigen en gebruik ze in jouw verhaal. Filter en selecteer. Sommige elementen doen je iets, anderen niet, sommige probeer je te begrijpen en van weer anderen wordt je instant gelukkig. Dan, als je de elementen hebt gesorteerd, zoek dan naar patronen. Gebruik deze patronen om een diepgaander besef te creëren die past bij jouw context en waarden. Gratton geeft, als hulpmiddel, 5 acties (weglaten of negeren, verdiep, ontdek en verzamel, sorteer, neem afstand van het geheel en zoek naar patronen) mee om de opdracht te kunnen vervullen.

PART II THE DARK SIDE OF THE DEFAULT FUTURE

It is the subtle and unique combination of the many aspects of the five forces that will create the context in which your future working life is lived.

Omdat er vele combinaties mogelijk zijn heeft Gratton met het research consortium persona’s ontwikkeld van werkende mensen in 2025. Het beschrijven van het leven van deze persona’s geeft inzicht en begrip over de toekomst. We zien de paradoxen waar zij mee moeten leven, de keuzes die zij moeten maken en de problemen waar zij tegenaan lopen.

In de volgende hoofstukken maken wij kennis met Jill, Rohan &Amon, Brianna en Andre.

Fragmentation: a three-minute world / Jill’s story

Het verhaal van Jill begint ’s morgens vroeg, haar avatar representeert haar in online meetings. Vandaar naar de hub, om mensen te ontmoeten, berichten te verwerken en contact te maken met mensen over de hele wereld. ’s Avonds thuis is het niet veel beter. Jill’s leven is gefragmenteerd, activiteiten duren niet langer dan 3 minuten, het is 24/7, internationaal. En technologie helpt haar om dit leven in stand te houden. Gratton vraagt de lezer of hij een zich een wereld herinnerd die niet gefragmenteerd was. Is het niet zo dat wij geleidelijk aan wennen aan deze manier van leven zodat wij deze accepteren zonder te morren. Gratton gaat terug naar 1990, toen mobiele telefoons nog niet voor iedereen beschikbaar waren en internet alleen toegankelijk was voor the happy few. Zij beschrijft haar werkdag van toen. Wat een verschil met nu! In de tien jaar die volgen zorgen technologie en globalisering voor fragmentatie.
Maar is het erg, die fragmentatie. Gratton vindt van wel. Zij geloofd dat fragmentatie zorgt voor een afname van concentratie, een vermindering van echt observeren en leren van anderen. Ook is er weinig tijd om te spelen en om je dingen echt eigen te maken. En laten we het dan ook maar niet hebben over wat dit met creativiteit doet.

It matters that work becomes even more fragmented. It matters because with this fragmentation comes the incapacity to create the focus, concentration and creativity that will be so important to the shift from shallow generalist to serial mastery.

Hoe voorkomen we dat we worden geleefd door de fragmentatie. Gratton geeft drie mogelijke oplossingsrichtingen. De eerste is zorgen voor een carriere die is gebaseerd op toewijding en focus waarbij vakmanschap of meesterschap het einddoel is. Je moet tijd vrij willen maken om te leren en te doen. De tweede is realiseren dat  isolatie niet tegenover fragmentatie staat. De uitdaging zit in het blijvend werken aan je netwerk en jezelf verbinden met anderen. De derde gaat om de manier waarop jij naar je werk kijkt, durf je keuzes te maken en kun je leven met de consequenties van die keuzes.

Isolation: the Genesis of loneliness / Rohan’s  & Amon’s story

Uit de verhalen van Rohan en Amon leren we dat ze allebei succesvol zijn, zij genieten van hun werk (de een is hersenchirurg en de andere neo-nomad) en dat zij een groot internationaal netwerk hebben. En toch mist er iets. Dat iets is dat zij het werk vanuit huis kunnen doen en als gevolg daarvan weinig F2F contact hebben. Zij ontmoeten hun opdrachtgevers en collega’s alleen virtueel. Het even naar binnen lopen bij een collega, een toevallige ontmoeting in de gang of spontaan samen een borrel drinken op vrijdagmiddag kennen zij niet. Gratton ziet deze isolatie en eenzaamheid als een van de donkere kanten van de toekomst van werk. Uiteraard kan een deel hiervan gecompenseerd worden met de thuissituatie. De vrienden en familie die hierin een belangrijke rol spelen. Maar ook dit veranderd. Families worden kleiner, gezinsleden mobieler. Misschien woon je niet langer bij elkaar in de buurt en kun je (door stijgende energieprijzen of gebrek aan grondstoffen) niet langer bij elkaar op visite. En hoe staat het met vertrouwen in de wereldwijde samenleving waarin Rohan en Amon leven? Zijn mensen in deze maatschappij nog wel gelukkig?

One of the key drivers of isolation has been the explosive growth of cities and urban areas across the whole globe.

Zijn er dingen te doen of beslissingen te nemen die deze isolatie tegen gaan. Gratton meent van wel en ze deelt deze in drie netwerken in.

  • a posse of people to whom you can turn and with whom you have created long-term reciprocal relationships
  • the big idea crowd, which is a diverse and large group of networks, many of whom are virtual, from which great connections can be made
  • a regenerative community, who are real people with whom you can meet frequently, laugh, share a meal and relax

Exclusion: the new poor / Briana’s & Andre’s story

Brianna is 28 jaar oud en woont bij haar ouders in de Verenigde Staten. Ze gamed graag, heeft een tijdelijk baantje in een snackbar en stopte met school toen zij 16 was. Toekomstperspectieven heeft zij niet echt, zeker niet als je moet concurreren met jongeren van over de hele wereld als je op zoek bent naar een baan die bij je past.

Andre woont in Belgie. Werkte in een fabriek tot die werd verkocht aan de Chinezen. Andre kon niet goed meekomen op school. Vrienden van toen zijn veelal verhuisd naar landen waar het economisch beter gaat.

Briana and Andre may be living in developed countries, but they are members of a global economic underclass who are excluded from joining the rapidly globalising talent pool.

In de hele geschiedenis zijn mensen uitgesloten van werk. Maar de redenen waarom veranderen. Ging het er eerst om waar je werd geboren, in 2025 heeft talent, motivatie en je netwerk meer invloed. Maar ook, kun je omgaan met de kansen die technologie je biedt. Daarnaast zal het verschil tussen arm en rijk steeds groter worden. Niet alleen binnen landen maar ook binnen bedrijven.

If we assume that these gaps within companies and countries increase, then we can predict with some accuracy that this will lead to increased social anxiety. It will also impact on trust. When trust waned so does cooperation and the capacity to share and be optimistic about others.

Hoe vraag je aandacht voor jezelf en hoe val je op als je wordt beoordeeld op uiterlijkheden? In het ergste geval (negatief) krijg je narcistische trekjes. Je wilt van iedereen weten wat ze van je vinden en dus plaats je op zoveel mogelijk plekken informatie over wat je doet, met wie, wanneer en hoe.

De locatie waar je wordt geboren en opgroeit en je talent zijn niet de enige omstandigheden waar jou economische welvaart op drijft. Een ander belangrijk element is leeftijd. Misschien moet je wel blijven werken omdat het pensioen niet voldoende is om van te leven, of wil je blijven werken vanwege het contact met anderen. We worden gemiddeld ouder en de kans dat we langer door werken wordt alleen maar groter.

Jill’s leven is gefragmenteerd. Rohan en Amon zijn alleen en geisoleerd. En Briana en Andre behoren, zonder dat ze het willen, tot de nieuwe groep van armen. In hun wereld worden angst en narcisme gekoppeld aan technologie en globalisering.

Wordt je na het lezen, net als ik, lichtelijk depressief? Dat is niet erg. Gratton heeft met deze voorbeelden bewust de donkere kanten van de toekomst willen belichten. Zij noemt dit de Default Future.

PART III THE BRIGHT SIDE OF THE CRAFTED FUTURE

Natuurlijk hebben de 5 krachten naast negatieve uitkomsten ook positieve effecten. Door globalisering hebben wij de mogelijkheid om met meer mensen na te denken over de uitdagingen die voor ons liggen en biedt technologie ons de mogelijkheid om eenvoudiger met elkaar te communiceren. In de volgende hoofdstukken maken we kennis met Miguel, John & Susan en Xui Li, Bao Yu & Chenh-Gong. Door hun verhaal te lezen leren we over de positieve kanten van de toekomst als we keuzes durven te maken.

Co-creation: the multiplication of impact and energy / Miguel’s story

Miguel is creatief en denkt graag na over innovatieve oplossingen. Samen met mensen over de hele wereld denkt hij na over oplossingen voor problemen als verkeer en stadsvernieuwing.

What has changed over the decades is that instead of innovation being seen simply as the domain of particular groups, companies or governments, it has become a highly collaborative, cumulative and social activity, in which people with different skills, points of view and insights share and develop ideas around them.

In 2025 is dankzij technologie innovatie en creativiteit een massa-activiteit geworden waar miljoenen mensen aan mee kunnen doen. Maar mensen staan er ook open voor, ze willen samen een probleem oplossen of een nieuw idee uitwerken. Het gaat niet om winnen of verliezen, het gaat niet om alleen, het gaat om het beste samen.

De keuzes die Miguel heeft gemaakt kunnen wij ook maken. Het zijn kiezen voor vakmanschap en meesterschap (vaardigheden ontwikkelingen op de gebieden waar jij een passie voor hebt en die betekenis geven aan je werk), verbonden zijn met de wereld om je heen en willen samenwerken en een gepassioneerde producer worden.

Social engagement: the rise of empathy and balance / John & Susan’s story

John behoort tot de Generatie Y. Hij heeft een baan als verkoper en 6 maanden per jaar doet hij vrijwilligerswerk in de 3e wereld. Zijn familie ging de laatste keer met hem mee. Het verhaal van John illustreert het begrip global mindset. De negatieve kant van de hyper-connected wereld is fragmentatie en isolatie. De positieve kant daarentegen is de global mindset. We reizen meer, begrijpen elkaars culturen beter en hebben daardoor ook meer begrip voor mensen die anders zijn dan wij.

 This world view had created greater feelings of empathy, not just for their immediate family but also reaching further out to others who are different from the mand to whom they are strangers.

John heeft een duidelijke keuze gemaakt. Hij werkt voor een baas en doet daarnaast iets waar hij gepassioneerd over is.

Micro-entrepeneurship: crafting creative lives / Xui Li, Bao Yu & Chenh-Gong’s story

Xui Li had jaren een eigen bedrijfje en maakte avondjurken met geborduurde opdruk. Ze dacht altijd dat haar dochter, Bao Yu, haar op zou volgen, maar zij koos haar eigen pad. Sinds enkele jaren is Xui Li onderdeel van een netwerk van zelfstandigen die samenwerken. Haar dochter koos ervoor om tassen via internet te verkopen. Beide zijn zij kleine zelfstandige zakenvrouwen die van hun passie hun werk hebben gemaakt. Xui Li’s kleinzoon, Chenh-Gong is een gepassioneerd filmmaker. Alle drie gebruiken ze technologie om online zaken te doen. Daarnaast is Xui Li een voorbeeld van een werkende oudere. Dankzij de verhoogde levensverwachting kan zij, ondanks haar leeftijd, werken en zaken doen.

Gratton stelt de lezer weer een aantal vragen. Zoals, zie je jezelf werken voor een groot bedrijf of ben je zelfstandige entrepreneur? Als het antwoord het laatste is dan moet je nadenken over meesterschap, vakmanschap en een innovatieve connector. En hoe lang denk je productief te kunnen zijn? Denk je door te kunnen werken terwijl je de 70 al bent gepasseerd? Dan is het zaak om na te denken over jouw energie, kracht en een balans tussen werk en privé. En de laatste vraag, war verwacht je te leven? Je hebt de keuze om overal waar je wilt te wonen zolang je maar verbonden blijft met de wereldwijde marktplaats.

PART IV THE SHIFT

Our world is changing at an extraordinary pace, and what will go are many of the beliefs about what work is and how it is performed. In its place ar greater opportunities and choice. It is the opening of the aperture of choice that creates the space which will enable you to write a personal career script that can bring you fulfilment and meaning.

In de vorige hoofdstukken heeft Gratton laten zien hoe de default toekomst (negatief) en de crafted toekomst (positief) er uit kunnen zien. Hoe jouw toekomst er uit ziet heeft alles te maken met de keuzes die je maakt. Om die keuzes te kunnen maken moet je bepaalde aannames los kunnen laten en verandering toestaan op het gebied van kennis, vaardigheden, hoe je je werkt doet en gewoontes. Een manier om dit te doen is om deze veranderingen te zien binnen de context van drie kapitaalbronnen.

De eerste bron is intellectueel kapitaal (de kennis die je hebt en het vermogen om na te denken over problemen en uitdagingen). Intellectueel kapitaal speelt een sleutelrol in de carrière ontwikkeling omdat de kennisgebieden waarin je je begeeft ervan afhankelijk zijn. Gratton is van mening dat algemene kennis, die in het verleden belangrijk was, nu aan waarde zal verliezen omdat er altijd wel iemand te vinden is die hetzelfde weet, de informatie sneller kan leveren en ook nog goedkoper is. Het is dus zaak om te differentiëren. Je doet dit door veel tijd en energie te stoppen in het vergaren van nog meer kennis over een onderwerp en door vaardigheden te leren die weinig anderen bezitten. Dus door meesterschap en vakmanschap te ambiëren. Maar op een onderwerp focussen is niet zinvol. Dus kijk ook naar kennisgebieden die gerelateerd zijn of naar totaal andere kennisgebieden.

De tweede bron is sociaal kapitaal (het totaal van alle relaties die je hebt en de reikwijdte en diepte van jouw netwerk).

In a world where isolation is just around the corner, finding and keeping regenerative relationships will be key. But in a world where innovation and creativity are at premium, the diversity of networks will also play a crucial role.

Dus je stijgt boven de massa uit met je kennis en vaardigheden en toch ben je onderdeel van een collectief met anderen die veel kennis en vaardigheden hebben om samen waarde te creëren. En als je dat niet doet dan blijf je alleen, strijdend tegen duizenden anderen die hetzelfde kunnen als jij zonder de kansen en mogelijkheden die een collectief jouw biedt.

De derde bron is emotioneel kapitaal (begrijp je jezelf en begrijp je de keuzes die je maakt, maar ook de veerkracht om actie te nemen). Volgens Gratton is de verandering die bij dit kapitaal hoort het meest ingewikkeld omdat je met je vrienden en familie na moet denken over wat voor soort werkend leven je wilt.

What is required instead will be conscious, articulated and purposeful actions around the three shifts: to be prepared to expend the focus and determination to be a serial master; to use energy and goodwill to become an innovative connector with a rich network of diverse and interesting people; and finally, to redraft the traditional working deal that has money and consumption at the heart to something more in tune with your emotional needs for experiences and passion.

Om waardevol te zijn in de toekomst is het zinnig op zoek te gaan naar een competentie of vaardigheid die niet gemakkelijk door techniek of mens geimiteerd kan worden. Gratton beschrijft drie carrièremogelijkheden (rekening houdend met de 5 krachten) die de potentie hebben om waardevol te zijn: grassroots advocacy, social entrepreneurship, micro-entrepreneurship. De belangrijke gebieden waar dit in kan zijn life science, geneeskunde en energie. Met vooral veel creativiteit en innovatie.

Je kunt van alles voorspellen. En Gratton doet een poging. En toch, het hoeft niet uit te komen. Daarom is het belangrijk om werk te doen waar je van houdt, waar je passie ligt. Gratton meent dat dat de enige manier is om het vol te houden, zeker als we tot ons 70e door moeten werken. Werk waar je van houdt geeft, volgens Gratton, betekenis.

As innovation and creativity become the stamp of high-value work, so our working circumstances will have to provide an opportunity for childlike play and creativity to flourish…. For mastery to work, you have to be prepared to play. You will only really achieve the mastery you need if you are excited about what you are doing and love the stretch of achieving mastery, and when you feel challenged.

Gratton ziet de toekomst van werk als het doorbreken van barrières die nu werk en privé, maar ook werken en spelen van elkaar scheiden. Daarnaast beschrijft zij dat het meesterschap uit meer moet bestaan dan een enkelvoudig iets. Je moet in staat zijn om flexibel om te gaan met dit meesterschap. Misschien zijn er andere dingen die je ook goed kan of waar je beter in wilt worden. Durf te experimenteren, te spelen en te ontdekken. Maak ook gebruik van je netwerk, Gratton noemt dit the big ideas crowd. Dit netwerk kan je helpen door inzicht te geven in gebieden waar je nog niet zo bekend mee bent. Zij geven je ook ideeen en zien misschien kansen voor jou die jij nog niet zag. En als laatste, doe eens iets erbij (dus bij je (fulltime) baan), gewoon omdat het leuk is om nieuwe dingen te ontdekken, terwijl je nieuwe vaardigheden bijleert.

Gratton heeft het intellectuele kapitaal uitgebreid behandeld als zij doorgaat naar het sociale kapitaal.

One of the marvellous opportunities of the coming decades of work will be to build your social capital in a way that was never possible in the past.

Hoe wil je ook anders. Met 5 miljard mensen die met elkaar in verbinding staan en kunnen participeren zijn de mogelijkheden eindeloos. De uitdaging is om niet verloren te raken en te gefragmenteerd bezig te zijn, maar ook om niet geisoleerd te leven door te veel gebruik te maken van online werelden. Om zoveel mogelijk gebruik te maken van de hyper-connected wereld vraagt om een fundamentele verandering in ons denken over samenwerking, verbinding en innovatie. Echte innovatie, volgens Gratton, komt voort uit de verbinding die je maakt met anderen, met hun kennis, competenties en netwerk. En deze connecties worden dankzij technologie en globalisering, wereldwijd gemaakt. Ook dit netwerk ziet Gratton als onderdeel van the big ideas crowd. Net als overigens jouw posse, een groep van ongeveer 15 personen waar je altijd op kan rekenen en wie je vertrouwd. Deze groep kan in minuten bij elkaar geroepen worden, begrijpt elkaar en is waardevol. Deze groep kent je, vertrouwd je en wil je ondersteunen.

The whole point about a posse is that they can be assembled in a moment, and can ride with the samen speed and dexterity. Their similarity and shared capabilities are a great source of advantage to the posse since it is this that brings speed and depth.

Het enige probleem met een posse is, volgens Gratton, dat zij elk probleem op dezelfde manier oplossen. Zij kennen maar een richting en dat komt omdat ze op jou lijken en omdat jij ze vertrouwd niet van het bestaande pad af te wijken. Heb je dan een probleem dat groot en complex is en om innovatie vraagt dan is een posse niet de beste groep om dat probleem op te lossen. Dan heb je een grote, diverse community nodig; the big ideas crowd. De mensen in deze groep zitten in de uithoeken van jouw netwerk, het zijn vaak vrienden van vrienden. Zij zijn totaal verschillend van jou en toch willen zij de connectie met je maken. Deze groep is groot, misschien bestaat deze groep wel uit meer dan 100 mensen. En veelal zijn deze contacten virtueel.

Als tegenhanger ziet Gratton de regenerative community. Deze community bestaat niet in een virtuele maar in de echte wereld. En het zijn ook niet de mensen die op je lijken en dezelfde vaardigheden bezitten, zoals jouw posse. Dit zijn de mensen die je regelmatig ziet, met wie je lacht en huilt, samen eet, verhalen vertelt en met wie je ontspant. Deze groep mensen zijn van belang voor de kwaliteit van jouw leven en jouw emotionele stabiliteit.

De derde verandering is de verandering die zorgt voor een werkend leven dat betekenis heeft, passie, positieve en waardevolle ervaringen in plaats van een leven waar geld en consumptie de boventoon voert. Volgens Gratton is dit de lastigste verandering als het gaat om aannames, competenties en gewoonten en is hij nodig om een werkend leven te modelleren naar wat jij wilt en wat jij verdient. Blijft het, we werken om geld te verdienen. Of wordt het, we werken om waardevolle ervaringen op te doen (zoals vriendschap, ontwikkeling, tijd om iets anders te kunnen doen).

The mosaic of future working lives – and the carrilon curves that accompany it – requires a new deal between the individual and work that no longer puts pay at the centre, but rather places it in balance with many other sources of experiences.

PART V NOTES ON THE FUTURE

In het laatste hoofdstuk van het boek schrijft Gratton brieven aan de kinderen, de directeuren van grote (en kleine) bedrijven en aan de overheid. In deze brieven geeft zij tips en aanbevelingen. In het kort beschrijven zij de shifts en de maken keuzes die eerder in het boek uitvoerig zijn beschreven.

Tijdens het lezen van dit boek was ik vooral erg onder de indruk van de shifts en de bijbehorende keuzes. Toen ik las over de default future bekroop mij een zwart en donker gevoel. Zoiets als, hier wil je niet uitkomen. De crafted future fleurde me iets op en toch bleef ik denken over mijn eigen keuzes. Ben ik goed bezig, moet ik niet meer investeren in vriendschappen, doe ik het werk wat ik leuk vind of wil ik liever iets anders. Ben ik ook niet te veel gefocussed op hebbedingetjes die ik wil kopen maar die ik niet nodig heb. Word ik daar echt blij van of is dat een blijheid van een paar minuten. Het handboek dat bij dit boek hoort heb ik al gedownload en het lijkt me interessant om met een aantal collega’s dit in te vullen. Om samen na te denken en te discussiëren over onze toekomst.

Free – the future of a radical price

Chris Anderson schreef in 2006 het boek The Long Tail: Why the Future of Business Is Selling Less of More. Dit boek heb ik nooit gelezen. Ik heb er wel veel over gehoord. In 2009 schreef Anderson het boek dat ik nu in mijn handen heb Free : the future of a radical price. Dit boek stond al even in mijn boekenkast en omdat ik het nu wel eens allemaal zelf wil lezen, er toch maar eens bij gepakt.

Het boek bevat een drietal hoofdonderwerpen met daaronder hoofdstukken die dieper op het onderwerp in gaan. De drie hoofdonderwerpen zijn:

  • what is free
  • digital free
  • freeconomics and the free world

what is free?

free 101 – a short course on a most misunderstood word

Free kan van alles betekenen en de betekenis van dit woord is door de eeuwen heen continu veranderd. Als je het woord hoort denk je gelijk aan de addertjes onder het gras en toch is het een woord dat wel gelijk de aandacht op iets vestigt.  Het woord impliceert een eenvoudige transactie en toch is het vaak niet zo eenvoudig als het lijkt.

De definitie. Voor Romaanse talen kent het woord twee betekenissen omdat het twee woorden kent. Het eerste komt van het Latijnse liber dat vrijheid betekent. Het andere woord komt van het Latijnse woord gratis wat geen kosten betekent. In het Spaans is libre een positief woord, terwijl gratis eerder wordt geassocieerd met een marketing truck. In het Engels zijn de woorden samengevoegd tot een woord. Freedom heeft ook daar een positieve connotatie. Maar soms gebruiken de Engelsen toch het woord gratis om aan te geven dat iets echt zonder kosten is. In Nederland gebruiken wij het woord gratis. Maar zoals in andere landen heeft dit een negatieve klank. Er zit altijd wel iets aan vast waardoor het minder gratis wordt. In dit boek betekent free zonder kosten.

Anderson geeft een paar voorbeelden van free met addertjes onder het gras (1+1 gratis, geen verzendkosten, gratis cadeautje bij een pakje, gratis probeerverpakking, probeerversie van een product waar het na een poosje niet meer gratis is). Hij geeft ook voorbeelden van dingen die echt gratis zijn, zoals Flickr, Wikipedia en het meeste van wat Google aanbiedt.

All these can be sorted into four broad kinds of Free, two that are old but evolving and two that are emerging with the digital economy.

Als je het van een afstandje bekijkt, komen deze variaties van free, volgens Anderson voort uit een ding en dat is het verschuiven van geld van product naar product, van mens naar mens en tussen nu en later. Hetgene wat economen cross-subsidies noemen. Oftewel kruissubsidie. Nu ben ik geen econoom dus ik weet niet of het de juiste vertaling is en ik ben er ook nog niet achter wat het woord precies betekent.

Kruissubsidies kunnen op verschillende manieren ingezet worden:

  • gratis producten subsidiëren betaalde producten (gratis proefverpakking)
  • nu gratis maar straks betalen (gratis telefoon bij abonnement)
  • gratis mensen worden gesubsidieerd door betaalde mensen (kinderen gratis bij attractie)

Binnen de wereld van kruissubsidies, worden de free-modellen ingedeeld in vier categorieën:

FREE 1: DIRECT CROSS-SUBSIDIES
what’s free: any product that entices you to pay for something else

free to whom: everyone willing to pay eventually, one way or another

FREE 2: THE THREE-PARTY MARKET

what’s free: content, services, software and more

free to whom: everyone

De eerste categorie is duidelijk. Je wordt als consument naar een winkel gelokt met een 1+1 gratis actie in de hoop dat je meer spullen koopt als je er toch bent. De tweede categorie lijkt moeilijker maar we maken het elke dag mee. De derde partij is de adverteerder. Hij betaald zodat een uitgever een gratis krant, blad, of iets anders aan een consument kan geven. Uitgevers verkopen geen kranten aan lezers, zij verkopen lezers aan adverteerders.

FREE 3: FREEMIUM

what’s free: anything that’s matched with a premium paid version

free to whom: basic users

FREE 4: NONMONETARY MARKETS

what’s free: anything people choose to give away with no expectation of payment

free to whom: everyone

In dit boek komen twee soorten prijzen aan bod, iets en niets. Maar er is nog een derde prijs, minder dan niets. Dat gebeurt als je wordt betaald om een product of dienst te gebruiken. Zo wordt ik in punten betaald als ik online enquêtes invul. Deze punten kan ik inwisselen voor tegoedbonnen van bijvoorbeeld Bol.com. En vaak als ik dan online ben om een boek te bestellen koop ik ook nog iets anders.

the history of free – zero, lunch, and the enemies of capitalism

Een van de redenen waarom free zo moeilijk te bevatten is, is omdat het niets is. Het is de afwezigheid van iets. Het is het gat waar de prijs hoort te zitten. Free is een concept. En het heeft jaren geduurd voordat de mensheid het met een getal kon beschrijven.

Where numbers only represent real things, you don’t need a numer to express the absence of nothing.

Anderson duikt nog wat dieper in de geschiedenis. Schrijft over rente en het begin van commercie. Tot hij aankomt bij de 19e eeuwse Rus Peter Kropotkin. Kropotkin bedacht in 1902 een Utopia waar mensen spontaan allerlei werk voor elkaar deden omdat zij geloven in de community en in wederzijdse hulp. Anderson ziet in de deze visie een vooruitblik op de link economy die dankzij het internet kon ontstaan (mensen linken naar elkaar blogs om reputatie op te bouwen en traffic te genereren).

In giving something away, he argued, the trade-off is not money, but satisfaction. This satisfaction was rooted in community, mutual aid, and support.

Ten tijden van Kropotkin kon dit niet werken. Dit omdat de groep vaak groter was dan 150 (Dunbar’s number). Virtuele werelden waren nodig om het mogelijk te maken.

Anderson vervolgt zijn verhaal over de economie, overvloed en schaarste. De opkomst van goedkope materialen zoals plastic. En besluit met deze quote:

Our attitude towards abundant resources moved from personal psychology (it’s free to me) to collective psychology (it’s not free to us).

the psychology of free – It feels good. To good?

Waarom denken mensen dat free soms betekent dat iets niet van goede kwaliteit is? Volgens Anderson komt dat omdat ons gevoel over free relatief is en niet absoluut. Als je voor een product altijd geld hebt betaald en ineens hoeft dat niet meer dan verwacht je dat de kwaliteit van het product hierdoor achteruit is gegaan. Maar als een product nooit geld heeft gekost heb je dat gevoel niet.

De psychologie gaat ook aan het werk als je na moet denken over de prijs van een product, is het dat geld waard, wil ik het hebben al het dit bedrag kost, etc. Bij free producten heb je dat niet. Je denkt hier veel minder over na. Voor consumenten zit er een groot verschil tussen free en goedkoop. Zelfs als een product maar 1 cent kost, je gaat er toch over nadenken.

Toch is de kans groot dat je blijer wordt van een product waarvoor je hebt betaald. Je hebt er goed over nagedacht en geniet van de aankoop. Free producten hebben dat minder. Ik bezoek wel eens een congres in de Verenigde Staten. Daar is het heel normaal dat je ’s morgens (ze beginnen vaak vroeg) een ontbijt(je) krijgt aangeboden en tussen de sessies door drinken en snacks. Allemaal voor niets. Word je daar hebberig van? Ik soms wel. Dan neem ik een extra colaatje mee voor later. Is het dan erg als je de snack niet helemaal op eet. Nee. Als je teveel hebt gepakt laat je wel eens iets liggen. Dit is anders als je voor het eten en drinken hebt betaald. Dan maak je het op, want anders is het zonde. Maar het is toch ook zonde als je het weggooit en je hebt er niet voor betaald.

We take stuff because it’s there, not nesessarily because we want it. Charging a price, even a very low price, can encourage much more responsible behaviour.

digital free

too cheap to matter – the web’s lesson: when something halves in price each year, zero is inevitable

Het internet staat voor free. Niet vanwege een ideologie maar vanwege economische factoren. De kosten die gemaakt moeten worden zijn zo laag (processors, dataopslag en bandbreedte) dat het zinvol is om datgene dat je aanbiedt af te ronden naar beneden. En dat betekent afronden naar free.

information wants to be free – the history of a phrase that defined the digital age

Toen Stewart Brand in 1984 de woorden information wants to be free uitsprak zei hij ook dat information wants to be expensive. In die tijd kon het nog alle kanten op gaan. Informatie kon goedkoper worden omdat het gemakkelijk reproduceerbaar werd. Of het kon kostbaarder worden omdat computers informatie van hogere kwaliteit konden maken. Als we tegenwoordig over informatie praten dan bedoelen we meestal digitale bits: signalen die aan of uit staan dat iets of niets betekent, afhankelijk van hoe ze gecodeerd worden.
Toen Brand het over informatie had, sprak hij over digitaal gecodeerde informatie. Brand begreep dat een bit en de betekenis ervan twee verschillende dingen zijn. De bits zijn free, maar de betekenis ervan kan waarde hebben (van niets tot onbetaalbaar) afhankelijk van wie het ontvangt. Hij neemt als voorbeeld een telefoonmaatschappij, zij berekenen kosten voor de verbinding, het gaat hun niet om de informatie die over die verbinding wordt verzonden. Net zo goed als bij een café, zij rekenen niet voor de gesprekken die er worden gevoerd.

you always wind up charging for something different than the information

competing with free – Microsoft learned how to do it over decades, but Yahoo just months

Anderson beschrijft het voorbeeld van Microsoft. Hoe zij tegen illegaal downloaden van software hebben gevochten en tot op zekere hoogte hebben geaccepteerd dat mensen nu eenmaal kopiëren. Hoe aan de andere kant Microsoft de eigen software promootte boven de (bijna) gratis webbrowsers, wordprocessingsoftware, etc. die door andere partijen werd aangeboden. En hoe zij zijn omgegaan met nieuwe operating systemen in de wereld zoals Unix/Linux.
Ook geeft Anderson het voorbeeld van Yahoo en hoe zij reageerden toen Google gratis email aanbood. Het geeft duidelijk weer dat Google een nieuwe impuls aan  het begrip free heeft gegeven.

En dus kennen we tegenwoordig 3 software modellen: compleet free, free software met betaalde support en software/support waarvoor je moet betalen.

de-monetization – Google and the birth of a twenty-first-century economic model

Als Google een nieuwe dienst ontwikkeld vragen zij zich niet af of het geld oplevert maar of het niet cool zou zijn als, of of mensen er op zitten te wachten en of de dienst de Google-technologie goed gebruikt. Het geld komt wel binnen, via de adverteerders. Dus de diensten kunnen gratis zijn.

Why does Google default to free?

Omdat het de beste manier is om de grootst mogelijke markt en de adoptie van veel gebruikers te bereiken.

the new media models – free media is nothing new. What is new is the expansion of that model to everything else online

Radio, maar later ook televisie, maakt gebruik van free-to-air dat wordt betaald door adverteerders. Een derde partij (de adverteerder) sponsort content zodat een tweede partij (de luisteraar of kijker) gratis gebruik kan maken van de dienst. Radio en televisie hebben hiermee het media model van free gelanceerd. Dit model werd overgenomen door kranten, tijdschriften en andere mediavormen. Zo ook op het internet. Daar gaat het voorbij mediabedrijven en kan het gebruikt worden door gewone mensen. En dat maakt het verschil.

Anderson geeft een voorbeeld uit zijn eigen praktijk, het tijdschrift Wired. Als zij een tijdschrift opmaken dan zorgen zij ervoor dat advertenties goed geplaatst worden. Met anderen woorden geen Sony advertentie bij een artikel over Sony. Zij willen namelijk niet de indruk wekken dat zij beïnvloedbaar zijn. Voor Google werkt het net anders, zij zoeken juist advertenties die passen bij het onderwerp. Zij zetten wel een advertentie van Sony bij een review van een Sony product.

Why is such matching bad in print but good online? At the heart of that question is the essence of how advertising is changing as it moves online.

Volgens Anderson is dat omdat mensen een ander verwachtingspatroon hebben als zij online gaan. Mensen maken tijdschriften op, en mensen kunnen corrupt zijn, zeker als het om geld gaat. Web advertenties worden geplaatst door zoekmachines (software algoritmes) en dat maakt het betrouwbaarder. Uiteraard is dit niet waar. Veel advertenties op het web worden handmatig geplaatst. En ook een algoritme kun je corrupt maken, het zijn tenslotte mensen die deze algoritmen schrijven. Maar op de een of andere manier hebben mensen er minder moeite mee als Google de advertenties bij andermans content plaats. Mensen maken zich dan helemaal geen zorgen over beïnvloeding.

Daarnaast zijn mensen gewend om online gratis informatie te krijgen en die beleving sijpelt ook door naar de offline wereld. De mediabedrijven hebben hier het meeste last van. Want wie wil er betalen voor een krant als het nieuws gratis online tot je kan nemen?

Voor Anderson is deze verschuiving onderdeel van de devaluatie van content die niet alleen wordt gevoed door wat generaties verwachten en willen maar ook door trends in de technologie. Jonathan Handel geeft 6 redenen voor deze migratie naar free.

  • supply and demand (the supply of content has grown by factors of millions, but demand had not)
  • loss of physical form (we value atoms more than bits)
  • ease of access (it’s often easier to download content than it is to find i tand buy it in stores)
  • the shift to ad-supported content (habits set on the web carry over into te rest of life)
  • the computer industry wants content to be free (free content makes the devices it plays on more valuable)
  • generation free (the generation that has grown up with broadband has digital economics somehow wired into their DNA)

Dankzij internet zijn er nieuwe business modellen gebouwd rondom free. Anderson geeft 7 categorieën waarvan hij vindt dat ze succesvol zijn.

  • selling virtual items (bijvoorbeeld in games die je gratis online kan spelen, maar waarvoor je spulletjes kan kopen om te gebruiken in het spel om tijd te besparen, er cool uit te zien, of minder moeite te hoeven doen – je hoeft geen geld uit te geven maar het kan wel)
  • subscriptions (vaak ook voor online games)
  • advertising (bijvoorbeeld in-game advertenties)
  • real estate (denk aan Second Life)
  • merchandise
  • free music (bijvoorbeeld Radiohead die consumenten zelf de prijs van de muziek laat bepalen)
  • free books

 how big is the free economy – there’s more to it than just dollars and cents

Er zijn veel verschillende free-economieën. He is dus maar net welke je bedoelt als je wilt weten hoe groot de free-economie is. Anderson doet toch een poging en berekent de waarde van 4 free-economieen (3e partij markt – adverteerders, freemium – paar mensen betalen voor de grote groep, de gratis online games en de gift economie). Maar eigenlijk zeggen deze aantallen waar Anderson mee komt niet zo veel omdat niet alles wordt gedekt.

freeconomics – and the free world

econ 000 – how a century-old joke became the law of digital economics

The internet, by combining the democratized tools of production (computers) with democratized tools of distribution (networks), conjured a truly competitive market.

Elke markt is verschillend. En gratis is een constante aantrekkelijkheid voor alle markten die er bestaan. Maar om geld rondom free te maken vergt creativiteit en experiment. Anderson beschrijft het principe versioning. Dit betekent dat verschillende gebruikers verschillende prijzen betalen. Een van de versies van het product is gratis, terwijl je voor een andere versie van hetzelfde product moet betalen. Een andere vorm om geld rondom free te maken is flat-fee – met als voorbeeld het onbeperkt eten, of onbeperkt lenen van DVD’s voor een bepaald bedrag.  Het beste model krijg je, volgens Anderson, als je beide principes met elkaar combineert. Je ziet dit model overal om je heen, van de sportschool tot je mobiele telefoon aanbieding.

Een nadeel van dit model is wat Anderson de free-rider problem noemt. De mensen die zich niet in kunnen houden bij een all-you-can-eat buffet. Timothy Lee ziet hier geen probleem omdat als je ervan uitgaat dat de kosten gecompenseerd moeten worden dit niet langer geldt voor online gedrag. Er zijn voldoende mensen die gratis allerlei content delen, gewoon omdat ze het leuk vinden en genoegdoening krijgen van het feit dat ze gelezen of gehoord worden. En omdat online de aantallen groot zijn. Als maar 1% van de participanten van een community actief deelnemen is dat genoeg, alle anderen kunnen dan free-riders zijn.

nonmonetary economies – where money doesn’t rule, what does?

Een van de oudste regels in de economie is dat elke overvloed een nieuwe schaarste creëert. Neem als voorbeeld gratis koffie op het werk. Dit zorgt ervoor dat mensen behoefte krijgen aan kwalitatief veel betere koffie waar zij ook nog wel voor willen betalen.

Als je kijkt naar informatie. Als onze honger naar basisinformatie is gestild, dan gaan we op zoek naar informatie die we echt willen hebben. En in die zoektocht leren we meer over onszelf en wat ons bezighoudt. In dit proces zullen veel mensen van passieve consumenten actieve producenten gaan worden. Hierbij worden we gestimuleerd door de psychologische beloning van het creëren. In een normale economie is geld hetgene wat ons drijft, we kopen wat we kunnen kopen. Maar online, waar veel gratis is, is geld niet langer de drijfveer. De drijfveer wordt aandacht en reputatie.

Good recommendations build trust with a readership, and being recommended confers trust, too. And with trust comes traffic.

Dus we hebben Google Pagerank (inkomende links), Facebook en MySpace (vrienden), EBay (met ratings voor kopers en verkopers), Twitter (met volgers) en Slashdot (met karma). Met deze sites kun je reputatiekapitaal omzetten in aandacht. En als je wilt kun je dit weer omzetten naar geld. Maar de meesten willen dat niet.

Maar waarom doen deze mensen dat? Content online zetten zonder er voor betaald te worden. Vaak omdat ze deel willen uitmaken van een community, maar ook persoonlijke groei en kennisdelen speelt mee. We stoppen onze tijd er in omdat het respect oplevert, we aandacht krijgen en een publiek bereiken. En vaak geeft iets doen zonder ervoor betaald te worden meer voldoening dan een betaalde baan.

waste is (sometimes) good – the best way to exploit abundance is to relinquish control

Mensen houden niet van verspilling. Maar wat zij onder verspilling verstaan hangt samen met wat zij kennen van schaarste. Denk aan je ouders, als zij op vakantie naar huis wilden bellen, kostte dat heel veel geld. Zij houden buitenlandse gesprekken dus kort. Wij zijn gewend dat dit niet zoveel duurder is dan in Nederland bellen en dus kletsen wij langer. Maken wij ons hier geen zorgen over. Maar voor onze ouders is dit verspilling. Overigens zijn mensen de enige levende wezens in de natuur die moeite hebben met verspilling. Andere dieren gaan hier veel gemakkelijker mee om omdat zij weten dat verspilling leidt tot een beter en sterker soort.

free world – China and Brazil are the frontiers of free. What can we learn from theme?

In China begrijpen ze dat er geen geld meer te verdienen valt aan de verkoop van muziek-cd’s en dus zoeken ze naar andere manieren. Dit vinden ze in concerten, websites, ringtones, etc.

In the Western press, Chinese piracy is seen as little more than a crime. Yet within China, pirated goods are just another product at another price, a form of market-imposed versioning. The decision whether to buy a pirated Louis Vuitton bag is not a moral one, but one about quality, social status, and risk reduction.

De meeste Chinezen kunnen zich de echte producten niet veroorloven en dus kopen ze namaak. Als zij het geld hebben kopen ze echt omdat dat nu eenmaal van betere kwaliteit is.

imagining abundance – thought experiments in “post-scarcity” societies, from science fiction to religion

Wat we, volgens Anderson, kunnen leren van fictie is dat we overvloed kunnen verbeelden. Maar dat onze hersenen zijn geprogrammeerd op schaarste. We focussen ons op de dingen die we niet hebben, zowel op het gebied van tijd en geld. En het is dat wat ons drijft. Als we hebben gevonden of gekregen wat we wilden, gaan we op zoek naar iets nieuws. We worden gemotiveerd door wat we niet hebben in plaats van door wat we wel hebben.

Economically, abundance is the driver for innovation and growth. But psychologically, scarcity is all that we really understand.

you get what you pay for – and other doubts about free

Anderson geeft 14 meest gehoorde argumenten (en zijn tegenargumenten) tegen een free-economie.

  • there ain’t no such thing as a free lunch (in de geldmarkt is de lunch misschien niet gratis, maar in de aandacht-, en reputatie-markt heb je ervoor betaald met jouw tijd en aanwezigheid)
  • free always has hidden costs / free is a trick (in de 21e eeuw van gratis, die is gebaseerd op digitaal, is er geen reden voor verborgen kosten)
  • the internet isn’t really free because you’re paying for access (je betaald voor de toegang, niet voor de content)
  • free is just about advertising (and there’s a limit to that) (misschien toen internet net opkwam maar tegenwoordig zie je steeds meer freemium, enkelen betalen voor velen)
  • free means more ads, and that means less privacy (er is nog zoiets als privacy beleid en niet alle bedrijven verkopen die informatie aan adverteerders)
  • no cost = no value (is geld het enige middel om waarde mee vast te stellen, er is ook zoiets als aandacht en reputatie)
  • free undermines innovation (creative commons laat zien dat mensen heel erg creatief en innovatief worden van gratis content)
  • depleted oceans, filthy public toilets, and global warming are the real cost of free (in de digitale wereld is verspilling veel minder aan de orde, omdat het eigenlijk alleen nog maar gaat om elektriciteit)
  • free encourages piracy (het is juist net andersom)
  • free is breeding a generation that doesn’t value anything (in elke generatie nemen we iets voor lief dat de generatie ervoor waardevol vond, maar dat betekent niet dat deze generatie alles minder waardeert, zij waarderen alleen andere dingen)
  • you can’t compete with free (tenzij je een beter of ander product maakt dan de gratis versie, ga voorbij het gratis product en zoek een iets waar mensen voor willen betalen, is de software gratis biedt dan support aan)
  • I gave away my stuff and didn’t make much money (iets gratis weggeven maakt je niet rijk, maar wel als je nadenkt over reputatie en aandacht en hoe je daar geld mee kunt verdienen)
  • free is only good if someone else is paying for it (met freemium krijgt iemand die betaald een beter product wat jij gratis kan krijgen (is dus niet hetzelfde product), zijn teveel voorbeelden die het tegenspreken, misschien denk je minder van een product dat eerst geld kostte en nu niet meer, maar als iets altijd al gratis was, waarom zou je er dan minder van denken)
  • free drives out professionals in favor of amateurs, at a cost of quality (contentcreatie is niet langer meer het domein van de betaalden, maar dat betekent niet dat je geen geld kan verdienen met content creatie)

 The web has become the biggest store in history and everything is 100% off.

Aan het einde van het boek geeft Anderson de 10 principes van overvloed, freemium tactieken en 50 business modellen gebouwd rondom free.

Je vraagt je af hoe iemand iets meer dan 250 pagina’s vol kan schrijven over een onderwerp als free. En toch lukt het Anderson om een boeiend en goed leesbaar boek te schrijven. Ook voor niet-economen, zoals ik, zijn de hoofdstukken over de geschiedenis van de economie en begrippen goed te volgen. En dan het begrip free. Het is een raar begrip. Soms doe ik er aan mee, als ik iets wil uitproberen. Maar vaker betaal ik voor diensten en producten. Zoals bijvoorbeeld Evernote en Flickr. Niet alleen omdat ik fan ben maar ook omdat ik wil dat deze diensten en producten voor mij beschikbaar blijven. Zeg maar een soort support voor het bedrijf dat mij helpt om tijd te besparen.
Na het lezen van het boek wordt wel duidelijk dat free niet te stoppen is, dat je er toch geld aan kan verdienen (als je het goed aanpakt) en dat het gevoel rondom free is veranderd (of je dat nu leuk vindt of niet).

En mocht je het boek ook willen lezen en er niet voor willen betalen, dan vind je hier (Nederlandse versie – lezen) of hier (Engelse versie – luisteren) een free-copy.

 

Het Informatieparadijs – slimmer werken met minder informatie

Een twitteractie bezorgde mij het boek Het Informatieparadijs van Guus Pijpers. De ondertitel van het boek is slimmer werken met minder informatie. En dat willen we allemaal wel dus ik kijk op voorhand al uit naar tips en trics die ik kan gebruiken om mijn werk nog slimmer aan te pakken.

Het boek bestaat uit 7 hoofdstukken. Van wat informatie is, naar nieuwsgierigheid, verzamelen van informatie tot hoe het beter kan en hoe je goede informatie beoordeeld.

zeg eens eerlijk: heb jij nog genoeg tijd om alle beschikbare informatie te verwerken? En heb je nog genoeg tijd om alle informatie die je aan anderen kwijt wilt te communiceren?

Natuurlijk niet. En daarom is dit boek ook geschreven. Ik zal vast niet de enige zijn die de grote hoeveelheden (online) informatie niet kan verken en soms lichtelijk depressief wordt als ik de boeken in mijn kast zie staan die ik nog wil lezen. Volgens Pijpers is het wapen tegen dit gevoel kennis, kennis over informatie en wat deze informatie met mensen doet.
Het mooie, volgens Pijpers is, dat het slimmer omgaan met informatie niets kost en geen technologische hulpmiddelen vereist. Je hoeft alleen maar je houding en je gedrag aan te passen.

 Informatie kun je nooit verliezen door het weg te geven

Informatie

Pijpers favoriete beschrijving van informatie is deze: informatie is elke verandering die een verandering teweegbrengt in een bewust menselijk brein.

Interessant weetje uit het eerste hoofdstuk Informatie is dat wij een voorkeur hebben voor negatieve informatie, omdat onze hersenen hier meer op ingesteld zijn en deze sneller en beter kunnen verwerken. Volgens Pijpers hebben we 5 positieve ervaringen nodig om 1 negatieve ervaring te compenseren. Dat betekent nogal wat. Je moet als positief ingesteld mens dan dus enorm je best doen om negatieve mensen te overtuigen dat iets wel kan lukken, slagen of werken. Hoeveel energie gaat hier wel niet mee verloren?

Verder wordt in dit hoofdstuk beschreven wat informatie is, wanneer je kan spreken van desinformatie of misinformatie en wat onbewuste informatie met je doet. Ook komen informatiedragers aan bod, maar eigenlijk alleen in de zin dat je deze nodig hebt om informatie te verspreiden. Na het hoofdstuk volgt een intermezzo. Hierin wordt beschreven hoe informatie kan worden gebruikt, informatie als ervaring en de macht die het hebben van informatie heeft. Ik begrijp niet zo goed waarom een aantal dingen herhaald worden en sommige nieuwe dingen in dit intermezzo worden beschreven. Waarom niet hoofdstuk 1 iets langer of uitgebreider maken?

De voorbeelden die tussen de tekst staan zijn leuk en interessant om te lezen. Soms leiden ze af (als ze midden in een paragraaf opdoemen). Maar je hebt de keuze om ze wel of niet te lezen, de auteur wijst hier ook op in de inleiding.

Nieuwsgierig

Hoofdstuk 2 gaat over nieuwsgierigheid. En ik ben supernieuwsgierig. Het liefste zou ik alles willen weten. Da ik soms even geduld moet hebben om dingen te weten te komen is niet erg. Of zoals mijn moeder altijd zegt: als je lang genoeg wacht kom je alles te weet.

Gelukkig ben ik niet de enige. Mensen zijn volgens Pijpers dol op informatie. En we gebruiken informatie om onszelf uniek te maken. We uiten die uniekheid in symbolen, woordkeus en hoe we ons (online) presenteren. Wel oppassen dat we niet verslaafd raken met zijn allen. Verslaafd zijn is als het een probleem wordt, of als je het zelf als een probleem ziet. Ben je gewoon graag op de hoogte van het laatste nieuws dan hoeft daar niets mis mee te zijn. Het is ook goed voor je zelfvertrouwen, zeker als collega’s altijd bij jou langkomen voor het laatste nieuws. Omdat ze weten dat jij op de hoogte bent.

Dat we niet helemaal gek worden van al die informatie komt omdat onze hersenen hier iets voor regelen. Niet alle informatie die we binnenkrijgen wordt namelijk opgeslagen. En gelukkig maar, als we alles op zouden slaan, zou dat betekenen dat op een gegeven moment onze hersens vol zijn en dat er niets meer bij kan.

Informatievalkuilen

Vervolgens beschrijft Pijpers het proces van solliciteren. Welke informatie je daarvoor nodig hebt en soms (niet) krijgt. Het intermezzo bij dit hoofdstuk gaat over informatievalkuilen. Deze valkuilen worden onderverdeeld in twee groepen, de informatie zelf en de mens die de informatie geeft. Waar je op moet letten bij informatie:

  • er goed uitzien (informatie die er goed uit ziet, is goed, toch?)
  • herhaling (herhaalde boodschappen beschouwen we als belangrijk)
  • ontbrekend (soms weet je dat er iets mist, maar vaker ook niet)
  • te nauwkeurig (het grotere geheel wordt onzichtbaar)
  • te complex
  • goede manieren (informatie sluit aan bij ontvangen, in de juiste taal, met het juiste kennisniveau, zonder onnodige vaktermen)

En waarop let je bij informatieve mensen:

  • goed verzorgde experts (mensen die slank zijn, verzorgd en welbespraakt zijn volgens velen intelligent)
  • welke (naar welke informatie ben je op zoek)
  • zelfvertrouwen (als je kennis mist om informatie te gebruiken)
  • weet ik niet
  • bestaat echt niet (want soms bestaat informatie die je zoekt ook echt niet)

In hoofdstuk 3wordt beschreven waarom we zo veel informatie verzamelen. Een van de redenen werd naar mijn idee al beschreven in hoofdstuk 2, we zijn nieuwsgierig. En in mijn geval betekent dat ik de gevonden informatie wil bewaren. Om nog eens her te gebruiken, of om met anderen te delen, of gewoon voor de heb.

Verzamelwoede

Pijpers geeft een aantal redenen waarom we informatie verzamelen. Soms is het voor een bepaald doel, om nieuwe ideeen te ontwikkelen, om bevestiging te krijgen van iets wat we al weten, om erbij te horen of om iemand een plezier te doen. Maar soms, schrijft Pijpers, is het een raadsel waarom we het doen.

Pijpers verdeeld vervolgens de verzameldrift in drie redenen: persoonlijk (je weet maar nooit waar je de informatie nog eens voor kan gebruiken), groepsgedrag (je ziet dat collega’s ook veel informatie verzamelen) en het geheugen (omdat je niet alles kan onthouden).

Een praktische test. Op de vraag ik verzamel informatie omdat, kun je verschillende antwoorden aankruisen (ik betere controle kan uitoefenen, ik het prettig vind om veel over een onderwerp te weten, het gemakkelijker is geworden om informatie te krijgen, etc). Heb je meer dan tien antwoorden aangekruist dan heb je een serieus probleem. De antwoorden die gegeven zijn hebben namelijk niets te maken met de inhoud van informatie. Er zit tussen de antwoorden dus geen een goede reden waarom je informatie zou moeten verzamelen. Dus waarom wil je de informatie hebben. Heb je het niet nodig, dan niet bewaren.

Na drie hoofdstukken voorbeelden, informatie over informatie en interessante dingen om te lezen wordt het tijd voor wat meer praktische informatie. Iets waarmee ik mijn werk slimmer kan doen met minder informatie. Hoofdstuk 4 heeft als titel hoe kan het beter?

Informatiewerker

Wat voor type informatiewerker ben jij? Ben jij een data-, informatie-, of kenniswerker? Een datawerker creëert nauwelijks nieuwe informatie maar gebruikt, bewerkt en verspreid wel informatie. Een informatiewerker creëert nieuwe informatie, bewerkt informatie en verspreid het. Het verschil met een kenniswerker is dat deze op een creatieve manier nieuwe informatie maakt. Pijpers geeft vervolgens bij elke werker een takenlijst/opdracht.

Hoe dan om te gaan met informatie. Ga bij jezelf na over welke onderwerpen je meer dan gemiddeld geinformeerd wilt blijven. Je weet dan welke informatie nuttig is en welke je over kan slaan. De informatiebronnen kun je aanpassen aan de onderwerpen waarover je wilt leren of waarvan je op de hoogte wilt blijven. Als je een onderwerp je interesse heeft verloren gooi dan alle informatie die je hierover hebt verzameld weg. Iets minder drastisch is het opschonen van de informatie en bewaren wat je echt niet weg wilt doen.

Om als leidinggevende goed met informatie om te kunnen gaan geeft Pijpers drie tips:

  • filter altijd
  • selecteer zoveel mogelijk informatie (stop eerder met zoeken, richt je op het belangrijkste, leer te negeren)
  • delegeer zoveel mogelijk

Informatieprofiel

Hoe ga je om met informatie? Welke gewoontes heb je als het gaat om informatie? Hoe ontvang je het liefste informatie en hoe verstrek je het aan anderen? Deze vragen helpen bij het samenstellen van iemands informatieprofiel. Pijpers heeft twee andere boeken beschreven die je helpen om een gedetailleerd informatieprofiel op te stellen. Toch geeft hij een paar vragen die kunnen helpen.

  • hoe snel en accuraat neem jij een beslissing over nieuwe informatie
  • beheers je de informatiesituatie of heb je last van teveel informatie
  • kun je anderen beïnvloeden als het gaat om hun informatiegedrag
  • hoe orden je informatie, gooi je informatie weg als het moet, reorganiseer je wel eens je archief
  • welke informatie gebruik je en welke negeer je
  • ben je in staat om technologie in te zetten om bijvoorbeeld informatie te filteren en te selecteren

Als je de eigen productiviteit wilt verhogen is het zinvol om een informatieprofiel aan te maken. Als je jouw eigen informatieprofiel kent, kun je informatieprofielen van anderen vervolgens beter herkennen.

Aan het einde van het hoofdstuk besluit Pijpers met een aantal adviezen om informatie beter te vergeten.

  • maak een folder aan op de pc, in de mailbox en de kast – noem deze belangrijke informatie die ik binnenkort vergeet
  • stop op tijd met zoeken naar informatie
  • gebruik gesprekstherapie om nare ervaringen te vergeten
  • doe nu niet alles wat je normaal doet om niet te vergeten
  • zorg voor afleiding
  • doe zoveel mogelijk zaken tegelijkertijd
  • gebruik geen actielijsten, reminders of andere geheugensteuntjes
  • denk er niet aan

Informatieplaatsen

Hoe je goede informatie herkend leer je in hoofdstuk 5. Pijpers legt onder andere uit hoe je informatie moet opzoeken (met een informatiebehoefte, informatievraag, bronnenselectie en presentatie van informatie). Maar ook hoe je informatie selecteert om te bewaren (de informatie is niet vervangbaar, of moeilijk te vervangen, de informatie is een deel van een verzameling, werkinformatie).

Je weet wat informatie is, hoe je het vindt en hoe je er mee om moet gaan. Maar wie helpt je met het laatste. Dit wordt in hoofdstuk 6 beschreven. Je kunt bijvoorbeeld mensen vinden op informatieplaatsen. Dit zijn locaties die je overal tegen kunt komen, in verschillende vormen en op verschillende tijdstippen. Deze informatieplaatsen zijn niet ingericht om informatie te delen, denk hierbij aan een wachtkamer in een ziekenhuis, een restaurant, een feest, etc. Op deze plaatsen komen mensen van verschillende sociale achtergronden en vertellen zij hun verhaal. De context bij een informatieplaats is belangrijk. Het fysieke contact en de mogelijkheid tot interactie zorgen ervoor dat deze plaatsen goede informatiebronnen zijn.

De informatieplaatsen, mensen thuis en op het werk. Je kan ze allemaal gebruiken bij het omgaan met informatie. Wat mij in het hoofdstuk opvalt is het volgende. Onder de kop informatievaardigheden staat deze tekst:

Sterker nog, er is geen enkele opleiding die zich richt op een effectiever gebruik van informatie. Pas sinds kort gaan enkele basisscholen over tot het aanbieden van het vak informatiewijsheid.

Volgens mij heeft Pijpers hier onvoldoende informatie. Op zowel hogescholen als universiteiten bestaat zoiets als informatievaardigheden waar studenten wordt geleerd om te gaan met informatie. Of studenten vervolgens in de praktijk brengen wat zij hebben geleerd is een tweede. Maar het aanbod is er in ieder geval wel. Dat je het, volgens Pijpers, niet terug vindt in de curricula van huidige opleidingen kan kloppen omdat het vaak de bibliotheken zijn die informatievaardigheden aanbieden.

Het laatste hoofdstuk in het Informatieparadijs gaat over informatie is het nieuwe goud.

Als je informatie als geld ziet, is nu iedereen rijk. Er is informatie in overvloed. Bovendien hebben mensen nooit genoeg informatie. Naarmate ze meer informatie krijgen, willen ze nog meer – en sneller, van de beste kwaliteit en met alle mogelijke technische middelen te ontsluiten.

En dus is informatie net geld. Hoe meer informatie wordt gedeeld en (her)gebruikt, hoe hoger de waarde die je ermee kan maken of krijgen.

De ondertitel van het boek zet je als lezer een beetje op het verkeerde been. Ik had een meer praktisch boek verwacht. Natuurlijk kan ik de oefeningen in het boek uitvoeren en leren over mijn informatiegedrag en waarom ik informatie bewaar. Ik kan mijn archief schonen en informatie ik niet meer nodig heb weggooien. Misschien is het de manier waarop het boek is geschreven, maar ik had er gewoon iets meer van verwacht. De intermezzo’s aan het einde van de hoofdstukken gaven soms nieuwe informatie en soms was het een herhaling van zetten. Er zaten interessante feitjes en leuke voorbeelden in het boek. En ik heb zeker iets opgestoken van het lezen van het boek. Maar ik zal niet meteen aan de slag gaan om mijn informatiegedrag aan te passen.

Werken Nieuwe Stijl

In februari van dit jaar kreeg ik als prijs het boek Werken Nieuwe Stijl van Bas van de Haterd. Eigenlijk was het een doorgeefboek, maar door een typisch geval van seredipity mocht ik het boek houden. Samen met nog een ander boek van de auteur, die gaat over personal branding. Dat boek bewaar ik voor een later moment. Ik zit nu helemaal in het nieuwe werken, of werken nieuwe stijl zoals Bas van de Haterd het noemt. En hij is consequent. In het hele boek kom je slechts op enkele plekken het nieuwe werken tegen. Dat hetzelfde bedoeld wordt snapt iedereen en ik moet ik Bas gelijk geven dat hij het anders noemt. Werken nieuwe stijl dekt meer de lading, heeft een positievere klank en geeft meer ruimte voor eigen ideeën en initiatief.

Het boek bestaat uit zes hoofdstukken. Over wie, wat en waarom, maar ook over technologie, de werkplek, mentaliteit & cultuur en kritische succesfactoren. Om af te sluiten met een kijkje in de toekomst. Het hoofdstuk -1 gaat over wie is wie in dit boek. Een korte uitleg wordt gegeven bij de namen die worden genoemd en de mensen die zijn geïnterviewd.

Werken nieuwe stijl is het anders organiseren van werk zodat het beter aansluit bij de informatie- en creativiteitgedreven beroepen die in de 21e eeuw de belangrijkste factor in onze economie zullen worden.

Werken nieuwe stijl gaat om het anders organiseren en inrichten van management, communicatie en werkplekken. Ondersteunt door technologie. Er zijn dus drie pijlers waar het om gaat bij werken nieuwe stijl:

  • technologie & communicatie
  • de werkplek
  • mentaliteit & cultuur

Maar waarom willen wij dit? Moeten wij? Waar ligt de noodzaak? Volgens van de Haterd is het duidelijk, de demografische ontwikkelingen vragen (of eisen) dat wij anders (op een nieuwe manier) gaan werken. Daarnaast vragen werknemers er om. Zij willen meer flexibiliteit in het werk dat zij doen. De opkomst van ZP-ers heeft hier ook zeker mee te maken. En de maatschappij verlangt van bedrijven dat zij nadenken over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Organisaties worden aangesproken op milieuvervuilende activiteiten zoals woon-werk verkeer.
Een eye-opener voor mij was het feit dat door anders te gaan werken ook mensen die nog niet mee kunnen doen in het arbeidsproces nu wel een kans krijgen. Van de Haterd geeft het voorbeeld van gehandicapten die door middel van thuiswerken en gebruik te maken van de technologie die voorhanden is ineens de kans krijgen deel te nemen in het arbeidsproces. De bibliotheek waar ik werk heeft een virtuele helpdesk. Deze collega’s komen elke dag naar kantoor om achter een computer te kruipen en vragen te beantwoorden. Deze werkzaamheden kunnen natuurlijk best door mensen thuis gedaan worden. Het gaat tenslotte om de klant en hoe hij het beste wordt geholpen.

In het kort beschrijft van de Haterd de redenen voor werken nieuwe stijl als volgt.

het rendement van werken nieuwe stijl komt naar voren in een vijftal zaken:

  • kostenbesparingen – verhuiskosten, ziekteverzuim
  • hogere werknemers- en klanttevredenheid
  • aanboren ongebruikt arbeidspotentieel
  • productiviteitsstijgingen
  • beter voor het milieu

Redenen genoeg dus om na te denken over werken nieuwe stijl.

technologie

Technologie is een enabler – niet de motor van werken nieuwe stijl

Vaak wordt technologie gebruikt omdat het handig is. Maar hoe vaak kijken we of het echt nodig is in de vorm hoe wij het gebruiken. Van de Haterd schrijft dat een organisatie eerst moet kijken naar de processen, deze moet evalueren en vervolgens moet kijken welke technologie hierbij past en een oplossing kiezen. Dus niet twitteren omdat iedereen het doet, maar twitteren om snelle vraagafhandeling te kunnen realiseren of om kort te communiceren. En dan alleen als blijkt dat twitteren beter is dan msn-en of emailen. Het hangt af van het soort bedrijf en de soort processen.

Van de Haterd legt vervolgens duidelijk uit hoe je technologie het beste toe kan passen. Hij vindt dat je groepen moet maken rondom verschillende werkzaamheden. Deze groepen hebben een eigen adaptiegraad als het gaat om technologie. Je moet ze dus de technologie geven die bij hen past. Trainingen en cursussen zijn op maat gemaakt voor die groep. Iedereen dezelfde cursus geven heeft dus geen zin.  In de beleving van van de Haterd is het zinvol om te streven naar een werkplekbudget binnen enkele jaren nadat het werken nieuwe stijl is ingevoerd. Een mooie quote die ik je niet wil onthouden is deze:

als je mensen gaat afrekenen op resultaat moet je ze natuurlijk wel hun eigen gereedschappen laten kopen

Bas van de Haterd geeft veel voorbeelden in zijn boek. Ik vind het altijd fijn om te lezen hoe anderen het doen. In het hoofdstuk over technologie wordt het voorbeeld van Blue Kiwi gegeven. Dit bedrijf heeft bij een klant het e-mailverkeer met 80% weten te reduceren. Hoe? Alle e-mails waar meer dan 4 mensen in geadresseerd zijn worden op een blog geplaatst en de mensen die het moeten lezen krijgen een notificatie als zij dat willen. Heerlijk! Al die mails die je elke dag krijgt, zeker die waar je in ge-cc-ed bent. Wat zou het fijn zijn als ik die informatie gewoon op een blog kan lezen, op een moment dat ik dat wil en tijd voor heb. Een idee om eens wat meer over na te denken. Misschien is het wel te implementeren in de bibliotheek waar ik werk.

Het hoofdstuk over de werkplek gaat over de de fysieke locatie maar ook over het kantoor als inspirerende plek. Als plek waar je met plezier naartoe gaat om mensen te ontmoeten maar waar je niet naartoe hoeft als het niet nodig is. Een van de geïnterviewden noemt het kantoor een onderdeel van de ziel van een bedrijf. Een mooi gegeven. Ik vraag me alleen af hoeveel mensen dit zullen voelen als zij om 9 uur ‘s morgens de deur van het kantoor open doen.

de bibliotheek als werkplek

Van de Haterd gaat in dit hoofdstuk ook in op het openstellen van het kantoor voor derden. Ik weet dat ik niet de enige ben die niet begrijpt dat de bibliotheken in Nederland hier niet eens serieus over nadenken. Bibliotheken zijn werkplekken op een A-locatie in de stad. Je kan de bibliotheekgebouwen eenvoudig geschikt maken als werkplek voor externen, hier wel of geen geld voor vragen (ik pleit voor geen geld vragen) en mensen ondertussen nog helpen als zij een informatievraag hebben. Jan de Waal begon op de bibliotheek 2.0 Ning hier een discussie over. Zoek samenwerking met Seats2Meet, Deelstoel of andere initiatieven die al aanwezig zijn. Hoe moeilijk kan het zijn?

We weten allemaal dat werken op een andere plek inspirerend kan zijn. Dat je daar minder gestoord wordt door binnenvallende collega’s en dat je soms in gesprek komt met mensen waardoor je weer op ideeën komt. Een maand geleden schreef ik in een column voor onze bibliotheekwebsite dat ik graag in de centrale hal van de bibliotheek wil gaan werken. Een idee dat ik na de zomervakantie zeker op ga pakken. Misschien dat ik zelfs wel een onderzoek ga doen naar de werkplek in de bibliotheek. Ik zie het al helemaal voor me. Elke keer een andere stad, een andere bibliotheek. Hoe kun je daar werken, wat zijn de faciliteiten. Met natuurlijk een cijfer om het spannend te maken. Welke bibliotheek is de beste werkplek in Nederland.

Terug naar het boek Werken Nieuwe Stijl. Van de Haterd beschrijft verschillende soorten werkplekken zoals cafe- en lunch (werk)plekken, om gasten te ontvangen, maar ook voor bilateraal overleg of overleggen met kleine groepen. Daarnaast zijn er natuurlijk individuele focusplekken, gezamenlijke stilteplekken, overlegruimtes en presentatieruimtes.

Twee van de drie pijlers zijn besproken. Tijd voor mentaliteit en cultuur. De lastigste pijler van het stel. Hier gaat het om grote veranderingen. Veranderingen in de mentaliteit van de werknemers gecombineerd met de cultuur van de organisatie. Vaak gaat het in deze verandering om onbewust gedrag. Van de Haterd geeft het mooi weer in het gedeelte over vertrouwen.

Controle achteraf is noodzakelijk, maar gezond verstand en een goed verhaal zouden bij werken nieuwe stijl boven regels en procedures moeten staan.

en ook:

Iemand afrekenen op resultaat zonder dat hij de bevoegdheid heeft om zijn werk zo in te vullen dat hij zelf verantwoordelijkheid kan dragen voor het resultaat is onmogelijk.

kritische succesfactoren

Er zijn een aantal kritische succesfactoren die kunnen helpen bij het invoeren van werken nieuwe stijl. Zoals de verbondenheid van iemand op het hoogste niveau in de organisatie met het werken nieuwe stijl. Ik heb het geluk dat mijn directeur een groot voorstander is. Zij geeft zeker het goede voorbeeld. Van de Haterd noemt het noodzakelijk dat deze verbondenheid er is. Daarnaast moet het duidelijk zijn wat het doel is en waarom je werken nieuwe stijl in wilt voeren. Voor veel collega’s hoeft er niets te veranderen en zijn zij tevreden met hoe het nu gaat. Uitleggen, open communiceren en in gesprek blijven is zeker een voorwaarde. Van de Haterd gaat ook in op symbolen. Dit kan van alles zijn, bijvoorbeeld een ladeblok. Je neemt iemand zijn vaste werkplek inclusief ladeblok af. Dit moet (mentaal) gecompenseerd worden.

Gelukkig spreekt van de Haterd over een project als het gaat om het invoeren van werken nieuwe stijl (Henny van Egmond kijkt daar anders tegenaan – zie een na laatste alinea van deze post). Van de Haterd noemt het niet alleen een project hij vindt een dedicated projectleider een vereiste. En gelukkig dat dat bij ons in de bibliotheek zo is. Ik mag mij fulltime bezig houden met de verandering die wij als organisatie in gaan. Als laatste kritische succesfactor wordt opleiding en training genoemd. Niet alleen op sociale vaardigheden, maar ook knoppenkennis.

In het laatste hoofdstuk dat over de toekomst gaat wordt uitgelegd dat wij ons geen zorgen hoeven te maken. Uniek werk, waar creativiteit en kennis voor nodig is kan nooit geautomatiseerd worden. Hierdoor zal de invloed van de factor mens in het werkproces alleen maar toenemen omdat dit het onderscheidende en concurrerende vermogen is. Van de Haterd gaat vervolgens in op hoe organisaties zullen veranderen (kleinere- en netwerkorganisaties), hoe wij in teams samen gaan werken (virtuele projectteams), hoe kennis internationaal wordt, personal branding, crowdsourcing, meer en minder werken en de /worker.

/ worker & passie

De / worker (slash worker) komt uit de koker van Kevin Wheeler. / workers zijn mensen die meerdere banen hebben, soms binnen een organisatie maar vaker ook niet. Deze werknemers doen dit omdat zij hun passie willen uitvoeren. En dus hebben zij naast een betaalde baan vaak een (betaalde) hobby of doen zij er klussen bij. Van de Haterd meent dat de kans groot is dat werknemers die hun creativiteit op meerdere plekken kunnen uiten langer bij een organisatie blijven die dit mogelijk maakt. Je gaat ergens weg omdat de uitdaging weg is, maar wat nu als de uitdaging ergens anders wordt geboden, blijf je dan het werk wat je deed nog doen? Waarschijnlijk wel.

Een bijzonder mooi voorbeeld is het Leef je droom programma van Tam Tam.

Wij bieden je een omgeving waarin je jezelf en je ideeën volledig kunt ontplooien. Het programma dat wij hier voor inzetten: LeefJeDroom. Dit programma is op maat opgesteld voor mensen die niet op zoek zijn naar een baan, maar naar een invulling van hun droom. Iedereen is uniek en alleen een persoonsgebonden programma werkt. Samen met jou geven we invulling aan jouw droom. Of dit nu het starten van je eigen onderneming is, verdieping in een bepaalde technologie, vakgebied en/of branche, ervaring op doen bij een van de partners van Tam Tam. Opleidingen, ontwikkelingsplannen en loopbaanbegeleiding horen daar allemaal bij, maar ook toegang tot ons uitgebreide netwerk en werken op projecten die bijdragen aan je groei.

Wouw! Dit zijn de voorbeelden waar je nog eens een nachtje over slaapt en waarvan je hoopt dat jouw organisatie open staat voor dit soort initiatieven. Je passie leven. Daar heb ik al eerder over geschreven en het blijft een woord dat in mijn hoofd blijft rondzingen. Ik denk dat ik maar eens een rondje maak langs mijn collega’s. Ik heb dan een vraag voor je:

wat is jouw passie?

Meer informatie over Werken Nieuwe Stijl vind je op deze website.

 

 

Puberbrein binnenstebuiten

Tijdens het UGame – ULearn symposium had ik het standje met de grappige kijkdozen al gezien. En ook een enorme stapel boeken. Wist toen nog niet wat het precies was, dat kwam later op de middag toen ik weer langs de stand liep en even een praatje maakte met de standhoudster Hanneke van Youngworks. Hanneke was naar Delft gekomen om het nieuwe boek van Huub Nelis en Yvonne van Sark te verkopen en om natuurlijk reclame te maken voor het bedrijf waar zij werkt.

kijkdoos

Wat opvalt aan het boek Puberbrein is dat het mooi is vormgegeven en dat op bijna iedere pagina een quote staat van een jongere. In negen hoofdstukken gaat het boek vervolgens in op hoe het puberbrein werkt, opvoeding, onderwijs (het puberbrein in de klas), de peergroep, overige opvoeders, verleiders en voorlichters, opleidingen banen, maatschappij en de multiculturele samenleving. In het boek staan ook afbeeldingen van de kijkdozen die op de stand werden gepresenteerd. Nu weet ik niet zeker of dit zo is, maar het lijkt alsof de jongeren die aan het boek hebben meegewerkt ook verantwoordelijk zijn voor de kijkdozen en ik vraag mij dan direct af… hoeveel van die kijkdozen zijn er dan wel niet?

Vragen die als uitgangspunt voor dit boek hebben gediend zijn:

  • hoe weet je wat jongeren echt bezighoudt
  • hoe dring je tot ze door
  • en als je dit weet: wat kun je met die kennis

Pubers – 10 tot 25 jaar oud

puberbrein_voorkant

Voor het boek zijn jongeren gevolgd in de leeftijd van 10 tot 25 jaar. Puberbrein geeft dan ook aan dat de hersenen van jongeren zich tot hun 25e jaar ontwikkelen. De auteurs van het boek zien de afgelopen jaren twee opvallende ontwikkelingen: jeugdcultuur is de dominante cultuur in onze samenleving en jongeren lijken steeds sneller volwassen te worden. Maar wacht, overschatten wij de pubers niet, is het niet zo dat zij heel veel dingen nog niet kunnen? De auteurs vinden dat pubers van nu nog hetzelfde zijn als pubers van 30 jaar geleden. Alleen de vorm is anders, pubers kunnen nu 24 uur per dag online zijn, ze hebben meer geld te besteden en meer vrijheid dan voorgaande generaties. En in plaats van een puber loslaten als hij/zij de leeftijd van 12 heeft bereikt moeten opvoeders deze jongeren veel beter begeleiden in de ontdekkingstocht naar volwassenheid. Want ook jongeren hebben structuur en kaders nodig, misschien zelfs wel meer dan jonge kinderen dat nodig hebben. Dat dit niet mogelijk is in de huidige samenleving snappen Nelis en van Sark ook wel en dus moeten we zoeken naar nieuwe wegen om jongeren grenzen en structuur te bieden.
Al direct in het eerste hoofdstuk lees ik iets wat blijft hangen: het menselijke brein is pas rond het 25e levensjaar volgroeid EN de verschillende hersengebieden rijpen niet tegelijkertijd en in hetzelfde tempo. En dan is het ook nog zo dat de fysieke en sociaal-emotionele ontwikkeling niet synchroon lopen. Wacht even…. is het dus zo dat een 16-jarige volwassen overkomt maar zich soms als een kind gedraagd? Ja dus! Is het daarom ook zo dat jongeren altijd alles NU willen? Ja, dat ook. Ze willen zelf bepalen wat zij doen maar maken nog geen doordachte keuzes, zij willen instant bevrediging. Later is te laat is daarmee wel de zin die het het beste omschrijft.

Omdat de ontwikkeling van de verschillende hersengebieden zich niet tegelijkertijd voltrekt komt het dus voor dat jongeren wel graag iets nieuws doen en uitproberen maar dat de remmende werking, het controlegebied oftewel de prefrontale cortex nog lang niet klaar is in de ontwikkeling. Ook verloopt de communicatie tussen de verschillende hersendelen niet optimaal. Dit maakt het gedrag van jongeren onvoorspelbaar. Maar het zorgt er ook voor dat jongeren het lastig vinden om sociale tekens van anderen te beoordelen. Zij denken al snel dat zij geen respect krijgen en dat een ander ze agressief aanspreekt waardoor zij zich moeten verdedigen. Ik maak het maar al te vaak mee als ik hangjongeren aanspreek op hun gedrag. Zelfs als je op een aardige manier vraagt of ze weg willen gaan krijg je een grote bek terug en opmerkingen als waar bemoei jij je mee, ik mag zitten waar ik zit. Misschien helpt het als ik de volgende keer denk, zij kunnen er niets aan doen, hun hersenen kunnen mijn vraag om weg te gaan gewoon nog niet aan en daarom reageren zij zo. Overigens helpt koeienpoepkorrels in de plantenbakken strooien ook, heb al weken geen hangjongere meer gezien.

Pubers opvoeden

In het hoofdstuk (2) over opvoeding wordt het al snel duidelijk dat er thuis wel het een en ander is verandert in de afgelopen jaren. Niet langer geldt dit moet, maar kan over alles gepraat worden. Gepraat maar ook onderhandelen mag. Vreselijk vind ik dit. Mag ik dit zeggen, ik die geen kinderen heeft, misschien wel niet maar ik doe het toch. Het lijkt mij ook dat je als ouders helemaal geen zin hebt in dat onderhandelen en altijd maar praten. Technologische ontwikkelingen zoals televisie en internet hebben in deze cultuuromslag een hele belangrijke rol gespeeld. Een rol die eigenlijk niemand kon vermoeden. Jongeren hebben met de komst van televisie en internet toegang gekregen tot een wereld die eerst alleen het domein van volwassenen was. En dit was ook nog een ongecensureerde wereld vol sex en geweld. En als die jongeren zich dan opsluiten op hun kamer om te gaan internetten, gamen of televisie te kijken. En als de ouders dan geen idee hebben wat hun kids uitspoken. En als die kids dan alle informatie die ze nodig hebben vinden via internet. Dan gaan ouders die kids overschatten. Ouders hoeven hun kinderen echt niets meer uit te leggen hoor. Zij kunnen het allemaal best zelf. Maar is dat wel zo? Nee dus!
Maar de nieuwe technologie is niet het enige dat de machtsverhoudingen tussen jongeren en ouderen onderuit heeft gehaald. Wat ook een grote rol speelt is dat in deze tijd van vooruitgang je je als oudere nog steeds jong kunt voelen, door kleding, plastische chirurgie, het kopen van gadgets en gewoon hip zijn. Ouders willen wat hun kids hebben: jeugd! En dit is eye-opener nummer 2 voor mij:

De dominantie van de jeugdcultuur plaatst volwassenen op een achterstand. Het is een omgekeerde peergroup-relatie: niet het lidmaatschap van de leeftijdsgroep boven je, maar onder je is begerenswaardig.

Volgens de auteurs willen ouders het liefst de beste vriend(in) van hun kind zijn in plaats van de politieagent. Maar dat dit niet kan is al duidelijk geworden in een eerder hoofdstuk in het boek. Ouders moeten de plaatsvervangende prefrontale cortex voor het puberbrein zijn. Geen leuke rol misschien, maar iemand moet het doen. En dus zeg je als ouder nee en ben je misschien niet populair, maar je doet je kind hier wel een heel groot plezier mee.

Gamende pubers

En nu wordt het leuk. Vanaf pagina 47 gaat het even over gamen. Over hoe de kloof tussen ouders en kids enorm groot is. Over verslaving en over het leren van vaardigheden, over de interesse die ouders zouden moeten hebben voor de games die hun kind speelt en over TE veel is nooit goed. Interessant zijn de opmerkingen van onderzoekers zoals die van Marianne van den Boomen (UU) en Wijnand IJsselstein (TU Eindhoven).
Via gamen gaan de auteurs naar het online leven van jongeren, geld, voedsel en alcohol. Waarbij voor het laatste verbieden het devies is, naast zelf het goede voorbeeld geven.
Gelukkig worden er aan het einde van het hoofdstuk een aantal tips voor ouders van jongeren gegeven. Anders zou je als ouder dit boek lezen en denken leuk, en nu?

Pubers in het onderwijs

Laten we eens naar het onderwijs kijken. Terwijl ik altijd dacht dat er genoeg jonge docenten in het onderwijs aanwezig zijn blijkt de gemiddelde leeftijd van een docent in het voortgezet onderwijs net boven de 40 jaar te liggen. En deze docenten zijn vaak even oud als de ouders en hebben vaak zelf ook puberende kids. En is het dan makkelijker om als docent gewoon net te doen alsof je het niet ziet, om leerlingen gewoon maar tegemoet te komen en ze tevreden te houden, dan heb je tenminste ook geen last van ze maar houd je wel contact met ze.
De leerling staat centraal. Hij bepaald zelf hoe hij wil leren en de school stelt zich dienstbaar op, wordt hiermee meer een facilitator. Dat school de leerling overschat als zij hem/haar zelfstandig laten werken begint gelukkig door te dringen en op sommige plekken ook teruggedraaid. En het is ook logisch, de frontaalkwab van de puber is nog in ontwikkeling en de puber moet nog leren om te plannen, organiseren, prioriteiten stellen en problemen oplossen.

students

Afbeelding is afkomstig van Flickr – Untitled van Cooljinny

Kennis en vaardigheden moeten allebei geleerd worden op school en die balans moet gezocht worden. Het is misschien wel zo dat het kennisniveau dalende is maar het vaardighedenniveau stijgt. Waar we ons wel zorgen om moeten maken is de basiskennis van jongeren, die is over de gehele linie achteruit aan het gaan en dat is geen goede ontwikkeling. En waar volgens de auteurs ook aandacht voor moet zijn is de coachende docent, dat werkt toch minder goed dan gedacht. Pubers hebben iemand nodig die voor hen prioriteiten en grenzen stelt. Leermeesters zijn er nodig in plaats van procesbegeleiders.
En eigenlijk geldt voor school hetzelfde als voor thuis, ouders en docenten moeten streng maar betrokken zijn. En ook aan het einde van dit hoofdstuk (3) tips voor docenten en onderwijsmanagers.

De peers

Voor pubers zijn uiteraard andere pubers (vrienden) erg belangrijk. Veel belangrijker dan de ouders (behalve als het over school- en beroepskeuze gaat). En binnen die peers zijn drie verschillende relaties te onderscheiden:

  • ‘echte’ goede vrienden
  • romantische en seksuele relaties
  • brede kring van kennissen en bekenden

Geldt dit niet ook voor volwassenen vraag ik mij direct af. Geldt ook niet voor ons dat alle drie deze relatiesferen van belang zijn voor ons welbevinden. Volgens mij verschillen pubers en volwassen hier dus niet heel erg van elkaar.

Of toch wel? Jongeren tussen de 12-18 jaar hebben gemiddeld 6 à 7 echt goede vrienden en geven zij aan dat zij gelukkiger zijn als zij meer vrienden hebben. Als jongeren volwassen worden worden grote vriendengroepen vaak steeds kleiner en dat is niet erg, ze hebben elkaar steeds minder nodig omdat ze het nu alleen af kunnen. Wat ook anders is zijn de manieren van communiceren. Had ik maar een mobiel gehad toen ik opgroeide, of internet. Dan had ik ook alle details van mijn leven met de buitenwereld kunnen delen en verslaafd kunnen raken aan deze ‘zelfwereld’ (de plek waar jongeren uren kunnen doorbrengen en waar oudere mensen amper komen en nauwelijks weet van hebben). En als wij denken dat jongeren met iedereen op de wereld communiceren (the world is flat principe) dan hebben wij het mis. Vooral de peers die zij irl ook kennen zijn de peers waarmee zij communiceren. Offline en online zijn een verlengde van elkaar en het offline contact versterkt het online contact. En het online leven is belangrijk in het experimenteren met identiteit en de ontwikkeling van het zelfbewustzijn en zelfvertrouwen. Eigenlijk moet je dit jongeren niet eens kwalijk nemen. Wij waarschuwen voor de gevolgen voor later. Maar zij zijn hier absoluut niet bewust mee bezig. En dus is het niet eerlijk om 10 jaar later een puber aan te spreken op een foto die hij/zij uploade toen hij 16 jaar oud was. Niet eerlijk, maar het gebeurt wel.

peer

Afbeelding is afkomstig van Flickr – Peering van nathanborror

En dan eindelijk de bibliotheek en pubers

Naast ouders, school en vrienden leren pubers ook veel van de overige opvoeders zoals sportverenigingen, scouting en buurthuizen. Het lijkt er op dat de bibliotheek niet genoemd wordt in dit rijtje maar ik vergis mij. In de paragraaf van high trust naar low trust wordt een voorbeeld van een bibliotheek gegeven. Een bibliotheek in de randstad had advies nodig in hoe zij het beste jongeren aan kunnen trekken. Uit het onderzoek met de jongeren bleek dat zij crossmediaal denken, zij zien boeken niet los van cd’s en dvd’s, zij denken in thema’s en in activiteiten. Ook werd uit het onderzoek duidelijk dat de jongeren zich niet welkom voelen in die bibliotheek en dat er niet op een positieve manier met hen werd gecommuniceerd. De jongeren willen vanuit de high trust (vertrouwen) benaderd worden maar lopen aan tegen een low trust (wantrouwen) benadering, met als enige mogelijkheid laten zien dat zij niet zo zijn. Dat deze benadering bij sommige jongeren antisociaal gedrag uitlokt moge duidelijk zijn. Alles wat je denkt over een ander communiceer je ook in de interactie met die ander. Dit gebeurt zowel bewust als onbewust.

Vooral medewerkers van openbare voorzieningen zoals bibliotheken, winkels, buurtcentra en verenigingen kunnen een flinke slag maken in het professionaliseren van hun communicatiestijl met deze doelgroep.

Met als tip aan het einde van het hoofdstuk (5):

Denk aan je uitstraling. Als je steevast negatief denkt over jongeren, straal je dat onbewust ook uit. Wees je bewust van vooroordelen en negatieve gevoelens en ga juist in gesprek met jongeren om na te gaan waar deze gevoelens vandaan komen.

De tweede schil

De eerste vier hoofdstukken in het boek Puberbrein maken inzichtelijk hoe zich rondom iedere jongere vier betekenisgevende kaders bevinden (eerste schil). Hieromheen zit nog een schil en dat is de schil van verleiders en voorlichters. Dit zijn partijen die verder van de jongere afstaan maar wel een boodschap aan hen willen overdragen. Dit kan zijn een ministerie, een bedrijf of een charitatieve instelling.
Jongeren identificeren zich door het kopen van bepaalde merken en onderscheiden zich ermee. Als je met een jongere zou praten over een bepaald merk zul je ontdekken dat er een hele wereld achter schuilgaat, een wereld van verhalen welteverstaan. Maar hoe bereik je die jongere dan? Er komen tenslotte steeds meer massamedia bij: meer adio- en televisiezenders, meer tijdschriften, meer kranten, meer websites en SNS-en. En dus moet je op zoek naar een mediun dat jongeren bereikt. Eenvoudig is dit niet. En als je die jongere dan bereikt, pikt hij de boodschap dan wel op en krijg je dan de respons die je wilt hebben? Er bestaan veel mythes (jongeren kunnen goed multitasken, jongeren doorzien media direct en jongeren vinden moeiteloos hun weg op internet). Als je het puberbrein begrijpt dan begrijp je ook dat als je jongeren echt wilt bereiken je de boodschap zo relevant moet maken dat ze er onderling over gaan praten. De boodschap moet van de bovenstroom in communicatie (hoe partijen de boodschap de wereld in sturen)zich naar de onderstroom in communicatie verplaatsen (de ontvangers creeren eigen verhalen met boodschappen en zenden deze door aan het netwerk). Voor de zender is het goed om te beseffen dat als de boodschap opgepikt is in de onderstroom je geen invloed meer hebt op hoe die boodschap verder gaat leven. Het werkt als je andere jongeren de boodschap over laat brengen, als de boodschap authentiek is wordt hij namelijk sneller opgepikt. Dus gebruik niet overal hetzelfde verhaal, maar maak voor elk kanaal een eigen verhaal.

Studeren en/of werken, het is maar lastig

Grappig, op pagina 151 wordt de TU Delft genoemd, met een uitval van 40% van de nieuwkomers… oeps! En verder gaat het in dit hoofdstuk om studiekeuze (zijn die jongeren echt nog niet toe in staat en kiezen dus vaak verkeerd) en werk (interessant om te lezen hoe een werkgever een jongere binnen kan krijgen en kan behouden op zo’n manier dat ook de ouderen het fijn vinden).

De laatste twee hoofdstukken van het boek gaan over de maatschappij en participatie en over de multiculturele samenleving. Deze twee hoofdstukken heb ik wel schuin doorgelezen maar deden mij niet zo heel veel. Het is ook niet het terrein waarbinnen ik opereer en dus sprak het mij het minste aan. Aan het einde van het boek worden nog een paar laatste gedachten van de auteurs beschreven. Opvallend: met de meeste jongeren gaat het gewoon goed!!

Het lezen van het dankwoord zorgt ervoor dat ik begrijp waar de illustraties vandaan komen. Aan jongeren is gevraagd om foto’s te maken van voorwerpen die belangrijk voor hen zijn. Zo gaven zij een kijkje in hun leven, als in een kijkdoos.

En wat vond ik er nu van?

Het boek leest lekker weg, geeft interessante informatie over het puberbrein en zorgt ervoor dat ik onze studenten aan de universiteit beter kan begrijpen. Hun brein is ook nog niet volgroeid, ook al denk ik vaak van wel. Interessant vond ik de verhalen uit de praktijk en de quotes. Zij maken het boek levendig.

Jammer, maar dat is een detail van een boekenliefhebber. Het boek is gelijmd en dus komt de kaft los als je het boek te ver open vouwt. Jammer, zonde, maar niets aan te doen. Misschien is er ook een gebonden versie te koop. Als dat zo is dan zou ik die kopen. Want dit is zeker een boek dat je er af en toe nog even bij pakt om te lezen hoe het ook alweer zit.

Gratis boek in ruil voor een recensie

Cool!
Vanavond deze mail in mijn inbox:

Dear moqub,

Congratulations! You are one of the lucky readers to receive a free Penguin Classic and be first to review it on BlogaPenguinClassic.co.uk. We will send you the book shortly, and don’t forget you have agreed to review it within six weeks of receipt!

Your book is: The Four Voyages Of Christopher Columbus

Once you have written your review, you will need to log onto BlogaPenguinClassic.co.uk and post up your review. Your review will then be held in a database until it is randomly chosen to appear on the site. We’ll send you an email when it’s live, but in the meantime keep on coming back to BlogaPenguinClassic.co.uk and write a comment on one of the other ‘active’ Classics.

Happy blogging!

The Penguin Classics team

http://www.BlogaPenguinClassic.co.uk

Wil je ook een gratis boek ontvangen in ruil voor een recensie, meld je dan aan bij Penguin Classics.