cubiss bijeenkomst – collectioneren nieuwe stijl

Vorige week reisde ik naar Strijp-S om bij Seats2Meet een Cubiss bijeenkomst bij te wonen. Het thema was al bekend omdat een aantal maanden geleden een zelfde soort bijeenkomst was georganiseerd voor Limburgse bibliotheekdirecteuren bij De Domijnen in Sittard. Toch stond er voldoende nieuws op het programma om het een interessante middag te maken. En waren er genoeg nieuwe mensen om te ontmoeten.

Cubiss had de middag als volgt aangekondigd:
Iedere bibliotheek is met zijn omgeving in gesprek over de toekomst van de bibliotheek. Een vraagstuk dat urgenter is dan ooit, gezien de voortgaande digitalisering van informatie, veranderingen in de samenleving en de terugtrekkende beweging van de overheid. Om richting te geven aan de ‘bibliotheek van de toekomst’ zijn bibliotheken zoekende. Een belangrijke vraag die daarbij wordt gesteld, is wat de rol en betekenis van de collectie is.

De introductie hierop werd gegeven door twee ministers van het ministerie van Verbeelding, Rob Bruijnzeels en Joyce Sternheim. Zij presenteerden het visiestuk van collectie naar collectie. Het visiestuk is zeker de moeite waard om eens te lezen en de aanbevelingen goed tot je door te laten dringen. Het zal ook een stuk zijn dat de komende tijd vaak wordt aangehaald en dan is het ook fijn om de inhoud te kennen.

Na het visiestuk vraagt de dagvoorzitter aan drie bibliotheekdirecteuren om te reageren op de inhoud.

De directeur van de Openbare Bibliotheek Den Bosch geeft ons een inkijkje in hoe zij met een jaarthema aan de slag zijn gegaan.

Zij kozen voor het thema tijd en hebben alle activiteiten daaraan opgehangen. Een mooi idee en zeker goed uitvoerbaar. Ook voor de klanten is het dan duidelijk dat een activiteit bij het jaarthema hoort. Alhoewel ik van iemand uit de zaal begreep dat een nieuw ontworpen meubel die in de bibliotheek stond met boeken over tijd niet werd gezien als onderdeel van het geheel. Deze bibliotheek zocht heel duidelijk de verbinding tussen de collectie en de programmeurs. Een verbinding die in veel bibliotheken, zo begrijp ik, een beetje verloren is gegaan toen deze afdelingen uit elkaar zijn getrokken.

De presentatie van Errol van de Werdt (directeur Stichting Mommerskwartier in Tilburg, waar ook het Textielmuseum onder valt) had de mooie titel, het museum is geen meneer meer. Voor mij is het Textielmuseum en heel goed voorbeeld van een museum dat zich de afgelopen jaren opnieuw heeft uitgevonden. Ik kom er graag en volg ze ook online. Misschien heeft dat ook te maken met het feit dat een oud collega uit Rotterdam in de bibliotheek van het museum werkt en haar kwam ik dan ook hier weer tegen. Nederland is ook maar een heel klein land.

Zijn betoog was inspirerend en ja ik heb aantekeningen gemaakt maar om nu de kern hier uit te pakken vind ik lastig. Het is vooral de manier waarop zij in Tilburg omgaan met het begrip betekenis geven en participeren/co-creëren dat ik bijzonder vind. Zij zijn een museum, een werkplaats en een academie in een. De lijntjes met Tilburg zijn kort en een bezoek op korte termijn zit in de planning. Ik ga hier vast nog meer over schrijven.

Na de presentaties was het tijd in groepjes van 10 in een worldcafe setting verder te praten over de uitdagingen die ons te wachten staan. Er was ook gevraagd om iets mee te nemen voor de collectie nieuwe stijl. De meesten hadden een boek meegenomen wat niet mocht ontbreken.

En ik natuurlijk niet. Ik had niets meegenomen omdat ik een mens mee wilde nemen (en die waren er al genoeg in de zaal). Een mens met een mooi verhaal dat was mijn toevoeging aan het geheel.

En Erik Boekesteijn, die de dag afsloot, had het ook over de mensen en hoe je de collectie en de verhalen met hen kan verbinden. Zijn jaar als beste bibliothecaris van Nederland is voorbij en nu brengt hij een deel van zijn tijd door in het land. Voor de KB mag hij namelijk bibliotheken helpen met innovatie. En zo kwam hij laatst ook langs in Limburg.

Voor dat idee moet ik nog even verder aan de slag met collega’s. Maar er is een zaadje geplant en dat is altijd goed. Als de zon weer gaat schijnen wordt dat een heel leuk idee met veel verbindingen. Ook met de collectie. En met mensen.

Cubiss had een goede middag georganiseerd op een inspirerende plek. Ik laat het allemaal even bezinken. Maar een lijst van te-lezen-rapporten en visies. Mocht je nu een tip voor me hebben, laat het me even weten. Mag via de socials of de mail, je weet me wel te vinden.

the living library – an intellectual ecosysteem

In Delft zijn we bezig met de Living Campus met de Learning en Library Environment. En dus vond ik de titel van het boek The Living Library een hele interessante. Het boek vertelt, vanuit verschillende invalshoeken, het verhaal van een universiteitsbibliotheek (University of Maryland McKeldin Library) die het gebouw wilde herprogrammeren en zijn bestaan veilig wilde stellen maar ook dat wat zij al deden wilden uitbreiden en nieuwe rollen wilde pakken. Samen met veel andere partijen op de universiteit en studenten gaven zij aan deze wens vorm.

By including many others from the university community in the reprogramming process, the library became a laboratory for a form of collaborative teaching and learning that is becoming more important in the university’s academic programs.

Voor dit project werd geen architect met team van buiten ingehuurd maar werd gebruik gemaakt van studenten van de opleiding architectuur. Zij deden onderzoek en probeerde de bibliotheek vanuit zijn verleden te begrijpen. Maar ook de toekomstige rol werd onderzocht. Zij riepen de hulp in van Nancy Fried Foster, een antropologe die bibliotheken helpt bij het begrijpen van de gebruikers en het inrichten van ruimtes door middel van participatory design en ethnographic research.

Hoofdstuk 1: The McKeldin Library in Context

In dit hoofdstuk worden de uitdagingen die deze universiteit tegenkomt uitgelegd, zoals digitalisering, gebruik van mobiele devices, grotere diversiteit in studentenpopulatie, moocs, etc. Voor zowel de lokale als de globale uitdagingen moet een oplossing gezocht worden. Innovatie en experiment zijn voor deze Library keywords geworden. De bibliotheek moest heruitgevonden worden zonder het vertrouwen en de tradities te verliezen.

A living library – it led to the very real possibility that the library of the future could be a portal to a new campus learning environment, a constantly unfolding center of collaboration, experimentation, and real-life learning opportunities.

Hoofdstuk 2: Ethnograpic Study of the Library

De nieuwe bibliotheek moet een levendige, altijd in ontwikkeling zijnde, plek zijn waar kennis wordt gehaald en geproduceerd. Participatie en collaboratie zijn de belangrijkste onderdelen van het gekozen model en de bibliotheek moet deze activiteiten kunnen ondersteunen.
Voor dit project werd gebruik gemaakt van de studenten van de universiteit. Zo werd bijvoorbeeld een een groep die Antropologie studeert door Professor Paolisso gevraagd om vanuit hun eigen expertise onderzoek te doen voor de bibliotheek. De groep werd in 4-en gedeeld en elke subgroep kreeg een vraag om te beantwoorden:

  • what is “schoolwork”? That is, what is the form and diversity of activities that students themselves consider the work of students?
  • how do students use McKeldin Library for schoolwork and other activities?
  • what resources do they need when they use McKeldin library, and what constraints do they experience during their use of the library?
  • how do students envisage libraries serving ther needs in the future?

Om deze vragen te beantwoorden observeerden de antropologie studenten de studenten die de Mc Keldin bibliotheek gebruikten, maar ook studenten in de coffecorners, het Terrapin Learning Commons, andere bibliotheken op de campus, studentenhuizen en off-campus lokaties waar veel studenten komen.

Zij kwamen tot de volgende conclusie:
alle studenten hebben “schoolwork” en zij maken keuzes over waar en hoe zij dat maken. Welke keuzes zij maken om tot een plek te komen hangt af beperkingen (hoeveel tijd heb ik, toegankelijkheid van de locatie), wat ze nodig hebben (ruimte, comfort) en welke bronnen ze moeten gebruiken (computer, collectie, bibliotheekmedewerker). Nadat zij de locatie hebben gekozen wordt deze geëvalueerd en worden de resultaten gebruikt bij een volgende keuze voor de plek om “schoolwork” te maken.

Op basis van 6 kernwaarden uit het observatie-onderzoek (“schoolwork”, beperkingen, behoeften, plek, bronnen, evaluatie) werden enquête vragen opgesteld. Deze enquête werd door 97 studenten ingevuld. En ook al was de groep niet geheel representatief (veel vrouwen, veel blanke studenten, veel ouderejaars) toch kwamen er interessante bevindingen uit.

  • “schoolwork” was expanded to include group work, individual work, and work that required varying degrees of effort – later defined as any activity related to a student’s academic career
  • “needs” were expanded to include comfort, aesthetics, and environmental support
  • “constraints” were expanded to include time, accessibility, and such distractions as noise and others’ socializing
  • “resources” were expanded to include print media, online and non-print media, university experts, space, and software
  • “place” was expanded to inlcude public and private places and a variety of libraries
  • “evaluation” was, upon reflection, understood to occur in association with all other elements

INPUT BASED + PRODUCTION BASED = SCHOOLWORK

Waarbij input based “schoolwork” de student gebruik maakt van bestaande bronnen en niet zelf originele content maakt (hieronder valt ook lezen, examens voorbereiden, online surfen). Dit soort “schoolwork” wordt meer individueel gedaan dan in groepen. De student heeft voor dit soort werk minder behoefte aan kopieermachines en whiteboard maar meer aan motivatie en concentratie. Een ondersteunende ambiance in ruimte met voldoende gelegenheid voor visuele en akoestische privacy helpen de student bij deze taak.
Bij Production based “schoolwork” maakt de student iets, zoals bijvoorbeeld een research paper. Dit soort werk kan individueel gedaan worden of in groepen. Het is taak georiënteerd en het heeft een duidelijk doel en eindpunt. Studenten die hiermee bezig zijn hebben vaak kopieermachines nodig en groepswerkplekken of projectruimtes.

Conclusies:

  • studenten zoeken ruimtes die inspireren, waar ze gestimuleerd worden die ze helpt om “schoolwork” te doen door een combinatie aan te bieden van esthetisch mooi/verantwoord, aanwezigheid van bronnen en aanwezigheid van andere studenten
  • studenten gebruiken faciliteiten zoals computers, internet, printers, stroom en papieren/digitale bronnen voor hun “schoolwork” / soms gebruiken zij de bibliotheek voor search and go – dus het boek zoeken wat je nodig en dan weer snel weer, terwijl anderen het fijner vinden om rond te hangen en te browsen in het aanbod van boeken
  • studenten hebben verschillende soorten ruimtes nodig op verschillende tijdstippen, afhankelijk van de taak die ze op dat moment moeten doen / de keuze is afhankelijk van individueel of groepswerk, werk dat meer of minder intensief is, timing speelt een rol (tijd op de dag, tijd in het semester) en persoonlijke voorkeuren ook zoals geluidsoverlast, mogelijkheden tot eten en drinken
  • studenten studeren overal en altijd, ze hebben behoefte aan goede plekken 24/7 en op de hele campus
  • studenten werken het fijnste op plekken die zij al kennen (dus waar zij eerder gestudeerd hebben) en zij hebben een voorkeur voor plekken waar zij comfort, veiligheid en een goed gevoel hadden ervaren
  • tijdens het studeren krijgen studenten te maken met afleiding, zowel vanuit zichzelf (concentratieverlies, weinig motivatie, etc.) als van buiten (omgevingsgeluiden of gebrek aan geluid en het internet)

Bij deze conclusies horen aanbevelingen zoals: breng kunst aan op de plekken waar gestudeerd wordt, ook kunst van studenten, zorg dat de ruimtes schoon zijn, zorg voor voldoende natuurlijk licht, verhoog de plafonds voor een open gevoel, zorg voor voldoende computers, internet toegang en stroom, zorg voor verschillende soorten en verrijdbaar meubilair, zorg voor goede vindbaarheid van de plekken, zorg voor goede bewegwijzering, laat studenten weten waar plek is om te studeren (zowel digitaal als fysiek), laat de omgeving studenten helpen zich te concentreren, laat ze zich thuis voelen.

Hoofdstuk 3: Participatory Design of the Living Library

Er zijn verschillende manieren om je gebruikers te betrekken bij een renovatie/herinrichting of nieuwbouw van een bibliotheek. Ik heb ooit meegedaan aan een charette voor een nieuw onderwijsgebouw op de campus. Een interessante, maar heftige week, waarin alles van het gebouw langskwam en de architect veel vragen stelde op basis van een ontwerp dat al gemaakt was. Een andere vorm is participatory design (PD). In dit geval zijn de gebruikers van het gebouw beschouwt als personen die in het gebouw werken. De bibliotheek moet hen ondersteunen in het werk dat ze doen. PD is er op gebaseerd dat iedereen, op zijn eigen manier, een expert is. Op de manier ontwerpen zorgt voor een breder scala aan wensen en eisen. De mensen die meededen aan de PD werden geobserveerd, geïnterviewd en deden mee aan workshops.

Naast de studenten die meehielpen in dit proces, werden ook bibliotheekmensen getraind door antropologiste Nancy Fried Foster, zodat zij ook informatie konden verzamelen. De drie bovenstaande activiteiten werden door drie teams van bibliotheekmensen uitgevoerd. Vanuit de observaties werd geconcludeerd dat:

It was suprising , however, to see that the library building is not a primary site for the use of library materials.

De data die uit de PD kwam suggereert dat er behoefte is aan een breed scala van verschillende dingen die gaan van samenwerken tot individueel werken en van stilte tot vee geluid. Maar omdat alle verschillende gebruikers langs in de bibliotheek vertoeven hebben ze allemaal behoefte aan relaxplekken en goede voorzieningen voor koffie en eten.

Hoofdstuk 4: Defining the Living Library

In het kort wordt in dit hoofdstuk de geschiedenis van het ontstaan van bibliotheken beschreven.

As this brief review of historical changes show, the general disposition of the constituent parts of the library have changed over time, but not the parts themselves, nor the goal of putting a person and book together in a distinct setting. However, today one observes changes that seem to question these dispositions.

Digitalisering, veranderende toegang tot informatie, zoekmachines en mobiele devices helpen mee in de verandering van rituelen die een bibliotheek maakt. En dus moet de architectuur veranderen omdat de rituelen veranderen. De bibliotheek heeft concurrenten gekregen zoals coffeecorners waar het gezellig is en je onderuitgezakt kan studeren. Het boek is, dankzij digitalisering, niet langer een bijzonder object. Eten en drinken in een bibliotheek is daarmee gemeengod geworden.

A devaluation of the object leads to relaxing of behavioral norms, which leads to a shift in design organization and activity distribution.

Daarnaast is het leven op de campus van deze Amerikaanse universiteit in de afgelopen 40 jaar sterk verandert. Studenten leven meer geïsoleerd en dus zoeken ze elkaar op in de sportzaal of de bibliotheek. Ondanks dat de waarde van het boek gedaald is, representeert de bibliotheek voor de student nog steeds de studieplek. De symbolische waarde van de bibliotheek is ongekend. En dus wensen studenten boeken om zich heen.

Hoofdstuk 5: Designing the Living Library

Dit hoofdstuk beschrijft hoe architectuurstudenten oplossingen bedachten voor problemen of uitdagingen (academisch, cultureel en fysiek) die uit eerdere observaties en interviews naar voren waren gekomen. Het was aan de architectuurstudenten om hun oplossingen te presenteren aan de stakeholders. Vier ontwerpen werden gepresenteerd met allemaal hele mooie namen; Information Hub, Piano Nobile, Bridging and Connections en Books as Heart. Van deze vier zaten de beste elementen in Bridging and Connections en Books as Heart en deze ontwerpen zijn verder uitgewerkt.

The Library must do what Google cannot: it must provide a place where students can be with others, engage in professional discourse, and experience intersectional learning.

Conclusies

Wat begon als een klein project om een toekomstvisie voor de herinrichting van de McKeldin bibliotheek te ontwerpen werd een megaproject waarbij studenten, medewerkers en stakeholders samenwerkten om tot een gedragen plan te komen voor een toekomstbestendige bibliotheek; the Living Library. Een van de eerste uitkomsten van het traject waren snel te realiseren aanpassingen die grote impact zouden hebben maar niet veel hoefden te kosten. Met deze uitvoeren werd tijdens het proces al begonnen. De bibliotheek heeft met dit project ontzettend veel exposure gekregen. Niet alleen op de eigen campus maar wereldwijd. Het was een unieke samenwerking die heel goed is uitgepakt. Daarnaast heeft er een mindshift plaatsgevonden. Medewerkers van de bibliotheek, maar ook studenten, zijn anders over de bibliotheek gaan denken. Het ontwerpproces werd als model gebruikt voor andere projecten op de campus. En het is duidelijk geworden dat de rol van de bibliotheek nog lang niet is uitgespeeld.

The library will not just dissolve into the internet; it will continue to provide the expertise and resources necessary for ready access to information in a variety of formats.

Nog niet eerder heb ik zo uitgebreid gelezen over een herinrichtingsproject. En ik moet zeggen ik vond het heel interessant. Zeker vanwege de inzet van studenten, het gebruik van antropologie en de aanpak van het geheel. Ik heb uiteraard even gezocht op plaatjes van de McKeldin bibliotheek maar kom nog niets tegen van de Living Library. Ik ben dan ook heel benieuwd wat er is gebeurd na het uitkomen van dit boek. Binnenkort mag ik naar de VS voor een congres over de toekomst van bibliotheken. Misschien tref ik hier iemand die meer weet van dit project.

 

 

SURFacademy: Onderwijsruimtes bepalen de didactiek: Next Generation Classroom

Vandaag was ik al blogger aanwezig bij het seminar Onderwijsruimtes bepalen de didactiek: Next Generation Classroom. Een volle Wim Crouwelzaal werd toegesproken door Piet van der Zanden (TU Delft) en Marij Veugelers (UvA). Vandaag ging het niet om het informele leren in studie landschappen maar om het formele leren: docent-student interactie in fysieke ruimtes. Piet vertelde ons over de zaal waar we zaten, een bijzondere ruimte die sinds vorig jaar december operationeel is. Het is een proefzaal die elke onderwijsactiviteit aan kan en dus ook elke werkvorm kan faciliteren. Al deze keuze zijn leuk voor het onderwijs, maar maken het voor de docent wel lastig. Hij/zij moet tenslotte wel alle techniek kunnen bedienen. De ruimte moet uitnodigen om onderwijs anders te beleven en docenten moeten anders onderwijs gaan geven. Piet is heel blij met de zaal en signaleert, samen met Marij, dat er in Nederland veel wordt gesproken en gedacht over het vernieuwen van onderwijszalen maar dat er maar weinig wordt uitgevoerd of geëxperimenteerd.

pietenmarij

Tijd voor een seminar dus. Om elkaar te leren kennen, van elkaar te leren en misschien samen op te trekken. In de zaal zijn ongeveer 12 vertegenwoordigers uit het onderwijs aanwezig, 18 vanuit de technische hoek en 14 facilitaire mensen. Een aantal van deze mensen heeft al wel iets gecreerd, zoals het Living Lab op de campus Den Haag en de Erasmus Universiteit die 222 zalen aan het inrichten is.

Na deze inleiding gaat Piet in een sneltreinvaart door zijn presentatie heen. Van eliteonderwijs, via de onderwijsfabriek naar co-creatie.

infographicpiet

Een mooie infographic van zijn verhaal zat in de map met presentaties. Kern van het verhaal van Piet is waarom je een flexibele onderwijszaal moet willen. Door massificatie wordt de studentpopulatie steeds groter waardoor je zou verwachten dat er steeds grotere collegezalen nodig zijn. Toch zie je aan de andere kant steeds meer toegepaste opleidingen die met kleine groepjes studenten willen werken en waarbij de studenten steeds meer samenwerkingsopdrachten moeten doen. Een voorbeeld daarvan zijn de Delftse DreamTeams waarbij studenten van verschillende opleidingen samenwerken aan een project. De behoefte aan andere onderwijsruimten wordt op deze manier gecreerd. Piet verteld ons dat er in Delft een trend waar te nemen is waarbij studenten steeds meer op zoek zijn naar samenwerkplekken of studieplekken op de campus. Dat is de reden waarvoor de studenten naar de campus komen.

En wat doe je dan? Richt je bestaande onderwijsruimten opnieuw in of besluit je tot nieuwbouw? Wat je ook kiest er zijn 3 uitgangspunten die belangrijk zijn bij de flexibilisering van onderwijsruimten.

  • maak het meubilair verplaatsbaar of convertibel
  • maak de doceeromgeving multifunctioneel
  • koppel de zaal virtueel

Op deze manier ontstaan er, volgens Piet, mogelijkheden voor werkvormen die daarvoor nog niet mogelijk waren. Let hierbij wel op hoe het beheer en de support van de systemen geregeld is en hoe de begeleiding van docenten wordt opgepakt. In de Wim Crouwelzaal zijn 2 soorten stoelen en tafels gebruikt. Er wordt gekeken welke stoel en tafel het beste werkt. De onderzoeksvragen wordt vanaf het komende studiejaar beschreven en onderzocht. Piet laat ons weten dat doordat er meerdere werkvormen in deze zaal toe te passen zijn de zaal ook beter wordt benut.

pietlegtuit

Het laatste gedeelte van zijn presentatie gebruikt Piet om ons de werking van de zaal en de schermen te laten zien. Twee grote schermen, een smartboard in het midden. Een groot scherm is in 4 vlakken te delen. Er hangen camera’s in de zaal. Veel is mogelijk.

Marij neemt het van Piet over. Zij vertelt over de onderwijszaal van de toekomst bij de Universiteit van Amsterdam. In Amsterdam lag er de vraag vanuit het bureau onderwijslogistiek voor een proeftuin, een labzaal, een plek om te experimenteren. Waar ze meer zicht op wilden krijgen waren de eisen en wensen voor de onderwijsruimten van de toekomst. En door het creeeren van een ruimte werden de antwoorden op die vragen gegeven. In 2009 begon Marij met een eerste idee en werden er algemene verkenningen gedaan, zoals literatuuronderzoek, werkbezoeken en een workshop. In 2011 was het plan klaar en is er verbouwd.

amsterdam

Gelukkig was er een ruimte beschikbaar, inclusief de hal om die ruimte heen.

hal

(bovenstaande foto’s zijn van Marij Veugelers)

Wensen voor de ruimte werden uit workshops duidelijk. Zo was er bijvoorbeeld behoefte aan een centraal punt voor de docent, een flexibele inrichting, een open sfeer, gebruik van kleur en was het fijn als er een thuisgevoel gecreëerd kon worden. In de ruimte zitten maximaal 30 studenten aan eigen tafels die in een groepje zijn opgesteld. Per groep hebben zij een scherm. De docent heeft een eigen tafel en scherm. Er kunnen gordijnen dichtgetrokken worden als studenten zich willen afsluiten om geconcentreerd te werken. Je kan de ruimte reserveren voor 2 tot 3 uur per keer. In de ruimte mag niet gegeten of gedronken worden, dit wordt gedaan in de gang. Hier zijn ook loungeplekken te vinden en kunnen studenten elkaar informeel ontmoeten en met elkaar samenwerken.

Na deze twee presentaties kreeg de groep een opdracht. Stoelen werden omgedraaid en in groepjes van 4 werd er een antwoord gezocht op de vraag: hoe ziet de onderwijszaal van de toekomst er uit.

groepswerk

Ik heb even rondgelopen en leuke dingen gehoord. De flipovervellen waarop werd getekend en geschreven hingen aan het einde van de middag op de muur zodat iedereen even kon kijken. Na de opdracht kwamen twee groepen studenten van de faculteit Industrieel Ontwerp een presentatie geven over een onderzoek en productontwikkeling die gebaseerd was op het gebruik van de Crouwelzaal. Omdat zij aanstaande dinsdag dit product moeten presenteren aan de docent kan ik er hier niets over vertellen. Ik mocht ook geen foto’s maken.

De laatste presentatie van vandaag was van Gert van Ginkel van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij had een prezi gemaakt die waarschijnlijk binnenkort beschikbaar komt. Als dat zo is, dan zal ik hem in deze post embedden. Gert vertelde dat er 222 zalen worden gecreerd die allemaal uitgerust worden met glasvezel, AVB-netwerk en een apart netwerk voor control. Ze zijn begonnen in het C-gebouw (de namen op de campus van de EUR hebben allemaal een letter). In dit C-gebouw is nu een technische ruimte aanwezig van waaruit alle ruimtes op de campus worden bedient. Gert laat zien hoe de infrastructuur voor ICT en AV is aangelegd. Een interessant verhaal wat wat lastiger is om na te vertellen.

Na de presentatie van Gert gingen we nog een keer in groepjes samenwerken. Dit keer moesten we een onderbouwing schrijven waarom instellingen hun onderwijszalen moeten vernieuwen en hierbij een stappenplan bij maken.

opdrachten

De dag afsluitend concludeerden Piet en Marij samen met de mensen in de zaal een aantal dingen:

  • bepaald de onderwijsruimte de didactiek? Uit de zaal komt het commentaar dat de praktijk anders uitwijst, een hele dag kijken wij naar presentaties die frontaal aan ons gepresenteerd worden, als dit maatgevend is, moet je dan ruimtes wel inrichten met al die toeters en bellen? Piet geeft als antwoord dat je niet alle zo moet inrichten als de zaal waar wij vandaag zitten. Hoorcolleges doen het al heel lang en zullen het nog heel lang blijven doen. Wel moet je nadenken over zo efficient mogelijk gebruik maken van de ruimte en dat is in deze zaal goed gelukt. 
  • uit de zaal komt de opmerking dat we het vandaag niet gehad hebben over docentprofessionalisering. Nu is er vandaag over meer dingen niet gesproken, zoals techniek, andere vormen van didactiek. Wellicht is een tweede bijeenkomst in het najaar een goed idee. Er zijn een aantal mensen in de zaal die dit op gaan pakken.
  • een classroom is een gebied en niet een ruimte
  • je hebt lef en durf nodig om te experimenteren
  • begin met kleine stappen en een klein budget
  • de classroom van de toekomst bestaat niet, er zijn teveel variabelen om 1 lijn te trekken
  • er is behoefte om kennis rond dit onderwerp te delen. Hoe gaan we dat doen, wordt het een surfspace, een linkedingroep – hier kwam nog geen antwoord op
  • er is behoefte aan een richtlijnendocument – we hebben al veel kennis in huis rondom systemen en inrichtingen, kunnen we dit ergens delen

 

The Shift : the future of work is already here / Lynda Gratton

De laatste blogposts over boeken waren soms lange samenvattingen. Vandaar dat ik het nu anders ga doen. In 3-en (A voor de snelle beslissers, B voor de mensen die iets meer informatie en achtergrond willen en C voor de die hards, degenen die willen weten wat ik uit het boek heb gehaald). Voor ieder wat wils zeg maar.

A.

The Shift : the future of work is already here van Lynda Gratton is een boek dat je zeker moet lezen als je bezig bent met het nieuwe werken, met de toekomst van werk of met jouw eigen toekomst (in relatie tot het werk dat je doet). Je kan het boek kopen bij Amazon of Bol.

B.

Met The Shift : the future of work is already here geeft Lynda Gratton inzicht in hoe het werk er in 2025 uit zal zien. Zij doet dit door de beschrijving van 6 persona’s die wel of niet de keuzes hebben gemaakt die nodig zijn. Ook geeft zij 32 trends (geclusterd binnen 5 forces of krachten). Als je geen keuzes maakt kom je terecht in de default future. Maak je wel keuzes dan is de crafted future een feit. Het ligt aan jou in welke toekomst je terecht komt. Gratton geeft inzicht en richtingen, geen oplossingen. Die moet je zelf bedenken, daarin moet je doen wat bij je past.

Lynda Gratton (Professor of Management Practice – London Business School en grondlegger van de Hot Spots Movement) geeft met onderstaand filmpje een korte beschrijving van het boek.

Lynda’s new book, The Shift. from Hot Spots Movement on Vimeo.

Meer informatie over Lynda Gratton of over het boek vind je op haar website en weblog. Het The Shift Workbook (dat je helpt bij de keuzes) kun je hier gratis downloaden. En heb je dan nog niet genoeg van The Shift dan is er ook een app.

C.

Work is, and always has been, one of the most defining aspects of our lives. It is where we meet our friends, excite ourselves and feel at our most creative and innovative. It can also be where we can feel our most frustrated, exasperated and taken for granted. Work matters – to us as individuals, to our family and friends and also to the communities and societies in which we live.

Waar we momenteel getuige van zijn is een breekpunt met het verleden als het gaat om werken, wat voor werk we doen, waar we werken, hoe we werken en wanneer we werken. De veranderingen zullen net zo’n impact hebben als tijdens de industriële revolutie, maar de uitkomst is onbekend. De impact zal wereldwijd zijn, de snelheid van de verandering onvoorstelbaar en er zal vrijwel zeker gebroken worden met het verleden.

It is clear that our world is at the apex of an enourmously creative and innovative shift that will result in profound changes to the every-day lives of people across the world.

Gratton wil met dit boek de lezer ondersteunen in zijn zoektocht naar zijn eigen gezichtspunt over de toekomst en in de creatie van zijn pad naar een toekomstbestendig werkleven. Hiervoor heeft zij, samen met een research consortium nagedacht of de krachten (forces) waar wij mee te maken krijgen in de toekomst. Ook heeft zij met hen scenario’s beschreven over werk in 2025.

PART 1 – THE FORCES THAT WILL SHAPE YOUR FUTURE

In het eerste hoofdstuk beschrijft Gratton de shifts en de bijbehorende trends die zij ziet. De shifts zijn onderverdeeld in 5 onderwerpen; technologie, globalisering, demografie en levensverwachting, samenleving en energie.

1. the force of technology

  • technological capability increases exponentially
  • five billion become connected (create the possibility of global conciousness)
  • the cloud becomes ubiquitous
  • continuous productivity gains
  • social participation increases
  • the world’s knowledge becomes digitalised
  • mega-companies and micro-entrepeneurs emerge
  • ever-present avatars and virtual worlds
  • the rise of cognitive assistants
  • technology replaces jobs

2. the force of globalisation

  •  24/7 and the global world
  • the emerging economies
  • China and India’s decades of growth
  • frugal innovation
  • the global educational powerhouse
  • the world becomes urban
  • continued bubbles and crashes
  • the regional underclass emerge

 3. the force of demography and longevity

  • the ascendance of Gen Y
  • increasing longevity
  • some Baby Boomers grow old poor
  • global migration increases

 4. the force of society

  • families become rearranged
  • the rise of reflexivity
  • the role of powerfull women
  • the balanced man
  • growing distrust of institutions
  • the decline of happiness
  • passive leisure increases

 5. the force of energy resources

  •  energy prices increase
  • environmental catastrophes displace people
  • a culture of sustainability begins to emerge

Nadat Gratton de vijf krachten en 32 elementen daaronder heeft gegeven, geeft zij een opdracht. Denk na over al deze dingen, maak ze je eigen en gebruik ze in jouw verhaal. Filter en selecteer. Sommige elementen doen je iets, anderen niet, sommige probeer je te begrijpen en van weer anderen wordt je instant gelukkig. Dan, als je de elementen hebt gesorteerd, zoek dan naar patronen. Gebruik deze patronen om een diepgaander besef te creëren die past bij jouw context en waarden. Gratton geeft, als hulpmiddel, 5 acties (weglaten of negeren, verdiep, ontdek en verzamel, sorteer, neem afstand van het geheel en zoek naar patronen) mee om de opdracht te kunnen vervullen.

PART II THE DARK SIDE OF THE DEFAULT FUTURE

It is the subtle and unique combination of the many aspects of the five forces that will create the context in which your future working life is lived.

Omdat er vele combinaties mogelijk zijn heeft Gratton met het research consortium persona’s ontwikkeld van werkende mensen in 2025. Het beschrijven van het leven van deze persona’s geeft inzicht en begrip over de toekomst. We zien de paradoxen waar zij mee moeten leven, de keuzes die zij moeten maken en de problemen waar zij tegenaan lopen.

In de volgende hoofstukken maken wij kennis met Jill, Rohan &Amon, Brianna en Andre.

Fragmentation: a three-minute world / Jill’s story

Het verhaal van Jill begint ’s morgens vroeg, haar avatar representeert haar in online meetings. Vandaar naar de hub, om mensen te ontmoeten, berichten te verwerken en contact te maken met mensen over de hele wereld. ’s Avonds thuis is het niet veel beter. Jill’s leven is gefragmenteerd, activiteiten duren niet langer dan 3 minuten, het is 24/7, internationaal. En technologie helpt haar om dit leven in stand te houden. Gratton vraagt de lezer of hij een zich een wereld herinnerd die niet gefragmenteerd was. Is het niet zo dat wij geleidelijk aan wennen aan deze manier van leven zodat wij deze accepteren zonder te morren. Gratton gaat terug naar 1990, toen mobiele telefoons nog niet voor iedereen beschikbaar waren en internet alleen toegankelijk was voor the happy few. Zij beschrijft haar werkdag van toen. Wat een verschil met nu! In de tien jaar die volgen zorgen technologie en globalisering voor fragmentatie.
Maar is het erg, die fragmentatie. Gratton vindt van wel. Zij geloofd dat fragmentatie zorgt voor een afname van concentratie, een vermindering van echt observeren en leren van anderen. Ook is er weinig tijd om te spelen en om je dingen echt eigen te maken. En laten we het dan ook maar niet hebben over wat dit met creativiteit doet.

It matters that work becomes even more fragmented. It matters because with this fragmentation comes the incapacity to create the focus, concentration and creativity that will be so important to the shift from shallow generalist to serial mastery.

Hoe voorkomen we dat we worden geleefd door de fragmentatie. Gratton geeft drie mogelijke oplossingsrichtingen. De eerste is zorgen voor een carriere die is gebaseerd op toewijding en focus waarbij vakmanschap of meesterschap het einddoel is. Je moet tijd vrij willen maken om te leren en te doen. De tweede is realiseren dat  isolatie niet tegenover fragmentatie staat. De uitdaging zit in het blijvend werken aan je netwerk en jezelf verbinden met anderen. De derde gaat om de manier waarop jij naar je werk kijkt, durf je keuzes te maken en kun je leven met de consequenties van die keuzes.

Isolation: the Genesis of loneliness / Rohan’s  & Amon’s story

Uit de verhalen van Rohan en Amon leren we dat ze allebei succesvol zijn, zij genieten van hun werk (de een is hersenchirurg en de andere neo-nomad) en dat zij een groot internationaal netwerk hebben. En toch mist er iets. Dat iets is dat zij het werk vanuit huis kunnen doen en als gevolg daarvan weinig F2F contact hebben. Zij ontmoeten hun opdrachtgevers en collega’s alleen virtueel. Het even naar binnen lopen bij een collega, een toevallige ontmoeting in de gang of spontaan samen een borrel drinken op vrijdagmiddag kennen zij niet. Gratton ziet deze isolatie en eenzaamheid als een van de donkere kanten van de toekomst van werk. Uiteraard kan een deel hiervan gecompenseerd worden met de thuissituatie. De vrienden en familie die hierin een belangrijke rol spelen. Maar ook dit veranderd. Families worden kleiner, gezinsleden mobieler. Misschien woon je niet langer bij elkaar in de buurt en kun je (door stijgende energieprijzen of gebrek aan grondstoffen) niet langer bij elkaar op visite. En hoe staat het met vertrouwen in de wereldwijde samenleving waarin Rohan en Amon leven? Zijn mensen in deze maatschappij nog wel gelukkig?

One of the key drivers of isolation has been the explosive growth of cities and urban areas across the whole globe.

Zijn er dingen te doen of beslissingen te nemen die deze isolatie tegen gaan. Gratton meent van wel en ze deelt deze in drie netwerken in.

  • a posse of people to whom you can turn and with whom you have created long-term reciprocal relationships
  • the big idea crowd, which is a diverse and large group of networks, many of whom are virtual, from which great connections can be made
  • a regenerative community, who are real people with whom you can meet frequently, laugh, share a meal and relax

Exclusion: the new poor / Briana’s & Andre’s story

Brianna is 28 jaar oud en woont bij haar ouders in de Verenigde Staten. Ze gamed graag, heeft een tijdelijk baantje in een snackbar en stopte met school toen zij 16 was. Toekomstperspectieven heeft zij niet echt, zeker niet als je moet concurreren met jongeren van over de hele wereld als je op zoek bent naar een baan die bij je past.

Andre woont in Belgie. Werkte in een fabriek tot die werd verkocht aan de Chinezen. Andre kon niet goed meekomen op school. Vrienden van toen zijn veelal verhuisd naar landen waar het economisch beter gaat.

Briana and Andre may be living in developed countries, but they are members of a global economic underclass who are excluded from joining the rapidly globalising talent pool.

In de hele geschiedenis zijn mensen uitgesloten van werk. Maar de redenen waarom veranderen. Ging het er eerst om waar je werd geboren, in 2025 heeft talent, motivatie en je netwerk meer invloed. Maar ook, kun je omgaan met de kansen die technologie je biedt. Daarnaast zal het verschil tussen arm en rijk steeds groter worden. Niet alleen binnen landen maar ook binnen bedrijven.

If we assume that these gaps within companies and countries increase, then we can predict with some accuracy that this will lead to increased social anxiety. It will also impact on trust. When trust waned so does cooperation and the capacity to share and be optimistic about others.

Hoe vraag je aandacht voor jezelf en hoe val je op als je wordt beoordeeld op uiterlijkheden? In het ergste geval (negatief) krijg je narcistische trekjes. Je wilt van iedereen weten wat ze van je vinden en dus plaats je op zoveel mogelijk plekken informatie over wat je doet, met wie, wanneer en hoe.

De locatie waar je wordt geboren en opgroeit en je talent zijn niet de enige omstandigheden waar jou economische welvaart op drijft. Een ander belangrijk element is leeftijd. Misschien moet je wel blijven werken omdat het pensioen niet voldoende is om van te leven, of wil je blijven werken vanwege het contact met anderen. We worden gemiddeld ouder en de kans dat we langer door werken wordt alleen maar groter.

Jill’s leven is gefragmenteerd. Rohan en Amon zijn alleen en geisoleerd. En Briana en Andre behoren, zonder dat ze het willen, tot de nieuwe groep van armen. In hun wereld worden angst en narcisme gekoppeld aan technologie en globalisering.

Wordt je na het lezen, net als ik, lichtelijk depressief? Dat is niet erg. Gratton heeft met deze voorbeelden bewust de donkere kanten van de toekomst willen belichten. Zij noemt dit de Default Future.

PART III THE BRIGHT SIDE OF THE CRAFTED FUTURE

Natuurlijk hebben de 5 krachten naast negatieve uitkomsten ook positieve effecten. Door globalisering hebben wij de mogelijkheid om met meer mensen na te denken over de uitdagingen die voor ons liggen en biedt technologie ons de mogelijkheid om eenvoudiger met elkaar te communiceren. In de volgende hoofdstukken maken we kennis met Miguel, John & Susan en Xui Li, Bao Yu & Chenh-Gong. Door hun verhaal te lezen leren we over de positieve kanten van de toekomst als we keuzes durven te maken.

Co-creation: the multiplication of impact and energy / Miguel’s story

Miguel is creatief en denkt graag na over innovatieve oplossingen. Samen met mensen over de hele wereld denkt hij na over oplossingen voor problemen als verkeer en stadsvernieuwing.

What has changed over the decades is that instead of innovation being seen simply as the domain of particular groups, companies or governments, it has become a highly collaborative, cumulative and social activity, in which people with different skills, points of view and insights share and develop ideas around them.

In 2025 is dankzij technologie innovatie en creativiteit een massa-activiteit geworden waar miljoenen mensen aan mee kunnen doen. Maar mensen staan er ook open voor, ze willen samen een probleem oplossen of een nieuw idee uitwerken. Het gaat niet om winnen of verliezen, het gaat niet om alleen, het gaat om het beste samen.

De keuzes die Miguel heeft gemaakt kunnen wij ook maken. Het zijn kiezen voor vakmanschap en meesterschap (vaardigheden ontwikkelingen op de gebieden waar jij een passie voor hebt en die betekenis geven aan je werk), verbonden zijn met de wereld om je heen en willen samenwerken en een gepassioneerde producer worden.

Social engagement: the rise of empathy and balance / John & Susan’s story

John behoort tot de Generatie Y. Hij heeft een baan als verkoper en 6 maanden per jaar doet hij vrijwilligerswerk in de 3e wereld. Zijn familie ging de laatste keer met hem mee. Het verhaal van John illustreert het begrip global mindset. De negatieve kant van de hyper-connected wereld is fragmentatie en isolatie. De positieve kant daarentegen is de global mindset. We reizen meer, begrijpen elkaars culturen beter en hebben daardoor ook meer begrip voor mensen die anders zijn dan wij.

 This world view had created greater feelings of empathy, not just for their immediate family but also reaching further out to others who are different from the mand to whom they are strangers.

John heeft een duidelijke keuze gemaakt. Hij werkt voor een baas en doet daarnaast iets waar hij gepassioneerd over is.

Micro-entrepeneurship: crafting creative lives / Xui Li, Bao Yu & Chenh-Gong’s story

Xui Li had jaren een eigen bedrijfje en maakte avondjurken met geborduurde opdruk. Ze dacht altijd dat haar dochter, Bao Yu, haar op zou volgen, maar zij koos haar eigen pad. Sinds enkele jaren is Xui Li onderdeel van een netwerk van zelfstandigen die samenwerken. Haar dochter koos ervoor om tassen via internet te verkopen. Beide zijn zij kleine zelfstandige zakenvrouwen die van hun passie hun werk hebben gemaakt. Xui Li’s kleinzoon, Chenh-Gong is een gepassioneerd filmmaker. Alle drie gebruiken ze technologie om online zaken te doen. Daarnaast is Xui Li een voorbeeld van een werkende oudere. Dankzij de verhoogde levensverwachting kan zij, ondanks haar leeftijd, werken en zaken doen.

Gratton stelt de lezer weer een aantal vragen. Zoals, zie je jezelf werken voor een groot bedrijf of ben je zelfstandige entrepreneur? Als het antwoord het laatste is dan moet je nadenken over meesterschap, vakmanschap en een innovatieve connector. En hoe lang denk je productief te kunnen zijn? Denk je door te kunnen werken terwijl je de 70 al bent gepasseerd? Dan is het zaak om na te denken over jouw energie, kracht en een balans tussen werk en privé. En de laatste vraag, war verwacht je te leven? Je hebt de keuze om overal waar je wilt te wonen zolang je maar verbonden blijft met de wereldwijde marktplaats.

PART IV THE SHIFT

Our world is changing at an extraordinary pace, and what will go are many of the beliefs about what work is and how it is performed. In its place ar greater opportunities and choice. It is the opening of the aperture of choice that creates the space which will enable you to write a personal career script that can bring you fulfilment and meaning.

In de vorige hoofdstukken heeft Gratton laten zien hoe de default toekomst (negatief) en de crafted toekomst (positief) er uit kunnen zien. Hoe jouw toekomst er uit ziet heeft alles te maken met de keuzes die je maakt. Om die keuzes te kunnen maken moet je bepaalde aannames los kunnen laten en verandering toestaan op het gebied van kennis, vaardigheden, hoe je je werkt doet en gewoontes. Een manier om dit te doen is om deze veranderingen te zien binnen de context van drie kapitaalbronnen.

De eerste bron is intellectueel kapitaal (de kennis die je hebt en het vermogen om na te denken over problemen en uitdagingen). Intellectueel kapitaal speelt een sleutelrol in de carrière ontwikkeling omdat de kennisgebieden waarin je je begeeft ervan afhankelijk zijn. Gratton is van mening dat algemene kennis, die in het verleden belangrijk was, nu aan waarde zal verliezen omdat er altijd wel iemand te vinden is die hetzelfde weet, de informatie sneller kan leveren en ook nog goedkoper is. Het is dus zaak om te differentiëren. Je doet dit door veel tijd en energie te stoppen in het vergaren van nog meer kennis over een onderwerp en door vaardigheden te leren die weinig anderen bezitten. Dus door meesterschap en vakmanschap te ambiëren. Maar op een onderwerp focussen is niet zinvol. Dus kijk ook naar kennisgebieden die gerelateerd zijn of naar totaal andere kennisgebieden.

De tweede bron is sociaal kapitaal (het totaal van alle relaties die je hebt en de reikwijdte en diepte van jouw netwerk).

In a world where isolation is just around the corner, finding and keeping regenerative relationships will be key. But in a world where innovation and creativity are at premium, the diversity of networks will also play a crucial role.

Dus je stijgt boven de massa uit met je kennis en vaardigheden en toch ben je onderdeel van een collectief met anderen die veel kennis en vaardigheden hebben om samen waarde te creëren. En als je dat niet doet dan blijf je alleen, strijdend tegen duizenden anderen die hetzelfde kunnen als jij zonder de kansen en mogelijkheden die een collectief jouw biedt.

De derde bron is emotioneel kapitaal (begrijp je jezelf en begrijp je de keuzes die je maakt, maar ook de veerkracht om actie te nemen). Volgens Gratton is de verandering die bij dit kapitaal hoort het meest ingewikkeld omdat je met je vrienden en familie na moet denken over wat voor soort werkend leven je wilt.

What is required instead will be conscious, articulated and purposeful actions around the three shifts: to be prepared to expend the focus and determination to be a serial master; to use energy and goodwill to become an innovative connector with a rich network of diverse and interesting people; and finally, to redraft the traditional working deal that has money and consumption at the heart to something more in tune with your emotional needs for experiences and passion.

Om waardevol te zijn in de toekomst is het zinnig op zoek te gaan naar een competentie of vaardigheid die niet gemakkelijk door techniek of mens geimiteerd kan worden. Gratton beschrijft drie carrièremogelijkheden (rekening houdend met de 5 krachten) die de potentie hebben om waardevol te zijn: grassroots advocacy, social entrepreneurship, micro-entrepreneurship. De belangrijke gebieden waar dit in kan zijn life science, geneeskunde en energie. Met vooral veel creativiteit en innovatie.

Je kunt van alles voorspellen. En Gratton doet een poging. En toch, het hoeft niet uit te komen. Daarom is het belangrijk om werk te doen waar je van houdt, waar je passie ligt. Gratton meent dat dat de enige manier is om het vol te houden, zeker als we tot ons 70e door moeten werken. Werk waar je van houdt geeft, volgens Gratton, betekenis.

As innovation and creativity become the stamp of high-value work, so our working circumstances will have to provide an opportunity for childlike play and creativity to flourish…. For mastery to work, you have to be prepared to play. You will only really achieve the mastery you need if you are excited about what you are doing and love the stretch of achieving mastery, and when you feel challenged.

Gratton ziet de toekomst van werk als het doorbreken van barrières die nu werk en privé, maar ook werken en spelen van elkaar scheiden. Daarnaast beschrijft zij dat het meesterschap uit meer moet bestaan dan een enkelvoudig iets. Je moet in staat zijn om flexibel om te gaan met dit meesterschap. Misschien zijn er andere dingen die je ook goed kan of waar je beter in wilt worden. Durf te experimenteren, te spelen en te ontdekken. Maak ook gebruik van je netwerk, Gratton noemt dit the big ideas crowd. Dit netwerk kan je helpen door inzicht te geven in gebieden waar je nog niet zo bekend mee bent. Zij geven je ook ideeen en zien misschien kansen voor jou die jij nog niet zag. En als laatste, doe eens iets erbij (dus bij je (fulltime) baan), gewoon omdat het leuk is om nieuwe dingen te ontdekken, terwijl je nieuwe vaardigheden bijleert.

Gratton heeft het intellectuele kapitaal uitgebreid behandeld als zij doorgaat naar het sociale kapitaal.

One of the marvellous opportunities of the coming decades of work will be to build your social capital in a way that was never possible in the past.

Hoe wil je ook anders. Met 5 miljard mensen die met elkaar in verbinding staan en kunnen participeren zijn de mogelijkheden eindeloos. De uitdaging is om niet verloren te raken en te gefragmenteerd bezig te zijn, maar ook om niet geisoleerd te leven door te veel gebruik te maken van online werelden. Om zoveel mogelijk gebruik te maken van de hyper-connected wereld vraagt om een fundamentele verandering in ons denken over samenwerking, verbinding en innovatie. Echte innovatie, volgens Gratton, komt voort uit de verbinding die je maakt met anderen, met hun kennis, competenties en netwerk. En deze connecties worden dankzij technologie en globalisering, wereldwijd gemaakt. Ook dit netwerk ziet Gratton als onderdeel van the big ideas crowd. Net als overigens jouw posse, een groep van ongeveer 15 personen waar je altijd op kan rekenen en wie je vertrouwd. Deze groep kan in minuten bij elkaar geroepen worden, begrijpt elkaar en is waardevol. Deze groep kent je, vertrouwd je en wil je ondersteunen.

The whole point about a posse is that they can be assembled in a moment, and can ride with the samen speed and dexterity. Their similarity and shared capabilities are a great source of advantage to the posse since it is this that brings speed and depth.

Het enige probleem met een posse is, volgens Gratton, dat zij elk probleem op dezelfde manier oplossen. Zij kennen maar een richting en dat komt omdat ze op jou lijken en omdat jij ze vertrouwd niet van het bestaande pad af te wijken. Heb je dan een probleem dat groot en complex is en om innovatie vraagt dan is een posse niet de beste groep om dat probleem op te lossen. Dan heb je een grote, diverse community nodig; the big ideas crowd. De mensen in deze groep zitten in de uithoeken van jouw netwerk, het zijn vaak vrienden van vrienden. Zij zijn totaal verschillend van jou en toch willen zij de connectie met je maken. Deze groep is groot, misschien bestaat deze groep wel uit meer dan 100 mensen. En veelal zijn deze contacten virtueel.

Als tegenhanger ziet Gratton de regenerative community. Deze community bestaat niet in een virtuele maar in de echte wereld. En het zijn ook niet de mensen die op je lijken en dezelfde vaardigheden bezitten, zoals jouw posse. Dit zijn de mensen die je regelmatig ziet, met wie je lacht en huilt, samen eet, verhalen vertelt en met wie je ontspant. Deze groep mensen zijn van belang voor de kwaliteit van jouw leven en jouw emotionele stabiliteit.

De derde verandering is de verandering die zorgt voor een werkend leven dat betekenis heeft, passie, positieve en waardevolle ervaringen in plaats van een leven waar geld en consumptie de boventoon voert. Volgens Gratton is dit de lastigste verandering als het gaat om aannames, competenties en gewoonten en is hij nodig om een werkend leven te modelleren naar wat jij wilt en wat jij verdient. Blijft het, we werken om geld te verdienen. Of wordt het, we werken om waardevolle ervaringen op te doen (zoals vriendschap, ontwikkeling, tijd om iets anders te kunnen doen).

The mosaic of future working lives – and the carrilon curves that accompany it – requires a new deal between the individual and work that no longer puts pay at the centre, but rather places it in balance with many other sources of experiences.

PART V NOTES ON THE FUTURE

In het laatste hoofdstuk van het boek schrijft Gratton brieven aan de kinderen, de directeuren van grote (en kleine) bedrijven en aan de overheid. In deze brieven geeft zij tips en aanbevelingen. In het kort beschrijven zij de shifts en de maken keuzes die eerder in het boek uitvoerig zijn beschreven.

Tijdens het lezen van dit boek was ik vooral erg onder de indruk van de shifts en de bijbehorende keuzes. Toen ik las over de default future bekroop mij een zwart en donker gevoel. Zoiets als, hier wil je niet uitkomen. De crafted future fleurde me iets op en toch bleef ik denken over mijn eigen keuzes. Ben ik goed bezig, moet ik niet meer investeren in vriendschappen, doe ik het werk wat ik leuk vind of wil ik liever iets anders. Ben ik ook niet te veel gefocussed op hebbedingetjes die ik wil kopen maar die ik niet nodig heb. Word ik daar echt blij van of is dat een blijheid van een paar minuten. Het handboek dat bij dit boek hoort heb ik al gedownload en het lijkt me interessant om met een aantal collega’s dit in te vullen. Om samen na te denken en te discussiëren over onze toekomst.

Free – the future of a radical price

Chris Anderson schreef in 2006 het boek The Long Tail: Why the Future of Business Is Selling Less of More. Dit boek heb ik nooit gelezen. Ik heb er wel veel over gehoord. In 2009 schreef Anderson het boek dat ik nu in mijn handen heb Free : the future of a radical price. Dit boek stond al even in mijn boekenkast en omdat ik het nu wel eens allemaal zelf wil lezen, er toch maar eens bij gepakt.

Het boek bevat een drietal hoofdonderwerpen met daaronder hoofdstukken die dieper op het onderwerp in gaan. De drie hoofdonderwerpen zijn:

  • what is free
  • digital free
  • freeconomics and the free world

what is free?

free 101 – a short course on a most misunderstood word

Free kan van alles betekenen en de betekenis van dit woord is door de eeuwen heen continu veranderd. Als je het woord hoort denk je gelijk aan de addertjes onder het gras en toch is het een woord dat wel gelijk de aandacht op iets vestigt.  Het woord impliceert een eenvoudige transactie en toch is het vaak niet zo eenvoudig als het lijkt.

De definitie. Voor Romaanse talen kent het woord twee betekenissen omdat het twee woorden kent. Het eerste komt van het Latijnse liber dat vrijheid betekent. Het andere woord komt van het Latijnse woord gratis wat geen kosten betekent. In het Spaans is libre een positief woord, terwijl gratis eerder wordt geassocieerd met een marketing truck. In het Engels zijn de woorden samengevoegd tot een woord. Freedom heeft ook daar een positieve connotatie. Maar soms gebruiken de Engelsen toch het woord gratis om aan te geven dat iets echt zonder kosten is. In Nederland gebruiken wij het woord gratis. Maar zoals in andere landen heeft dit een negatieve klank. Er zit altijd wel iets aan vast waardoor het minder gratis wordt. In dit boek betekent free zonder kosten.

Anderson geeft een paar voorbeelden van free met addertjes onder het gras (1+1 gratis, geen verzendkosten, gratis cadeautje bij een pakje, gratis probeerverpakking, probeerversie van een product waar het na een poosje niet meer gratis is). Hij geeft ook voorbeelden van dingen die echt gratis zijn, zoals Flickr, Wikipedia en het meeste van wat Google aanbiedt.

All these can be sorted into four broad kinds of Free, two that are old but evolving and two that are emerging with the digital economy.

Als je het van een afstandje bekijkt, komen deze variaties van free, volgens Anderson voort uit een ding en dat is het verschuiven van geld van product naar product, van mens naar mens en tussen nu en later. Hetgene wat economen cross-subsidies noemen. Oftewel kruissubsidie. Nu ben ik geen econoom dus ik weet niet of het de juiste vertaling is en ik ben er ook nog niet achter wat het woord precies betekent.

Kruissubsidies kunnen op verschillende manieren ingezet worden:

  • gratis producten subsidiëren betaalde producten (gratis proefverpakking)
  • nu gratis maar straks betalen (gratis telefoon bij abonnement)
  • gratis mensen worden gesubsidieerd door betaalde mensen (kinderen gratis bij attractie)

Binnen de wereld van kruissubsidies, worden de free-modellen ingedeeld in vier categorieën:

FREE 1: DIRECT CROSS-SUBSIDIES
what’s free: any product that entices you to pay for something else

free to whom: everyone willing to pay eventually, one way or another

FREE 2: THE THREE-PARTY MARKET

what’s free: content, services, software and more

free to whom: everyone

De eerste categorie is duidelijk. Je wordt als consument naar een winkel gelokt met een 1+1 gratis actie in de hoop dat je meer spullen koopt als je er toch bent. De tweede categorie lijkt moeilijker maar we maken het elke dag mee. De derde partij is de adverteerder. Hij betaald zodat een uitgever een gratis krant, blad, of iets anders aan een consument kan geven. Uitgevers verkopen geen kranten aan lezers, zij verkopen lezers aan adverteerders.

FREE 3: FREEMIUM

what’s free: anything that’s matched with a premium paid version

free to whom: basic users

FREE 4: NONMONETARY MARKETS

what’s free: anything people choose to give away with no expectation of payment

free to whom: everyone

In dit boek komen twee soorten prijzen aan bod, iets en niets. Maar er is nog een derde prijs, minder dan niets. Dat gebeurt als je wordt betaald om een product of dienst te gebruiken. Zo wordt ik in punten betaald als ik online enquêtes invul. Deze punten kan ik inwisselen voor tegoedbonnen van bijvoorbeeld Bol.com. En vaak als ik dan online ben om een boek te bestellen koop ik ook nog iets anders.

the history of free – zero, lunch, and the enemies of capitalism

Een van de redenen waarom free zo moeilijk te bevatten is, is omdat het niets is. Het is de afwezigheid van iets. Het is het gat waar de prijs hoort te zitten. Free is een concept. En het heeft jaren geduurd voordat de mensheid het met een getal kon beschrijven.

Where numbers only represent real things, you don’t need a numer to express the absence of nothing.

Anderson duikt nog wat dieper in de geschiedenis. Schrijft over rente en het begin van commercie. Tot hij aankomt bij de 19e eeuwse Rus Peter Kropotkin. Kropotkin bedacht in 1902 een Utopia waar mensen spontaan allerlei werk voor elkaar deden omdat zij geloven in de community en in wederzijdse hulp. Anderson ziet in de deze visie een vooruitblik op de link economy die dankzij het internet kon ontstaan (mensen linken naar elkaar blogs om reputatie op te bouwen en traffic te genereren).

In giving something away, he argued, the trade-off is not money, but satisfaction. This satisfaction was rooted in community, mutual aid, and support.

Ten tijden van Kropotkin kon dit niet werken. Dit omdat de groep vaak groter was dan 150 (Dunbar’s number). Virtuele werelden waren nodig om het mogelijk te maken.

Anderson vervolgt zijn verhaal over de economie, overvloed en schaarste. De opkomst van goedkope materialen zoals plastic. En besluit met deze quote:

Our attitude towards abundant resources moved from personal psychology (it’s free to me) to collective psychology (it’s not free to us).

the psychology of free – It feels good. To good?

Waarom denken mensen dat free soms betekent dat iets niet van goede kwaliteit is? Volgens Anderson komt dat omdat ons gevoel over free relatief is en niet absoluut. Als je voor een product altijd geld hebt betaald en ineens hoeft dat niet meer dan verwacht je dat de kwaliteit van het product hierdoor achteruit is gegaan. Maar als een product nooit geld heeft gekost heb je dat gevoel niet.

De psychologie gaat ook aan het werk als je na moet denken over de prijs van een product, is het dat geld waard, wil ik het hebben al het dit bedrag kost, etc. Bij free producten heb je dat niet. Je denkt hier veel minder over na. Voor consumenten zit er een groot verschil tussen free en goedkoop. Zelfs als een product maar 1 cent kost, je gaat er toch over nadenken.

Toch is de kans groot dat je blijer wordt van een product waarvoor je hebt betaald. Je hebt er goed over nagedacht en geniet van de aankoop. Free producten hebben dat minder. Ik bezoek wel eens een congres in de Verenigde Staten. Daar is het heel normaal dat je ’s morgens (ze beginnen vaak vroeg) een ontbijt(je) krijgt aangeboden en tussen de sessies door drinken en snacks. Allemaal voor niets. Word je daar hebberig van? Ik soms wel. Dan neem ik een extra colaatje mee voor later. Is het dan erg als je de snack niet helemaal op eet. Nee. Als je teveel hebt gepakt laat je wel eens iets liggen. Dit is anders als je voor het eten en drinken hebt betaald. Dan maak je het op, want anders is het zonde. Maar het is toch ook zonde als je het weggooit en je hebt er niet voor betaald.

We take stuff because it’s there, not nesessarily because we want it. Charging a price, even a very low price, can encourage much more responsible behaviour.

digital free

too cheap to matter – the web’s lesson: when something halves in price each year, zero is inevitable

Het internet staat voor free. Niet vanwege een ideologie maar vanwege economische factoren. De kosten die gemaakt moeten worden zijn zo laag (processors, dataopslag en bandbreedte) dat het zinvol is om datgene dat je aanbiedt af te ronden naar beneden. En dat betekent afronden naar free.

information wants to be free – the history of a phrase that defined the digital age

Toen Stewart Brand in 1984 de woorden information wants to be free uitsprak zei hij ook dat information wants to be expensive. In die tijd kon het nog alle kanten op gaan. Informatie kon goedkoper worden omdat het gemakkelijk reproduceerbaar werd. Of het kon kostbaarder worden omdat computers informatie van hogere kwaliteit konden maken. Als we tegenwoordig over informatie praten dan bedoelen we meestal digitale bits: signalen die aan of uit staan dat iets of niets betekent, afhankelijk van hoe ze gecodeerd worden.
Toen Brand het over informatie had, sprak hij over digitaal gecodeerde informatie. Brand begreep dat een bit en de betekenis ervan twee verschillende dingen zijn. De bits zijn free, maar de betekenis ervan kan waarde hebben (van niets tot onbetaalbaar) afhankelijk van wie het ontvangt. Hij neemt als voorbeeld een telefoonmaatschappij, zij berekenen kosten voor de verbinding, het gaat hun niet om de informatie die over die verbinding wordt verzonden. Net zo goed als bij een café, zij rekenen niet voor de gesprekken die er worden gevoerd.

you always wind up charging for something different than the information

competing with free – Microsoft learned how to do it over decades, but Yahoo just months

Anderson beschrijft het voorbeeld van Microsoft. Hoe zij tegen illegaal downloaden van software hebben gevochten en tot op zekere hoogte hebben geaccepteerd dat mensen nu eenmaal kopiëren. Hoe aan de andere kant Microsoft de eigen software promootte boven de (bijna) gratis webbrowsers, wordprocessingsoftware, etc. die door andere partijen werd aangeboden. En hoe zij zijn omgegaan met nieuwe operating systemen in de wereld zoals Unix/Linux.
Ook geeft Anderson het voorbeeld van Yahoo en hoe zij reageerden toen Google gratis email aanbood. Het geeft duidelijk weer dat Google een nieuwe impuls aan  het begrip free heeft gegeven.

En dus kennen we tegenwoordig 3 software modellen: compleet free, free software met betaalde support en software/support waarvoor je moet betalen.

de-monetization – Google and the birth of a twenty-first-century economic model

Als Google een nieuwe dienst ontwikkeld vragen zij zich niet af of het geld oplevert maar of het niet cool zou zijn als, of of mensen er op zitten te wachten en of de dienst de Google-technologie goed gebruikt. Het geld komt wel binnen, via de adverteerders. Dus de diensten kunnen gratis zijn.

Why does Google default to free?

Omdat het de beste manier is om de grootst mogelijke markt en de adoptie van veel gebruikers te bereiken.

the new media models – free media is nothing new. What is new is the expansion of that model to everything else online

Radio, maar later ook televisie, maakt gebruik van free-to-air dat wordt betaald door adverteerders. Een derde partij (de adverteerder) sponsort content zodat een tweede partij (de luisteraar of kijker) gratis gebruik kan maken van de dienst. Radio en televisie hebben hiermee het media model van free gelanceerd. Dit model werd overgenomen door kranten, tijdschriften en andere mediavormen. Zo ook op het internet. Daar gaat het voorbij mediabedrijven en kan het gebruikt worden door gewone mensen. En dat maakt het verschil.

Anderson geeft een voorbeeld uit zijn eigen praktijk, het tijdschrift Wired. Als zij een tijdschrift opmaken dan zorgen zij ervoor dat advertenties goed geplaatst worden. Met anderen woorden geen Sony advertentie bij een artikel over Sony. Zij willen namelijk niet de indruk wekken dat zij beïnvloedbaar zijn. Voor Google werkt het net anders, zij zoeken juist advertenties die passen bij het onderwerp. Zij zetten wel een advertentie van Sony bij een review van een Sony product.

Why is such matching bad in print but good online? At the heart of that question is the essence of how advertising is changing as it moves online.

Volgens Anderson is dat omdat mensen een ander verwachtingspatroon hebben als zij online gaan. Mensen maken tijdschriften op, en mensen kunnen corrupt zijn, zeker als het om geld gaat. Web advertenties worden geplaatst door zoekmachines (software algoritmes) en dat maakt het betrouwbaarder. Uiteraard is dit niet waar. Veel advertenties op het web worden handmatig geplaatst. En ook een algoritme kun je corrupt maken, het zijn tenslotte mensen die deze algoritmen schrijven. Maar op de een of andere manier hebben mensen er minder moeite mee als Google de advertenties bij andermans content plaats. Mensen maken zich dan helemaal geen zorgen over beïnvloeding.

Daarnaast zijn mensen gewend om online gratis informatie te krijgen en die beleving sijpelt ook door naar de offline wereld. De mediabedrijven hebben hier het meeste last van. Want wie wil er betalen voor een krant als het nieuws gratis online tot je kan nemen?

Voor Anderson is deze verschuiving onderdeel van de devaluatie van content die niet alleen wordt gevoed door wat generaties verwachten en willen maar ook door trends in de technologie. Jonathan Handel geeft 6 redenen voor deze migratie naar free.

  • supply and demand (the supply of content has grown by factors of millions, but demand had not)
  • loss of physical form (we value atoms more than bits)
  • ease of access (it’s often easier to download content than it is to find i tand buy it in stores)
  • the shift to ad-supported content (habits set on the web carry over into te rest of life)
  • the computer industry wants content to be free (free content makes the devices it plays on more valuable)
  • generation free (the generation that has grown up with broadband has digital economics somehow wired into their DNA)

Dankzij internet zijn er nieuwe business modellen gebouwd rondom free. Anderson geeft 7 categorieën waarvan hij vindt dat ze succesvol zijn.

  • selling virtual items (bijvoorbeeld in games die je gratis online kan spelen, maar waarvoor je spulletjes kan kopen om te gebruiken in het spel om tijd te besparen, er cool uit te zien, of minder moeite te hoeven doen – je hoeft geen geld uit te geven maar het kan wel)
  • subscriptions (vaak ook voor online games)
  • advertising (bijvoorbeeld in-game advertenties)
  • real estate (denk aan Second Life)
  • merchandise
  • free music (bijvoorbeeld Radiohead die consumenten zelf de prijs van de muziek laat bepalen)
  • free books

 how big is the free economy – there’s more to it than just dollars and cents

Er zijn veel verschillende free-economieën. He is dus maar net welke je bedoelt als je wilt weten hoe groot de free-economie is. Anderson doet toch een poging en berekent de waarde van 4 free-economieen (3e partij markt – adverteerders, freemium – paar mensen betalen voor de grote groep, de gratis online games en de gift economie). Maar eigenlijk zeggen deze aantallen waar Anderson mee komt niet zo veel omdat niet alles wordt gedekt.

freeconomics – and the free world

econ 000 – how a century-old joke became the law of digital economics

The internet, by combining the democratized tools of production (computers) with democratized tools of distribution (networks), conjured a truly competitive market.

Elke markt is verschillend. En gratis is een constante aantrekkelijkheid voor alle markten die er bestaan. Maar om geld rondom free te maken vergt creativiteit en experiment. Anderson beschrijft het principe versioning. Dit betekent dat verschillende gebruikers verschillende prijzen betalen. Een van de versies van het product is gratis, terwijl je voor een andere versie van hetzelfde product moet betalen. Een andere vorm om geld rondom free te maken is flat-fee – met als voorbeeld het onbeperkt eten, of onbeperkt lenen van DVD’s voor een bepaald bedrag.  Het beste model krijg je, volgens Anderson, als je beide principes met elkaar combineert. Je ziet dit model overal om je heen, van de sportschool tot je mobiele telefoon aanbieding.

Een nadeel van dit model is wat Anderson de free-rider problem noemt. De mensen die zich niet in kunnen houden bij een all-you-can-eat buffet. Timothy Lee ziet hier geen probleem omdat als je ervan uitgaat dat de kosten gecompenseerd moeten worden dit niet langer geldt voor online gedrag. Er zijn voldoende mensen die gratis allerlei content delen, gewoon omdat ze het leuk vinden en genoegdoening krijgen van het feit dat ze gelezen of gehoord worden. En omdat online de aantallen groot zijn. Als maar 1% van de participanten van een community actief deelnemen is dat genoeg, alle anderen kunnen dan free-riders zijn.

nonmonetary economies – where money doesn’t rule, what does?

Een van de oudste regels in de economie is dat elke overvloed een nieuwe schaarste creëert. Neem als voorbeeld gratis koffie op het werk. Dit zorgt ervoor dat mensen behoefte krijgen aan kwalitatief veel betere koffie waar zij ook nog wel voor willen betalen.

Als je kijkt naar informatie. Als onze honger naar basisinformatie is gestild, dan gaan we op zoek naar informatie die we echt willen hebben. En in die zoektocht leren we meer over onszelf en wat ons bezighoudt. In dit proces zullen veel mensen van passieve consumenten actieve producenten gaan worden. Hierbij worden we gestimuleerd door de psychologische beloning van het creëren. In een normale economie is geld hetgene wat ons drijft, we kopen wat we kunnen kopen. Maar online, waar veel gratis is, is geld niet langer de drijfveer. De drijfveer wordt aandacht en reputatie.

Good recommendations build trust with a readership, and being recommended confers trust, too. And with trust comes traffic.

Dus we hebben Google Pagerank (inkomende links), Facebook en MySpace (vrienden), EBay (met ratings voor kopers en verkopers), Twitter (met volgers) en Slashdot (met karma). Met deze sites kun je reputatiekapitaal omzetten in aandacht. En als je wilt kun je dit weer omzetten naar geld. Maar de meesten willen dat niet.

Maar waarom doen deze mensen dat? Content online zetten zonder er voor betaald te worden. Vaak omdat ze deel willen uitmaken van een community, maar ook persoonlijke groei en kennisdelen speelt mee. We stoppen onze tijd er in omdat het respect oplevert, we aandacht krijgen en een publiek bereiken. En vaak geeft iets doen zonder ervoor betaald te worden meer voldoening dan een betaalde baan.

waste is (sometimes) good – the best way to exploit abundance is to relinquish control

Mensen houden niet van verspilling. Maar wat zij onder verspilling verstaan hangt samen met wat zij kennen van schaarste. Denk aan je ouders, als zij op vakantie naar huis wilden bellen, kostte dat heel veel geld. Zij houden buitenlandse gesprekken dus kort. Wij zijn gewend dat dit niet zoveel duurder is dan in Nederland bellen en dus kletsen wij langer. Maken wij ons hier geen zorgen over. Maar voor onze ouders is dit verspilling. Overigens zijn mensen de enige levende wezens in de natuur die moeite hebben met verspilling. Andere dieren gaan hier veel gemakkelijker mee om omdat zij weten dat verspilling leidt tot een beter en sterker soort.

free world – China and Brazil are the frontiers of free. What can we learn from theme?

In China begrijpen ze dat er geen geld meer te verdienen valt aan de verkoop van muziek-cd’s en dus zoeken ze naar andere manieren. Dit vinden ze in concerten, websites, ringtones, etc.

In the Western press, Chinese piracy is seen as little more than a crime. Yet within China, pirated goods are just another product at another price, a form of market-imposed versioning. The decision whether to buy a pirated Louis Vuitton bag is not a moral one, but one about quality, social status, and risk reduction.

De meeste Chinezen kunnen zich de echte producten niet veroorloven en dus kopen ze namaak. Als zij het geld hebben kopen ze echt omdat dat nu eenmaal van betere kwaliteit is.

imagining abundance – thought experiments in “post-scarcity” societies, from science fiction to religion

Wat we, volgens Anderson, kunnen leren van fictie is dat we overvloed kunnen verbeelden. Maar dat onze hersenen zijn geprogrammeerd op schaarste. We focussen ons op de dingen die we niet hebben, zowel op het gebied van tijd en geld. En het is dat wat ons drijft. Als we hebben gevonden of gekregen wat we wilden, gaan we op zoek naar iets nieuws. We worden gemotiveerd door wat we niet hebben in plaats van door wat we wel hebben.

Economically, abundance is the driver for innovation and growth. But psychologically, scarcity is all that we really understand.

you get what you pay for – and other doubts about free

Anderson geeft 14 meest gehoorde argumenten (en zijn tegenargumenten) tegen een free-economie.

  • there ain’t no such thing as a free lunch (in de geldmarkt is de lunch misschien niet gratis, maar in de aandacht-, en reputatie-markt heb je ervoor betaald met jouw tijd en aanwezigheid)
  • free always has hidden costs / free is a trick (in de 21e eeuw van gratis, die is gebaseerd op digitaal, is er geen reden voor verborgen kosten)
  • the internet isn’t really free because you’re paying for access (je betaald voor de toegang, niet voor de content)
  • free is just about advertising (and there’s a limit to that) (misschien toen internet net opkwam maar tegenwoordig zie je steeds meer freemium, enkelen betalen voor velen)
  • free means more ads, and that means less privacy (er is nog zoiets als privacy beleid en niet alle bedrijven verkopen die informatie aan adverteerders)
  • no cost = no value (is geld het enige middel om waarde mee vast te stellen, er is ook zoiets als aandacht en reputatie)
  • free undermines innovation (creative commons laat zien dat mensen heel erg creatief en innovatief worden van gratis content)
  • depleted oceans, filthy public toilets, and global warming are the real cost of free (in de digitale wereld is verspilling veel minder aan de orde, omdat het eigenlijk alleen nog maar gaat om elektriciteit)
  • free encourages piracy (het is juist net andersom)
  • free is breeding a generation that doesn’t value anything (in elke generatie nemen we iets voor lief dat de generatie ervoor waardevol vond, maar dat betekent niet dat deze generatie alles minder waardeert, zij waarderen alleen andere dingen)
  • you can’t compete with free (tenzij je een beter of ander product maakt dan de gratis versie, ga voorbij het gratis product en zoek een iets waar mensen voor willen betalen, is de software gratis biedt dan support aan)
  • I gave away my stuff and didn’t make much money (iets gratis weggeven maakt je niet rijk, maar wel als je nadenkt over reputatie en aandacht en hoe je daar geld mee kunt verdienen)
  • free is only good if someone else is paying for it (met freemium krijgt iemand die betaald een beter product wat jij gratis kan krijgen (is dus niet hetzelfde product), zijn teveel voorbeelden die het tegenspreken, misschien denk je minder van een product dat eerst geld kostte en nu niet meer, maar als iets altijd al gratis was, waarom zou je er dan minder van denken)
  • free drives out professionals in favor of amateurs, at a cost of quality (contentcreatie is niet langer meer het domein van de betaalden, maar dat betekent niet dat je geen geld kan verdienen met content creatie)

 The web has become the biggest store in history and everything is 100% off.

Aan het einde van het boek geeft Anderson de 10 principes van overvloed, freemium tactieken en 50 business modellen gebouwd rondom free.

Je vraagt je af hoe iemand iets meer dan 250 pagina’s vol kan schrijven over een onderwerp als free. En toch lukt het Anderson om een boeiend en goed leesbaar boek te schrijven. Ook voor niet-economen, zoals ik, zijn de hoofdstukken over de geschiedenis van de economie en begrippen goed te volgen. En dan het begrip free. Het is een raar begrip. Soms doe ik er aan mee, als ik iets wil uitproberen. Maar vaker betaal ik voor diensten en producten. Zoals bijvoorbeeld Evernote en Flickr. Niet alleen omdat ik fan ben maar ook omdat ik wil dat deze diensten en producten voor mij beschikbaar blijven. Zeg maar een soort support voor het bedrijf dat mij helpt om tijd te besparen.
Na het lezen van het boek wordt wel duidelijk dat free niet te stoppen is, dat je er toch geld aan kan verdienen (als je het goed aanpakt) en dat het gevoel rondom free is veranderd (of je dat nu leuk vindt of niet).

En mocht je het boek ook willen lezen en er niet voor willen betalen, dan vind je hier (Nederlandse versie – lezen) of hier (Engelse versie – luisteren) een free-copy.

 

Biebwatch – het verhaal van de toekomst

Afgelopen dinsdag vertrok ik al vroeg in de morgen richting Amsterdam om in het Bimhuis de Biebwatch bij te wonen. Het verhaal van de toekomst was het thema en in de vooraankondiging stond het volgende:

Bent u klaar voor de toekomst? En hoe ziet uw collectie er dan uit? De identiteit van uw bibliotheek bepaalt de inhoud van uw ‘kasten’. Maar die identiteit – wat u wilt zijn en voor wie – bepaalt u zelf. Het is dus van groot belang om te anticiperen op de wereld waarin uw bibliotheek zich bevindt. Het verhaal van de toekomst gaat over het wezen van de bibliotheek. Aan de hand van voorbeelden, trends en toekomstschetsen zetten we u aan het denken over het verhaal dat uw collectie straks vertelt. In vervolgsessies en workshops krijgt u handvatten om dit verhaal daadwerkelijk vorm te geven.

De bibliotheek als supermarkt of smart agent

Inspirerende sprekers stonden er op het programma. Zoals bijvoorbeeld de directeur van Total Identity. Het leek er even op dat de directeur er niet was want hij werd vervangen door Caro van Dijk. Zij begon sterk met de titel van haar presentatie de bibliotheek als supermarkt of smart agent?

Maar om bij haar titel uit te komen moest zij eerst aan de zaal uitleggen wat een merk kan doen voor een organisatie en hoe je je identiteit kan maken en gebruiken om je te onderscheiden. Hiervoor maakte zij onderscheid tussen een merkscenario (onderscheidend vermogen, merkpositie en branding, wil onderscheidend aanwezig zijn) en een identiteitscenario (transparantie aanbrengen, oorspronkelijkheid tonen in communicatie dus storytelling, maatschappelijk relevant opereren, wil verbanden leggen).

Maar welke rol speelt de bibliotheek hierin. Volgens van Dijk is de bibliotheek de expert in de 1:1 relaties. Zij beschreef drie scenario’s:

  • dinosaurus van de kenniseconomie
    basis = ambitie
    verheffing leidt tot mogelijkheden
    beheer is toegang verschaffen
    = visie op onze tijd is noodzakelijk, boeken zijn niet langer onze corebusiness
  • supermarkt van de informatiemaatschappij
    retailformule
    effectiviteit & efficiëntie
    optimalisatie van ruimte en tijd
    = bibliotheek als veredelde vakkenvuller
  • smart agent in open source omgeving
    1:1 contact
    bibliothecaris 2.0 is de expert
    betrokkenheid
    networking the networks
    gepersonaliseerd aanbod
    time as the source of value
    relatie en ontmoeting
    talent ontwikkeling

En de doelstelling van van Dijk voor de bibliotheek: jezelf in de actuele context steeds weer opnieuw uitvinden.

Misschien was ik nog niet helemaal wakker toen van Dijk begon maar mijn eerste indruk na haar presentatie was, waar ging dit in hemelsnaam over. Ik had vooral het gevoel dat ik niet aangesloten was. Of van Dijk niet aan het publiek, wanneer was zij ook alweer voor het laatst in een bibliotheek geweest…. Toen iemand haar dat vroeg gaf zij aan dat dat lang geleden was, tijdens haar studie, maar dat zij nu in de nieuwe OBA weleens ging werken. De directeur van Total Identity bleek wel in de zaal te zitten en roerde zich ook in het debat en ik vraag mij dan af, waarom hield hij de presentatie niet? En met een beetje een down gevoel luisterde ik naar de volgende spreker, hopend dat dit niet de toon van de dag zou zijn.

Hoe een klein museum groot kan zijn

En gelukkig was dat het niet. Dimitri van den Berg van het Nationaal Museum van de Psychiatrie het Dolhuys in Haarlem vertelde enthousiast over zijn museum. Hij heeft bijna dagelijks contact met de klant omdat hij die klant belangrijk vindt. Ik zal eens aan mijn directeur vragen wanneer zij voor het laatst de bibliotheek in is gelopen om zomaar een klant aan te spreken en te vragen wat hij van de bibliotheek vindt en wat er verbeterd kan worden.

Wat mij vooral is bijgebleven aan de presentatie van van den Berg is dat je een rol kan spelen in de buurt. Hij wilde met het museum een rol spelen en dat is gelukt. Ik trek dat dan door naar mijn bibliotheek, welke rol spelen wij in de buurt, zijn wij er eigenlijk wel voor de buurt? Misschien wel niet omdat wij als universiteit ons erg richten op de interne klant, de student, de medewerker en de onderzoeker. Het is interessant om te onderzoeken of welke rol de buurt van ons verwacht en of wij daarin iets kunnen betekenen. Natuurlijk hoeven we geen buurthuis te worden maar we kunnen wel een fijne verblijfplaats zijn waar activiteiten worden georganiseerd.

De uitgever & de boekverkoper

Na de lunch betrad Sander Knol (algemeen directeur Uitgeverij Meulenhoff Boekerij) het podium. Zijn begin was sterk.

Wie zijn wij straks?

  • als iedereen een schrijver is
  • als iedereen een uitgever is
  • als iedereen een boekverkoper is
  • als iedereen deskundig is
  • als iedereen connected is

Tsja, dat is wel even iets om over na te denken. Als bibliotheekmens denk ik vaak na over de toekomst van de bibliotheek, maar de uitgevers die krijgen het misschien nog wel zwaarder dan wij. En hoe gaan zij dan met die toekomst om? Maar Knol wilde het met de zaal vooral hebben over de toekomst van de bibliotheek (dat was tenslotte ook het thema van de dag) en vroeg zich af:

  • wordt de bibliotheek straks een marktgerichte aanbieder
  • of retailer
  • wordt de bibliotheek marktleider in het segment (bijna) gratis
  • of wordt de bibliotheek exploitant van rechten?

en

  • waar zit dan de toegevoegde waarde van de bibliotheek in de informatieketen
  • partnership – maar met wie dan in de informatieketen, misschien met de uitgevers
  • auteursrecht – publiek is niet perse gratis
  • beleid: markt- of cultuurgericht – en met welke meetbare doelstellingen

Veel vragen en weinig antwoorden, maar wel iets om over na te denken. Ik denk dat de bibliotheek moet kijken naar samenwerking met de uitgevers en moet zoeken naar datgene waar zij elkaar kunnen versterken. Hoe dat precies moet weet ik ook nog niet maar het is wel iets waar ik over na wil denken in de komende tijd.

Dat samenwerken zie ik ook wel met de boekhandelaren, waar Caroline Damwijk van Libris vertegenwoordiger was. Zij vertelde over ondernemerschap en hoe Libris boekhandels samen sterk zijn. Zij vertelde ook over ebooks en dat zij die verkopen. Ebooks….. verkopen ….. ik zat voorop mijn stoel, waarom wist ik dit niet? Ik stelde die vraag aan het einde van Damwijks betoog, waarom wist ik, als inmiddels fervent ebooklezer, niet dat ik bij hen online ebooks kan kopen? Het antwoord stelde mij niet gerust, ik had namelijk de reclame hiervoor kunnen zien in onder andere de boekwinkel. Maar ik kom niet in een de boekwinkels van Libris. Ik wist niet eens dat die in Rotterdam zit (volgens de website zit er een op de Peppelweg, maar dat is Schiebroek!). Als ik al een boekwinkel bezoek is het Donner en dat is een Selexyz boekwinkel en die hebben volgens mij ebooks nog niet echt omarmd. Op de website hebben ze niet eens een knop ebooks. Inmiddels ben ik erachter dat Libris dat wel heeft.

Maargoed dan wil ik dus een ebook bestellen bij Libris en dan betaal ik nog steeds de hoofdprijs. Ik vind de belevenis van een ebook absoluut niet vergelijkbaar met een papieren boek en dus wil ik die hoofdprijs niet betalen. Een ebook kan ik niet uitlenen, ik kan hem in de kast zetten (soort van) maar het is meer een vluchtig boek dan een boek op papier dat je jaren kan bewaren. Wat gebeurd er overigens als mijn ereader te oud wordt en nieuwe versies mijn aangekochte ebooks niet meer ondersteund. De kans bestaat dat ik dan niet meer bij mijn ebook kan komen. En dus wil ik, zoals gezegd, die hoofdprijs niet betalen. Zolang de uitgevers en de boekverkopers hier niets voor gevonden hebben zal ik weinig tot geen ebooks aanschaffen. Wat ik dan doe. Ik doe nogal eens mee aan online enquêtes waar je BOL boekenbonnen mee kan sparen, ik spaar totdat ik genoeg heb zodat ik de ebooks gratis aan kan schaffen. Dat voelt toch net even beter. Dat ik daarvoor verbonden ben aan BOL is een gegeven, misschien niet mijn eerste  maar wel de goedkoopste keus. En ik leen ebooks bij de bibliotheek. Dat die collectie niet zo snel groeit als ik zou willen is ook een gegeven, maar dat is iets voor een andere keer.

Informatiewarenhuis

Terug naar Biebwatch voor de laatste presentatie van de dag. Pim van den Berg straatoloog neemt ons mee op ontdekkingstocht. Met een stortvloed aan foto’s en quotes sluit hij de dag  af.

Een aantal quotes:

  • jij bent voor mij de architect van informatie (bibliotheek) en jij mag dat zijn
  • ik ben een beelddenker, ik begrijp boeken niet (jongere generatie)
  • de bibliotheek is verleerd om verhalen te vertellen (ondersteund met een foto van slechte cappuccino als metafoor voor de bibliotheek)
  • vertel een ander verhaal dan dat je tot nu toe hebt gedaan
  • warenhuis aan informatie
  • wat staat er op het boodschappenlijstje van klanten
  • vers geperst, hoe vers is informatie
  • fantasiefabriek
  • vak van bibliothecaris is sexy, maar de naam is dat niet
  • huis der verloren dromen
  • beleving van de media

Ik voeg daar zelf nog even aan toe: boulevard van kennis.

En wat vond ik nu precies van de dag, of met andere woorden, wat neem ik mee. In ieder geval nieuwe connecties (heb met veel nieuwe en interessante mensen gesproken). Ik neem ook mee het inzicht dat het merk van de bibliotheek belangrijk is en dat we een nieuw verhaal moeten verzinnen. Dat wij misschien wel contact moeten zoeken met de uitgevers en boekverkopers en de samenwerking in gang moeten zetten. Zeker in het geval van ebooks is hier veel te winnen denk ik. Dat wij moeten blijven praten, nadenken, filosoferen, brainstormen over de toekomst. Maar dat wij ook moeten doen! Dat niet alle sprekers even aansprekend waren vergeet ik even. Dat de klant, de gebruiker en de nog niet klant weinig aan bod kwamen ook. Dat bibliotheken nog ontzettend hun best doen om jongeren binnen te halen en hier van alles voor verzinnen, ik dacht tijdens de Biebwatch waarom eigenlijk….. waarom zoveel moeite doen en trekken aan een dood paard? De jongeren willen niet naar binnen, dus waarom niet richten op de gebruikers die dat wel willen. Er wel voor zorgend dat de jongeren je weten te vinden als het nodig is.

Heeft Probiblio met deze Biebwatch zijn aankondiging waargemaakt? Misschien niet helemaal. Het ging wel over de identiteit van de bibliotheek (zijdelings) en over de collectie (heel soms). En ook werden de workshops aangekondigd, aparte sessies waar je dieper ingaat op het onderwerp. Maar hoe je het merk bibliotheek sterk neer moet zetten, daar had ik graag meer over willen weten. En ook de toekomstschetsen mistte ik. De locatie en de mensen maakte veel (zo niet alles) goed. En dus sluit ik niet negatief af, ik heb een leuke dag gehad!

15 th Seminar of The LIBER Architecture Group

Sinds deze week is het mogelijk om je in te schrijven voor het 15 th Seminar of The LIBER Architecture Group dat in april 2010 in Madrid plaatsvindt. Het thema van het symposium is Fit for what purpose? Planning libraries for the users of the future.

Op 12 en 13 april zijn er werkbezoeken naar onder andere de bibliotheek UNED University Library (Universidad Nacional de Educación a Distancia) en de Biblioteca Pública de Guadalajara.

Op 14 april start het symposium. Het programma vind je hier.

En dan op 17 april is er nog een bezoek aan Toledo, als je daar zin in hebt natuurlijk.

Als je mee wilt met de werkbezoeken en aanwezig bent bij het symposium betaal je 350 euro. Als je met meer mensen van dezelfde organisatie komt betalen de tweede, derde, etc. deelnemers minder voor het symposium.  Het bezoek aan Toledo kost 70 euro en is zoals gezegd optioneel. Inschrijven voor 1 februari geeft korting.

liber

Het programma ziet er goed uit en ik ben erbij. Maar dat komt vooral omdat ik sinds dit jaar als vertegenwoordiger vanuit Nederland in de programmacommissie zit.

De toekomst van lezen in een digitale wereld

Clive Thompson schreef onlangs op Wired een artikel over de toekomst van het lezen in een digitale wereld. Het artikel gaat niet over e-readers of andere technische oplossingen maar over hoe mensen anders gaan lezen door mogelijkheden die het digitale boek geeft, zoals bijvoorbeeld het toevoegen van aantekening in de kantlijn en het delen van deze krabbels.

Thompson geeft het voorbeeld van McKenzie Wark die voor zijn boek Gamer Theory Commentpress gebruikte (een tool waar ik over schreef in 2007 en die sindsdien erg verbeterd is).
commentpress

Per paragraaf kunnen lezers aantekeningen of comments achterlaten die in een nieuwere druk van het boek ook zijn gebruikt. McKenzie Wark werkte in dit project samen met het Institute for the Future of the Book.

Thompson spreekt vervolgens de uitgeverijen aan die te lang vasthouden aan het boek in de vorm die wij nu kennen. De uitgevers die bang zijn dat hun boeken worden Genapsterized. De vraag of boeken kunnen overleven in een digitaal tijdperk, beantwoord Thompson met een volmondig ja. Maar…

..only if publishers adopt Wark’s perspective and provide new ways for people to encounter the written word. We need to stop thinking about the future of publishing and think instead about the future of reading.

Nadenken over de toekomst van lezen dus. Alle overige vormen van media hebben wel een digitale variant en staan open voor lezers die de content (her)gebruiken. Dat dit niet gebeurd met boeken komt alleen maar omdat boeken bestaan uit inkt op papier. Inkt dat niet los kan komen van dat papier.  Thompson meent dat als je het inkt loslaat, de gebruikers ook loskomen. Hij geeft het voorbeeld van BookGlutton.

bookglutton

Een website waar lezers commentaar kunnen achterlaten bij boekparagrafen en waar zij met elkaar in discussie kunnen gaan over de boeken die online zijn bij BookGlutton.

Of deze dan, The Golden Notebook waar zeven vrouwen het boek lezen en de conversatie over het boek plaatsvindt in de marge van de tekst.

dorislessing2

Wat er dan zo uitziet.

Thompson ziet deze ontwikkelingen niet zomaar ergens vandaan komen. En hij heeft gelijk. Het is van oudsher al heel normaal om in een gedrukt boek aantekeningen te maken in de kantlijn. Kan het dan niet zo zijn dat lezers juist willen betalen voor een boek met aantekeningen, aantekeningen die gemaakt zijn door professionele lezers die ook echt iets te zeggen hebben. Je denkt misschien van niet. Maar Thompson heeft een voorbeeld van studenten die gebruikte studieboeken kopen en op zoek gaan naar dat boek met de beste aantekeningen. Maar hij gaat een stap verder, geeft aan dat de technologie al bestaat en geeft een toekomstbeeld.

Imagine a world where there’s a URL for every chapter and paragraph in a book—every sentence, even. Readers could point to their favorite sections in a MySpace update or instant message or respond to an argument by copiously linking to the smartest passages in a recent best seller.

De term ontdekken krijgt hiermee een nieuwe betekenis.

This would massively improve what bibliophiles call book discovery. You’re far more likely to hear about a book if a friend has highlighted a couple brilliant sentences in a Facebook update—and if you hear about it, you’re far more likely to buy it in print. Yes, in print: The few authors who have experimented with giving away digital copies (mostly in sci-fi) have found that they end up selling more print copies, because their books are discovered by more people.

Thompson zegt hiermee niet dat het lezen van boeken altijd maar sociaal moet zijn.

One of the chief pleasures of a book is mental solitude, that deep, quiet focus on an author’s thoughts—and your own. That’s not going away. But books have been held hostage offline for far too long. Taking them digital will unlock their real hidden value: the readers.

Vrijheid voor de boeken & de lezers!

Happiness Manager, niet 1 maar 2!

Een week geleden bracht ik met een aantal collega’s van verschillende afdelingen, maar allemaal behorende bij de groep Extended Services, een middag door in de Schaapskooi in Delft. De vorige keer dat deze groep bij elkaar kwam was het gewoon een vergadering zoals vele anderen. Dat dit soort vergaderingen niet heel erg inspirerend zijn hoef ik waarschijnlijk niet uit te leggen. Mijn leidinggevenden dachten er net zo over en daarom bedachten zij eens iets anders. Weg van de werkplek maar wel met een duidelijk doel. Nadenken over de bibliotheek in 2015 en op zo’n manier dat de leidinggevenden de input van de middag mee kunnen nemen naar een heisessie die deze week plaatsvindt.

photo

Om de inspiratie op gang te brengen hadden zij een externe ingehuurd voor de middag. Ik ben natuurlijk zijn naam vergeten maar denk dat het Ramon Verwijst is geweest.

photo2

Met hem gingen wij visualiseren. Ogen dicht…. wegdromen…. denk aan de bibliotheek in 2015… wat voel je, wat ruik je, wat zie je…. nee niet praten met elkaar, eerst opschrijven. Om daarna de drie belangrijkste begrippen uit de tekst te halen en deze op de flip-over te schrijven.

Wat ik erg interessant vond was dat een aantal begrippen bij meerdere collega’s waren opgekomen, zoals inspirerend, kleurrijk en open. Natuurlijk zijn dit niet de meest originele begrippen, maar blijkbaar zitten wij met een aantal collega’s wel op een lijn. De lijn dat wij met de bibliotheek een plek willen zijn waar je graag komt en blijft en waar je geïnspireerd wordt.

Na de visualisatieopdracht mochten wij in kleine groepjes nadenken over een tweetal vragen. Zoals welke nieuwe diensten/producten moeten ontwikkeld worden en wat wil je niet meer doen? Nieuwe diensten…. nog meer nieuwe diensten… ik werd een beetje baldadig en schreef op mijn geeltje – Happiness Manager. Wat ons groepje vooral niet meer wilde, maar dit wilde de andere groepjes ook niet meer, was teveel (onnodig)vergaderen. Mhmhm daar zitten we dus ook op een lijn.

De Happiness Manager bleef hangen, maar niet alleen bij mij. Nu is het begrip helemaal niet nieuw en zijn er zelfs mensen die het gewoon op hun visitekaartje hebben staan.

happinessmanager1

Of in Nederland bijvoorbeeld Onno Hamburger die Happiness coach is (of coach van Duurzaam Geluk) bij Van Harte & Lingsma. Of denk bijvoorbeeld aan de Chief Happiness Officer, die het boek Happy Hour is 9 to 5 schreef.

Toen ik Happiness Manager opschreef dacht ik ook aan iemand die de medewerkers helpt om gelukkig te zijn in het werk.

Maar het kan ook anders:

happinessmanager2

Briljant! Een Happiness Manager voor de gebruiker. En nu wil ik dus niet 1 Happiness Manager op de werkvloer, maar 2. Een voor mezelf en een voor de klant.

De toekomst van Social Media Entertainment

Via Beth Kanter kwam ik uit bij een presentatie van Gary Hayes over de toekomst van Social Media Entertainment. Erg interessante materie dus neem vooral een kijkje (mooie grafieken ook).

Eigenlijk is het heel simpel en gaat het om een paar basisbegrippen:

INVOLVE – live the social web, understand it, this cannot be faked
CREATE – make relevant content for communities of interest
DISCUSS – no conversation around it, then the content may as well not exist
PROMOTE – actively, respectfully, promote the content into the networks
MEASURE – monitor, iteratively develop and respond or be damned!

De excuses zoals op pagina 15 tellen natuurlijk niet. Wij kunnen wel denken dat wij weten hoe wij het moeten vertellen maar of dat werkt, waarschijnlijk niet.

Content = king
Conversation = content (web 2.0)
therefore

Conversation = king

The winners are those who enable the conversation.

Nu noemde Beth Gary vanwege een afbeelding die hij heeft gemaakt en dat is deze:

3251571301_8cae80b54f_o

Een afbeelding die in 1 oogopslag duidelijk maakt waar het om gaat wilde ik jullie uiteraard niet onthouden.

Meer afbeeldingen van Gary Hayes staan op Flickr.

Gebruikt beeldmateriaal is afkomstig van Flickr – NVH 4762 van 独自又何妨